Ten Broeke-Praktijkboek Geïntegreerde Cognitieve Gedragstherapie

1 Geïntegreerde Cognitieve Gedragstherapie. Uitgangspunten en contouren

het bijzonder. Dat is ten onrechte. Hoewel dit idee zeker onder (gedrags)therapeuten – maar niet alleen onder hen – gemeengoed is geworden, is en was ‘cognitieve’ therapie niet beperkt tot ‘talige’ interventies (zie Beck et al., 1979; J.S. Beck, 2011). Gedragsex perimenten zoals exposure in vivo, maar ook bijvoorbeeld imaginaire exposure, zijn vanuit die optiek evenzeer ‘cognitieve’ interventies als het gedachterapport of bijvoor beeld de taartpunttechniek of meerdimensionaal evalueren. De diverse interventies zijn telkens gericht op hetzelfde: het leren van nieuwe kennisrepresentaties en het optima liseren van de competitie tussen die kennisrepresentaties. De term ‘cognitief ’ verwijst dus geenszins alleen, zelfs niet overwegend, naar talige informatie(verwerking). Bij alle (veranderingen in) gedrag spelen cognities een rol. Zelfs bij de door klassieke conditi onering kwijlende honden van Pavlov is sprake van ‘cognitief ’ leren: ‘One could argue that the term cognitive-behavioral therapy is a misnomer, or at least a tautology. It is difficult to imagine a behavior that is not influenced by cognitive processes (even in Pav lov’s dogs) (…)’ (Eelen & Vervliet, 2006). Dit alles sluit niet alleen aan bij de bewering die aan het begin van deze paragraaf werd gedaan met betrekking tot het grotendeels onbewust verlopen van (de) infor matieverwerking, in zowel algemene zin als wat betreft psychopathologie, maar ook bij de invloedrijke visie van Brewin (2006), die er weliswaar van uitgaat dat er van oudsher procedurele, maar in feite geen principiële verschillen zijn tussen zogenoem de ‘cognitieve’, gedragsmatige en experiëntiële interventies. Het gaat, volgens Brewin, bij psychotherapie in alle gevallen om (1) het versterken en waar nodig opbouwen van functionele kennisrepresentaties, en om (2) het actief beïnvloeden van de competitie tussen die kennisrepresentaties. 1 Klassieke gedragstherapie, met de nadruk op associ atief leren, en de traditionele ‘cognitieve therapie’, met de nadruk op ‘redeneren’, leiden idealiter tot hetzelfde: ‘(…) the same explanation is applied to both behavior therapy techniques such as exposure and cognitive therapy techniques such as the challenging of negative thoughts and assumptions. At present the former tend to be explained in terms of associative processes and the latter in terms of logical reasoning. What is being proposed here, however, is that associative and logical reasoning have the same outcome, the creation of more positive competitor representations. Logical reasoning is thus one particular means to an end rather than a necessary part of CBT’ (Brewin, 2006). Alle in dit hoofdstuk en in het Handboek (Korrelboom & Ten Broeke, 2014) bespro ken theoretische en conceptuele overwegingen en inzichten dienen uiteindelijk het doel het op herstel gerichte psychotherapeutische handelen zo optimaal mogelijk te la ten verlopen. Anders gezegd: de relevantie van de besproken inzichten uit de theoreti sche psychologie dient in het kader van dit boek afgemeten te worden aan de betekenis die ze hebben voor de (therapeutische) praktijk. Psychotherapie in het algemeen en cognitieve gedragstherapie in het bijzonder Het vermogen om vergaand gebruik te maken van eerdere ervaringen en het voordeel van kunnen beschikken over een systeem van emotionele cognitieve netwerken dat het

1.6

34

Made with FlippingBook flipbook maker