Bert van Wee en Jan Anne Annema (red.) - Verkeer en vervoer in hoofdlijnen

Verkeer en vervoer in hoofdlijnen

behoeften van bedrijven om goederen te verplaatsen, en maakt duidelijk dat het goederenvervoer zeer divers is van aard en verschijningsvorm: er zijn vele soorten goederen, variërend van delfstoffen tot chips voor computers. Ver- der zijn er diverse vervoersmiddelen, van binnenschepen tot vliegtuigen, en er zijn vele soorten producenten en afnemers van goederen met hun eigen logistieke organisatie, die zich op vele verschillende soorten locaties bevinden. Deze diversiteit is verantwoordelijk voor de complexe samenhang tussen eco- nomische, maatschappelijke en logistieke ontwikkelingen. Hoofdstuk 5 gaat in op de invloed van ruimtelijke inrichting op het verplaatsingsgedrag. Aan bod komen onder meer het belang van functiemenging (bijvoorbeeld wanneer in één gebied zowel woningen als winkels en bedrijven voorkomen), dichthe- den (bijvoorbeeld het aantal woningen per hectare) en de afstemming tussen ruimtelijke inrichting en infrastructuur. Bij die afstemming tussen ruimtelijke inrichting en infrastructuur gaat het om de vraag hoe de locaties van wonen, werken en andere activiteiten gelegen zijn ten opzichte van infrastructuur, zo- als wegen, op- en afritten, stations en haltes van het openbaar vervoer. Hoofd- stuk 6 legt uit hoe infrastructurele ontwikkelingen de ontwikkelingen in ver- keer en vervoer hebben gestuurd, en dat de verbeterde infrastructuur heeft geresulteerd in kortere reistijden, en daarmee heeft bijgedragen aan een groei van zowel het personen- als goederenvervoer. Nadat aldus de diverse factoren die ontwikkelingen in verkeer en vervoer be- ïnvloeden zijn behandeld, gaan we in deel II (de hoofdstukken 7 tot en met 10) in op de effecten van het verkeers- en vervoerssysteem op bereikbaarheid, milieu en verkeersonveiligheid. Omdat die effecten niet alleen afhangen van de factoren zoals beschreven in de hoofdstukken 3 tot en met 6, maar ook van technische ontwikkelingen, gaat hoofdstuk 7 in op die technische ontwikke- lingen, en vervolgens ook op de genoemde effecten zelf. Hoofdstuk 8 geeft een overzicht van diverse benaderingen van het begrip ‘bereikbaarheid’, alsmede van de voor- en nadelen en de toepassingsmogelijkheden van die benaderin- gen. Hoofdstuk 9 geeft een overzicht van de milieu-impact van het verkeers- en vervoerssysteem, van mondiale effecten (met name klimaatverandering) tot en met lokale effecten als geluidshinder en lokale luchtverontreiniging. Hoofdstuk 10 gaat in op de verkeersonveiligheid, en maakt duidelijk dat van alle verkeersslachtoffers de meesten in het wegverkeer vallen. Toe- of afname van het aantal verkeersslachtoffers blijkt samen te hangen met ontwikkelingen in de wegomgeving, de weggebruiker en het voertuig. Deel III (de hoofdstukken 11 tot en met 14) gaat over beleid en onderzoek. Hoofdstuk 11 geeft in hoofdlijnen aan waarom de overheid verkeers- en ver- voersbeleid voert. Tevens gaat het in op de taken en verantwoordelijkheden die de EU, het rijk, de provincies en de gemeenten hebben. Hoofdstuk 12 gaat in op het toekomstonderzoek waarin onderzoekers trachten te verkennen hoe

12

Made with