Pauline Kuiper-Jong - Taaltempo Nederlands

(n)iets, (n)iemand, (n)ergens ik heb iets lekkers, er luistert niemand 16 aan het + infinitief aan het+inf. zijn jullie aan het eten? ik ben aan het telefoneren 16 dan/als hij is ouder dan ik, jullie rijden even snel als wij 17

verwijzen (1) het meisje dat daar woont, de vriend met wie ik studeer 18 verkleinwoorden eitje, mannetje 19 indirecte rede indir.rede hij zei dat hij wilde komen, vraag je of hij komt? 19 onbepaald voornaamwoord onbep.vrnw. wat doe je als je honger hebt? zegt men dat? 20 passieve zinnen word je geknuffeld? ik ben door hem gebeld 20 er (5) er wachten er veel, er zijn er 10 21 23

blijken/schijnen het blijkt te kloppen, hij schijnt het gehaald te hebben 21 als/wanneer/toen was je er toen hij vertrok? hij snurkt als hij slaapt 21 onvoltooid verleden toekomende tijd, voltooid verleden toekomende tijd o.v.t.t./v.v.t.t. ik zou het verkopen, wij zouden erheen gegaan zijn 22 zo’n/zulke zo’n situatie, zulk gedrag 22

meerdere hulpwerkwoorden meerdere hulpw.w. heb je ermee moeten stoppen? dat had hij eerder kunnen zeggen verwijzen (2) luister je naar wat hij zegt? dit is wat ik bedoelde 24 onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd o.t.t.t. ik zal erop terugkomen 24

uitdrukkingen het zit erin gehamerd, ik ben ermee in mijn nopjes 25

11

Made with FlippingBook - Online catalogs