Rigter_Handboek ontwikkelingspsychopathologie bij kinderen en jeugdigen HD2

2 Classificatie, diagnostiek en epidemiologie

elke leeftijdscategorie en wordt er onderscheid gemaakt tussen jongens en meisjes. Er zijn lijsten ontwikkeld die kinderen zelf kunnen invullen (voor kinderen vanaf 11 jaar), lijsten die de ouders invullen (voor kinderen vanaf 1,5 jaar) en lijsten die de onderwijzers of andere ver zorgers (denk aan een kinderdagverblijf) invullen (voor kinderen vanaf 1,5 jaar).

De onderzoekers die met deze lijsten werken, delen de behaalde scores wel in categorieën in. Een behaalde score boven een bepaalde norm geldt dan als zorgwek kend of als ernstig. Deze werkwijze valt te vergelijken met een arts die de bloeddruk bij een patiënt opneemt (Verhulst 1998): om een uitspraak te kunnen doen, wordt dan gebruikgemaakt van bepaalde normgege vens, bijvoorbeeld Uw bloeddruk is iets te hoog, maar niet zorgwekkend of Uw bloeddruk is veel te hoog . Aan de hand van de uitslagen op de vragenlijsten naar het psychisch functioneren van kinderen zijn soortgelijke uitspraken mogelijk. Bijvoorbeeld Dit kind heeft zeer ernstige gedragsproblemen . Meestal wordt de norm gedefinieerd aan de hand van een percentielscore. Een score van een kind in of boven het negentigste percen tiel betekent dat bij honderd vergelijkbare kinderen (van dezelfde sekse en dezelfde leeftijd) slechts tien een even hoge of nog hogere score behalen, en dat ne gentig kinderen die score niet behalen. De meestgebruikte dimensionale classificatiesystemen zijn de door de Amerikaanse psycholoog Achenbach (1997, 1999) ontwikkelde vragenlijsten. Vertaalde ver sies van deze vragenlijsten worden in Nederland veel vuldig gebruikt (Verhulst 1998) en de (aanstaande) hulpverlener heeft net als bij dsm een grote kans dat hij deze manier van werken tegenkomt. De vragenlijsten staan bekend onder de naam Child Behavior Check list (cbcl; zie tabel 2.3) en er bestaan (genormeerde) versies voor verschillende leeftijdscategorieën: van 1,5 tot 5 jaar, van 6 tot 18 jaar, en van 18 jaar en ouder (de Adult Behavior Checklist ). Om vast te stellen of een kind een problematiek heeft zijn er aparte normen voor Tabel 2.3 Voorbeelden van vragen en antwoordcategorieën van de cbcl. Werkwijze Child Behavior Checklist De Child Behavior Checklist (cbcl) bestaat uit 120 vra gen (items), en de persoon die de lijst invult moet bij elke vraag uit de volgende drie antwoorden kiezen: ■ helemaal niet van toepassing De vragen zijn verdeeld over acht mogelijke probleem gebieden, zoals teruggetrokken gedrag, angstig of de pressief en agressief gedrag. De antwoorden van de informant moeten betrekking hebben op de laatste zes maanden. Vragen (items) kunnen zijn: ■ Mijn kind heeft moeite om vrienden te maken. ■ Mijn kind is bang of maakt zich te veel zorgen. ■ Mijn kind vindt het prettig om alleen te zijn. ■ een beetje of soms van toepassing ■ duidelijk of vaak van toepassing

2.2.4 Vergelijking tussen categoriaal en dimensionaal classificeren

In de Nederlandse hulpverleningspraktijk hebben zo wel de dsm-systematiek als de cbcl een niet meer weg te denken plaats veroverd. dsm is wat populairder bij psychiaters en artsen, de cbcl is wat populairder bij psychologen. Wat bij het ene systeem als een sterke kant zou kunnen gelden, valt bij het andere systeem vaak zwakker uit. De Child Behavior Checklist sluit beter aan bij het gedachtegoed van de ontwikkelings psychopathologie dan de dsm. Achenbach (1999) geeft een aantal argumenten die pleiten voor de vragenlijstmethode. Op de eerste plaats is hij van mening dat die beter aansluit bij de praktijk van snel wisselende en verder ontwikkelen de – talige, cognitieve en sociale – vaardigheden bij kinderen. Hetzelfde geldt voor psychische problema tiek: op een bepaald moment kan een kind voldoen aan de criteria voor psychische problematiek, maar op een ander moment in de ontwikkeling kan dat anders zijn. De cbcl met de dimensionale aanpak kan deze veranderingen beter in kaart brengen dan dsm-5, die immers meer uitgaat van statische categorieën. Een tweede argument van Achenbach in het voor deel van de cbcl is dat er voor psychische stoornissen geen harde criteria te geven zijn, terwijl de dsm daar wel impliciet van uitgaat. Achenbach wijst erop dat veel van de redenen waarom kinderen worden aan gemeld bij de hulpverlening niet ‘in zichzelf’ ziekelijk (pathologisch) zijn. Zo vertonen veel kinderen op een bepaalde leeftijd druk gedrag: ze zijn onrustig, rennen heen en weer, blijven niet stilzitten als dat wel gewenst is, praten aan één stuk door. Dit zijn allemaal kenmer ken die dsm-5 noemt bij hyperactiviteit (een aspect van adhd; zie hoofdstuk 11). In de handleiding van dsm-5 wordt beschreven dat je mag spreken van hy peractiviteit als het vertoonde gedrag onaangepast is en niet past bij het ontwikkelingsniveau van het kind – dit allemaal ter beoordeling van de hulpverlener. Met de vragenlijstmethode kan de hulpverlener de scores van een kind echter vergelijken met die van andere kinderen van dezelfde leeftijd en sekse, en zijn er nor men geformuleerd waaraan een kind moet voldoen om te spreken van hyperactiviteit. De eventuele voor

44

Made with FlippingBook Annual report