Katja Verbruggen, Henny Taks en Eefke Jacobs - Taaltalent deel 3

TALENT Methode Nederlands voor midden- en hoogopgeleide anderstaligen Katja Verbruggen Henny Taks Eefke Jacobs

Voor Greet en Hans

Website Bij dit boek hoort online studiemateriaal. Ga naar www.coutinho.nl/taaltalent3 en log in met je Coutinho-account. Activeer vervolgens onderstaande code. Hierna heb je exclusieve toegang tot het materiaal.

Taaltalent deel 3

Methode Nederlands voor midden- en hoogopgeleide anderstaligen

Katja Verbruggen, Henny Taks & Eefke Jacobs

Tweede, herziene druk

c u i t g e v e r ij

c o u t i n h o

bussum 2014

© 2012 Uitgeverij Coutinho bv Alle rechten voorbehouden.

Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door foto- kopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van reprografische verveelvoudigingen uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16h Auteurswet 1912 dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoe- dingen te voldoen aan Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130 KB Hoofddorp, www.repro- recht.nl). Voor het overnemen van (een) gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie, Postbus 3060, 2130 KB Hoofd- dorp, www.stichting-pro.nl).

Eerste druk 2012 (verschenen onder de titel Taaltalent ) Tweede, herziene druk 2014

Uitgeverij Coutinho Postbus 333 1400 AH Bussum info@coutinho.nl www.coutinho.nl

Omslag: Garlic, Amsterdam Foto omslag: Sebastiaan ter Burg, Utrecht Geluid: Studio Klanktank, Aart de Jong Stemmen: Romke Burger, Anne Diederiek Dee, Eva van Wijk en Maarten Zwart

Noot van de uitgever Wij hebben alle moeite gedaan om rechthebbenden van copyright te achterhalen. Personen of instanties die aanspraak maken op bepaalde rechten, wordt vriendelijk verzocht contact op te nemen met de uitgever. De personen op de foto’s komen niet in de tekst voor en hebben geen relatie met hetgeen in de tekst wordt beschreven.

ISBN 978 90 469 0391 9 NUR 624

Voorwoord

Taaltalent is een doorlopende leerlijn die bedoeld is voor volwassen anderstaligen die Nederlands willen leren. De leerlijn bestaat uit drie delen. Taaltalent 1 leidt op naar niveau A1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader, Taaltalent 2 heeft als eindniveau A2, het niveau van het inburgeringsexamen en Taaltalent 3 leidt op naar B1, het niveau van programma I van het Staatsexamen. Bij het maken van de leerlijn zijn wij uitgegaan van de meest recente visie op taal leren. De boeken zijn gemaakt voor communicatief, interactief en taakgericht onderwijs, waarbij samenwerkend leren, Focus on Form en het gebruiken van strategieën belang- rijke aspecten zijn. Hoewel de boeken in de eerste plaats bedoeld zijn als leergangen om de taalvaardigheid van de cursisten te verbeteren, kunnen ze ook gebruikt worden als voorbereiding op het inburgeringsexamen ( Taaltalent 2 ) en het Staatsexamen, pro- gramma I ( Taaltalent 3 ). Zowel in de boeken zelf als op de bijbehorende website zijn opdrachten te vinden die vergelijkbaar zijn met de opdrachten van het inburgerings- examen en het Staatsexamen Programma l. Taaltalent 3 bestaat uit twaalf thematische hoofdstukken, die aandacht besteden aan diverse beroepsgroepen en opleidingsmogelijkheden. Ieder hoofdstuk is onderverdeeld in ‘voorbereiden’, ‘uitvoeren’ en ‘oefenen’. Ook bevat ieder hoofdstuk een opdracht die aanmoedigt om zelf nieuwe woorden te leren. Dit maakt cursisten ervan bewust dat taalverwerving niet alleen binnen, maar ook buiten de lessituatie plaatsvindt. In princi- pe kunnen de cursisten de opdrachten bij ‘voorbereiden’ en de oefeningen bij ‘oefenen’ zelfstandig (thuis) uitvoeren. Voor de opdrachten bij ‘uitvoeren’ is meestal samenwer- king met andere cursisten nodig. Bij de totstandkoming van Taaltalent 3 zijn diverse personen betrokken geweest. We willen al onze referenten hartelijk bedanken voor hun nuttige en kritische commentaar. Verder zijn we blij met de manier waarop de medewerkers van Uitgeverij Coutinho ervoor gezorgd hebben dat het boek op deze manier vorm heeft gekregen.

We hopen dat je met veel plezier met ons boek zult werken.

Katja Verbruggen, Henny Taks en Eefke Jacobs

www.coutinho.nl/taaltalent3

Bij dit boek hoort een website met extra materiaal. Hierop vind je de audiofragmenten bij dit boek, oefeningen en toetsen met feedback, oefeningen (lezen en luisteren) voor het Staatsexamen Programma l, een checklist om je spreek- en schrijfvaardigheid te beoordelen, de woordenlijsten met betekenis, en de antwoorden bij de oefeningen uit dit boek. Voor docenten is er een docentenhandleiding beschikbaar met didactische aanwijzin- gen, vier toetsen en kopieerbladen met de transcripties van de luisterteksten. Ook kun- nen docenten via de website de audiofragmenten bij het boek op cd bestellen. Ga naar www.coutinho.nl/taaltalent3 . Maak een Coutinho-account aan en typ vervol- gens de unieke code in van bladzijde 2 van dit boek. Met deze code krijg je exclusieve toegang tot het extra materiaal.

Inhoudsopgave

12

Zo werkt Taaltalent

1 Familie

14

■ Voorbereiden

16 20 22 25 32 32 35

Grammatica: het zelfstandig naamwoord

■ Uitvoeren

Grammatica: de hoofdzin

■ Oefenen

Oefenen met de woorden Oefenen met de grammatica

2 Sport

38

■ Voorbereiden

40 44 46 51 59 59 61

Grammatica: het lidwoord

■ Uitvoeren

Grammatica: de gebiedende wijs

■ Oefenen

Oefenen met de woorden Oefenen met de grammatica

3 De buurt

64

■ Voorbereiden

66 70 72 75 82 82 85

Grammatica: het bijvoeglijk naamwoord

■ Uitvoeren

Grammatica: er + onbepaald onderwerp

■ Oefenen

Oefenen met de woorden Oefenen met de grammatica

4 Media en communicatie

88

■ Voorbereiden

90 93 95 99

Grammatica: het voorzetsel

■ Uitvoeren

Grammatica: de samengestelde zin (1)

■ Oefenen

103 103 105 107

Oefenen met de woorden Oefenen met de grammatica Oefenen met de voorzetsels

5 Leren en werken

108

■ Voorbereiden

110 113 116 120 128 128 130 131

Grammatica: het persoonlijk voornaamwoord als onderwerp

■ Uitvoeren

Grammatica: de samengestelde zin (2)

■ Oefenen

Oefenen met de woorden Oefenen met de grammatica Oefenen met de voorzetsels

6 Verkeer en vervoer

134

■ Voorbereiden

136 140 144 148 154 154 157 158

Grammatica: het persoonlijk voornaamwoord niet als onderwerp

■ Uitvoeren

Grammatica: voegwoorden van tijd

■ Oefenen

Oefenen met de woorden Oefenen met de grammatica Oefenen met de voorzetsels

7 Land- en tuinbouw

160

■ Voorbereiden

162 167 169 172 180 180 183 184

Grammatica: de vergrotende trap

■ Uitvoeren

Grammatica: directe en indirecte rede

■ Oefenen

Oefenen met de woorden Oefenen met de grammatica Oefenen met de voorzetsels

8 Zorg en welzijn

186

■ Voorbereiden

188 190 193 196 204 204 207 208

Grammatica: de overtreffende trap

■ Uitvoeren

Grammatica: de indirecte vraag

■ Oefenen

Oefenen met de woorden Oefenen met de grammatica Oefenen met de voorzetsels

9 Horeca en toerisme

210

■ Voorbereiden

212 214 217 221 228 228 233 235

Grammatica: de vergrotende en overtreffende trap

■ Uitvoeren

Grammatica: de betrekkelijke bijzin (1)

■ Oefenen

Oefenen met de woorden Oefenen met de grammatica Oefenen met de voorzetsels

10 Bouw en techniek

236

■ Voorbereiden

238 243 246 252 258 258 263 264

Grammatica: bezittelijke voornaamwoorden en bezittelijke constructies

■ Uitvoeren

Grammatica: de betrekkelijke bijzin (2)

■ Oefenen

Oefenen met de woorden Oefenen met de grammatica Oefenen met de voorzetsels

11 Mode en interieur

266

■ Voorbereiden

268 272 274 275 277 287 287 291 293

Grammatica: het wederkerend voornaamwoord Grammatica: het wederkerig voornaamwoord

■ Uitvoeren

Grammatica: de passieve zin

■ Oefenen

Oefenen met de woorden Oefenen met de grammatica Oefenen met de voorzetsels

12 Administratie en economie

294

■ Voorbereiden

296 300 302 304 311 311 315 316

Grammatica: alle , alles , allemaal en al

■ Uitvoeren

Grammatica: het gebruik van zou en zouden

■ Oefenen

Oefenen met de woorden Oefenen met de grammatica Oefenen met de voorzetsels

317

Correctiecodes

318

Zelfevaluatie

320

Checklist spreken

321

Checklist schrijven

323

Grammaticale begrippen

325

Illustratieverantwoording

Zo werkt Taaltalent

Taaltalent 3 bestaat uit 12 hoofdstukken.

hoofdstuk 8 Zorg en welzijn

Voorbereiden

Dit is Hoofdstuk 8

Opdracht 1 Beantwoord de vragen.

Wat doe jij als je ziek bent?  a Ik ga direct naar de dokter.  b Ik wacht een paar dagen en ga dan naar de dokter.  c Ik neem medicijnen.  d Ik kijk op internet wat ik heb.  e Ik ga naar een alternatieve arts (acupuncturist …).  f Anders:

1

Ieder hoofdstuk bestaat uit een opening :

2 Ben je in Nederland weleens bij een huisarts of specialist geweest? Zo ja, waarvoor?

3 Ben je in je eigen land weleens bij een huisarts of specialist geweest? Zo ja, waar- voor?

Hoe zijn de ziekenhuizen in jouw land?

4

Zijn er mannen en vrouwen op dezelfde kamer?  ja  nee

en drie onderdelen :

Hoeveel personen liggen er op een kamer? personen

Wie wast jou of geeft jou eten in het ziekenhuis?  een verpleger/verpleegster  familie en/of vrienden

Voorbereiden

Dit kun je alleen (thuis) doen.

5 Kun je in jouw land direct naar de specialist, of moet je eerst naar de huisarts?

Uitvoeren

Dit doe je in de groep of klas.

188

Oefenen

Dit kun je alleen (thuis) doen.

Opdrachten In dit boek leer je vooral door de opdrachten uit te voeren.

Hier begint het onder- deel ‘Voorbereiden’

Achter in het boek vind je:

■ correctiecodes ■ een zelfevaluatie

■ een checklist voor spreken ■ een checklist voor schrijven ■ grammaticale begrippen

12

Gebruikte pictogrammen:

hoofdstuk 8 Zorg en welzijn

ker worden of als laborant in een laboratorium of apotheek gaan werken. Naar: www.zorgenwelzijnplein.nl

terecht. Met een mbo-diploma kun je bijvoorbeeld verpleegkundige of operatieassistent worden. Met een hbo-opleiding kun je jongerenwer-

De pictogrammen geven aan wat je moet doen.

75

80

bedenk (je antwoord is niet goed of fout)

de voorlichting de zieke momenteel aanleren de vaardigheid overwegen het laboratorium de begeleider het misverstand

het welzijn het bloed

de angst de naald

schrijf in je schrift werk samen met een medecursist zeg na

de oudere de jongere het verzorgingshuis psychisch de zorginstelling

Maak vijf vragen bij de tekst.

Voorbeeld: Waar kun je werken als je het liefst met jongeren werkt?

schrijf op een los vel en lever het in luister naar de opname op de website of naar je docent

Vraag 1: Vraag 2: Vraag 3: Vraag 4: Vraag 5:

? ? ? ? ?

leer zelf

De overtreffende trap

De overtreffende trap gebruiken we (net als de vergrotende trap in hoofdstuk 7) om zaken met elkaar te vergelijken. De overtreffende trap wordt gevormd door st(e) ach- ter het bijvoeglijk naamwoord te plaatsen:

www.coutinho.nl/taaltalent3

groot st(e) mooi st(e) duur st(e) leuk st(e)

Op de website bij dit boek vind je:

■ geluidsopnames bij de opdrachten met ■ digitale oefeningen ■ toetsen ■ oefenopdrachten voor de onderdelen ‘lezen’ en ‘luisteren’ van het Staatsexamen NT2-I

190

Leesteksten In sommige opdrachten staan leesteksten. Daaronder staan nieuwe woorden.

Grammatica In de blauwe kaders wordt de grammatica uitgelegd.

■ checklist spreken ■ checklist schrijven ■ woordenlijsten ■ sleutel

13

hoofdstuk 1 Familie

14

Mag ik me even voorstellen?

In het zorgcentrum wonen veel we- duwen en weduwnaars . Zij voelen zich vaak eenzaam , maar ze zoeken elkaars gezelschap vaak op. Ze gaan met elkaar wandelen, in de koffieka- mer spelletjes doen, samen zingen et cetera. Soms zie je ook afschuwelijke dingen. Er is in een zorgcentrum ook veel ellende . Sommige mensen kunnen niets onthouden en moeten alles opschrijven. Andere mensen snappen niet waarom hun kinderen nooit op bezoek komen en ze zijn daar erg kwaad over. Ik luister naar hen als ze over hun kinderen praten. Ik maak tijd voor hen. Het is belang- rijk om veel geduld te hebben en serieus te zijn. De mensen zijn wel oud, maar niet dom. Natuurlijk is er ook regelmatig een begrafenis of een crematie van een van de bewoners. Ik ga met andere ouderen mee als er iemand wordt begraven .

Hallo! Mag ik me even voorstellen? Ik ben Hans en ik ben 32 jaar oud. Mijn beroep is leerkracht op een basisschool, maar ik ben op dit mo- ment huisman. Mijn vrouw werkt fulltime en daarom zorg ik voor onze kinderen. We hebben twee kinderen: een dochter van drie en een zoontje van één jaar. Ik werk overdag als vrijwilliger in een bejaardenhuis . Dat heet nu een woon-zorgcentrum. Ik houd me daar bezig met de verzorging van ouderen. Omdat er te weinig verple- gend personeel is , zorg ik ervoor dat de bewoners op tijd hun medicijnen nemen. De meeste ouderen leggen de pillen klaar. Dan vergeten ze die niet. Ik vind het heel leuk om met oude- ren bezig te zijn. Ze vragen vaak of ik met hen koffie wil drinken. Dan pro- testeer ik niet, want een kopje koffie vind ik altijd lekker. Ze vertellen veel grappige verhalen over vroeger.

5

30

10

35

15

40

20

45

25

50

het gezelschap afschuwelijk de ellende onthouden snappen kwaad het geduld de begrafenis de crematie begraven

de vrijwilliger het bejaardenhuis zich bezighouden met het verplegend personeel de bewoner vergeten

protesteren de weduwe de weduwnaar eenzaam

15

hoofdstuk 1  Familie

Voorbereiden

Opdracht 1 Beantwoord de vragen.

1 Waar wonen mensen in jouw land als ze oud zijn? Je kunt meerdere antwoorden aankruisen.  a bij hun kinderen  b in een soort zorgcentrum  c in hun eigen huis

2 Wie zorgt voor de ouderen in jouw land? Je kunt meerdere antwoorden aan­ kruisen.

 a de familie  b vrijwilligers  c de buren  d andere ouderen  e de mensen die in het zorgcentrum werken

3 Wie zorgt in jouw land voor de vrouw als ze weduwe wordt? Je kunt meerdere ant- woorden aankruisen.  a de familie  b de familie van haar man

 c de buren  d vrienden  e hun kind(eren)

Hoe groot is jouw familie?

4

5 Mag je in jouw land als man en vrouw samenwonen (in hetzelfde huis wonen) als je niet getrouwd bent? Zo ja, doen veel mensen dat?

6 Mag je in jouw land scheiden? Zo ja, doen veel mensen dat?

7 Wie doet in jouw land het huishouden, de man, de vrouw of beiden?

16

Voorbereiden

8 Welk werk is voor mannen en welk werk is voor vrouwen?

mannen

vrouwen

de auto wassen

a

strijken

b

afdrogen

c

afwassen

d

stofzuigen

e

de vuilniszak buitenzetten

f

de ramen wassen

g

koken

h

boodschappen doen

i

de was doen

j

de badkamer en keuken schoonmaken

k

9 Welk huishoudelijk werk van vraag 8 vind je leuk en wat vind je niet leuk om te doen?

Opdracht 2 Lees de tekst en beantwoord de vragen.

De Nederlandse familie

Verdeling van de taken In Nederland bestaat het gezin meestal uit vader, moeder en de kin- deren. De vader werkt meestal, maar de moeder vaak ook. De ouders zor- gen allebei voor de kinderen en voor het huishouden. De mannen doen vaak de boodschappen en koken regelmatig. De vrouwen verzorgen meestal de kinderen.

In Nederland is het gezin vaak belangrijker dan de familie. Het moderne Nederlandse gezinsleven is heel anders dan het gezinsleven in bijvoorbeeld Afrika of Azië. Neder- landers voelen zich niet verplicht om voor hun ouders te zorgen.

10

5

15

17

hoofdstuk 1  Familie

de ouders moeten zich iedere dag haasten om de kinderen op tijd op te halen. Daarom kiezen veel ouders voor een alternatief : opa en oma mogen op de kinderen passen. Ouderen Veel oudere mensen wonen in een zorgcentrum. De bewoners van een zorgcentrum hebben een eigen appartementje of kamer. Eten doen ze samen met de andere bewoners. Vaak is er onvoldoende hulpverle- ning in een zorgcentrum. Daardoor is de verzorging van de ouderen niet altijd goed. Veel ouderen zijn daar- om in het zorgcentrum een beetje ongelukkig en hebben last van de eenzaamheid . Ze klagen vaak dat het personeel niet genoeg tijd voor ze heeft en dat is ook heel begrijpe- lijk .

Gescheiden ouders Door het grote aantal echtschei- dingen in Nederland wonen veel vaders en moeders in hun eentje . De kinderen brengen dan vaak het ene weekend door bij hun vader en het andere weekend bij hun moeder. Door de week zijn de kinderen bij de vader of de moeder. Dat noemen we ‘co-ouderschap’. Sommige geschei- den ouders willen elkaar niet meer zien, maar heel vaak is de commu- nicatie tussen de gescheiden ouders goed. Kinderopvang Als de kinderen vijf jaar oud zijn, moeten ze verplicht naar school. Tot die tijd kunnen ze naar de kinder- opvang als de ouders werken. De kinderopvang lijkt ideaal, maar het kost meestal veel geld. Veel werken-

20

45

25

50

30

55

35

60

40

het alternatief onvoldoende de hulpverlening ongelukkig de eenzaamheid klagen begrijpelijk

verplicht verzorgen de echtscheiding in hun eentje scheiden de communicatie de kinderopvang zich haasten

1 Waar vind je informatie over de grootouders (opa en oma)?  a onder Verdeling van de taken  b onder Gescheiden ouders  c onder Kinderopvang  d onder Ouderen

18

Voorbereiden

2 Waar vind je informatie over ouders die niet meer samen zijn?  a onder Verdeling van de taken  b onder Gescheiden ouders  c onder Kinderopvang  d onder Ouderen

Waar kun je lezen wie de boodschappen doet?  a onder Verdeling van de taken  b onder Gescheiden ouders  c onder Kinderopvang  d onder Ouderen Waar vind je informatie over kleine kinderen?  a onder Verdeling van de taken  b onder Gescheiden ouders  c onder Kinderopvang  d onder Ouderen

3

4

Opdracht 3 Lees de tekst van opdracht 2 nog een keer en beantwoord de volgende vragen.

In Nederland is de familie heel belangrijk.  a waar  b niet waar

1

2 In Nederland zorgen de vrouwen meestal voor de kinderen.  a waar  b niet waar 3 Na de scheiding zien de kinderen de vader of moeder niet meer.  a waar  b niet waar 4 De kinderopvang is in Nederland heel goedkoop.  a waar  b niet waar 5 Ouderen vinden het niet altijd leuk in een zorgcentrum.  a waar  b niet waar

19

hoofdstuk 1  Familie

Het zelfstandig naamwoord

Het zelfstandig naamwoord is een woord waar vaak een lidwoord ( de , het of een ) voor staat. Je gebruikt het bijvoorbeeld voor mensen, dingen, dieren en plaatsen.

Mensen: de man, het meisje, een politieagent Dingen: de pil, het eten, een krant Dieren: de kat, het paard, een hond Plaatsen: de winkel, het dorp, een stad

In sommige woordenboeken kun je zien of een woord een de-woord of een het- woord is. Achter het zelfstandig naamwoord staat m (= mannelijk), v (= vrouwelijk) of f (= female): het lidwoord bij dat woord is de . Achter het zelfstandig naamwoord staat n (= neutraal) of o (onzijdig): het lidwoord bij dat woord is het .

koe (v) het lidwoord is de : de koe huis (o) het lidwoord is het : het huis

Zelfstandige naamwoorden hebben meestal twee vormen: enkelvoud en meervoud. Woorden in het meervoud krijgen altijd de .

de fiets – de fietsen de schoen – de schoenen het boek – de boeken het meisje – de meisjes

Let op de spelling van zelfstandige naamwoorden in het meervoud:

baa s – ba z en hui s – hui z en

nee f – ne v en brie f – brie v en

ko p – ko p p en be d – be d d en ma n – ma n n en

b oo m – b o men w ee k – w e ken n aa m – n a men

20

Voorbereiden

Opdracht 4

1 Lees de tekst en onderstreep alle zelfstandige naamwoorden.

Mijn vader is onderwijzer. Hij werkt op een kleine school bij ons in de buurt. Op die school zitten vooral kinderen uit ons dorp. Op de school werken sommige ouders als vrijwilliger. Ze lezen voor uit boeken of eten samen met de kinderen tussen de middag een boterham.

2 Schrijf de onderstreepte woorden op in het enkelvoud en het meervoud.

Voorbeeld: vader – vaders

Opdracht 5 Wat is het correcte meervoud? Kijk ook in het woordenboek.

1 raam

 a ramen  b rammen  a schapen  b schappen  a kassen  b kazen  a poten  b potten  a balen  b ballen  a baazen  b bazen  a weken  b weeken  a heken  b hekken  a dozen  b doozen  a kommen  b komen

2 schap

3 kas

4 pot

5 bal

6 baas

7 week

8 hek

9 doos

10 kom

21

hoofdstuk 1  Familie

Opdracht 6 Geef het meervoud van de volgende woorden. Schrijf ook het goede lidwoord ervoor.

de school het gezin het raam de vriendin

1 2 3 4 5 6 7 8

het bejaardenhuis

de baas

de woning

de buurt

Uitvoeren

Opdracht 7 Bespreek samen de antwoorden van opdracht 1.

Opdracht 8 Maak de volgende zinnen af en bespreek ze daarna met een medecursist. Wat zijn de verschillen?

In mijn land zorgt/zorgen

voor oude familieleden.

a

In mijn land doen vrouwen:

. .

b

In mijn land doen mannen:

c

d Kinderen moeten vanaf jaar naar school. e Tot die leeftijd zijn ze thuis / bij familie / op de kinderopvang of crèche / op het werk van de vader of moeder / anders: . f Als een vrouw weduwe is, krijgt ze geld van .

22

Uitvoeren

Opdracht 9 Je gaat straks luisteren naar een luistertekst over werken in de thuiszorg. Hieronder staan alvast een paar zinnen uit de luistertekst. Wat betekenen de blauwgedrukte woorden? Kijk naar de context. 1 Hij is een beetje ouderwets en hij vindt het heel normaal dat een vrouw voor hem opruimt en schoonmaakt.  a niet jong

 b niet normaal  c niet modern

Echt waar? Nou, dat vind ik echt belachelijk !  a niet jong

2

 b niet normaal  c niet modern

3 Laatst was er een knoop van zijn jas. Toen vroeg hij aan mij of ik de knoop weer aan zijn jas wilde zetten.

 a een ding om de tv aan en uit te doen  b een ding om kleding dicht te doen  c een ding om een fles dicht te doen

4 Toen ik vertelde wat het probleem was, zei hij dat dat niet waar was en dat ik niet moest liegen .  a wat je op bed doet

 b iets zeggen wat niet klopt  c zeggen dat je iets niet weet

5 Je moet me niet alleen wassen en scheren , maar ook zorgen dat ik bezoek kan krij- gen.  a de haren weghalen  b schoonmaken  c de haren kammen 6 ■  Maar daarna heeft hij tegen mijn baas gezegd dat ik mijn werk niet goed doe. ■ Wat vervelend !  a leuk  b niet leuk  c aardig

23

hoofdstuk 1  Familie

7 Volgens mijn baas ben ik lui en heb ik geen zin om hard te werken.

 a niet kijken  b niet willen  c niet kunnen

Opdracht 10 Luister naar de luistertekst Werken in de thuiszorg en beantwoord de vragen.

Jessica en Tanja hebben elkaar pas nog gezien.  a waar  b niet waar Jessica werkt nog niet zo lang in de thuiszorg.  a waar  b niet waar Het gesprek gaat over de vader van Jessica.  a waar  b niet waar

1

2

3

Opdracht 11 Luister nog een keer naar de luistertekst van opdracht 10 en beantwoord de vragen.

Waar werkt Jessica?  a bij mensen thuis  b in een ziekenhuis  c in een zorgcentrum

1

Over welk probleem praat Jessica?  a over een man die zijn huis niet kan schoonmaken  b over een man die wil dat zij het huis schoonmaakt  c over een man die wil dat zijn vrouw het huis schoonmaakt

2

3 Kruis aan wat Jessica niet voor de man hoeft te doen.

 a hem scheren  b hem wassen  c voor hem koken

Wat is het advies van Tanja?  a met haar baas gaan praten  b met de man gaan praten  c een andere baan zoeken

4

24

Uitvoeren

Opdracht 12

1 Je hoort een paar zinnen uit de luistertekst van opdracht 10. Luister naar de zinnen en schrijf op hoeveel woorden je hoort.

Zin 1: woorden

Zin 2: woorden

Zin 3: woorden

Zin 4: woorden

Zin 5: woorden

2 Luister nog een keer en probeer de zinnen op te schrijven.

Zeg nu de zinnen na.

3

De hoofdzin

De hoofdzin heeft minimaal: ■ een onderwerp: wie doet het? ■ een persoonsvorm (pv.): wat doet hij of zij?

In een normale hoofdzin staat het onderwerp op de eerste plaats en de pv. op de tweede plaats:

1 onderwerp

2 pv.

3 rest

Ik

doe

op zaterdag de was. vanavond voor ons.

Mijn man

kookt

Wij

gaan

in het weekend uit eten.

Het huis Ouderen

is

te koop.

wonen

vaak in een bejaardenhuis.

25

hoofdstuk 1  Familie

Soms staat er nog een werkwoord in de zin. Dat werkwoord staat dan aan het eind van de zin:

1 onderwerp

2 pv.

3 rest

4 werkwoord

Ik

kan

morgen niet

komen.

Zij buitenzetten. Vaders en moeders moeten allebei voor de kinderen zorgen. De kinderopvang zal extra vrijwilligers nodig hebben. willen vanavond de vuilniszak

1 onderwerp

2 pv.

3 rest

4 voltooid deelwoord afgedroogd. geweest. geluisterd. afgelopen.

Jij

hebt

gisteren niet

Jullie

zijn

vorige week op bezoek

De vrijwilliger

heeft

naar de bewoners

De ruzie

is

gelukkig goed

Soms staat er op de eerste plaats een ander woord dan het onderwerp. Dan gaat het onderwerp naar de derde plaats. De pv. blijft op de tweede plaats staan:

1

2 pv.

3 onderwerp

4 rest

5 werkwoord/ voltooid deelwoord

Op zaterdag

doe

ik

de was.

Vanavond Misschien

kookt

mijn man

voor ons.

bouwt de gemeente een nieuw zorgcentrum.

Eerst

moeten de bejaarden het ontbijt

krijgen.

Daarna

zullen de verzorgers de medicijnen aan hen geven.

In onze stad mogen de winkels

tot 21.00 uur open

zijn.

Gisteren

heb

jij

niet

afgedroogd.

Bij de begrafenis hebben de familieleden veel

gehuild.

Als het onderwerp op de derde plaats (na de pv.) staat, spreken we van ‘inversie’.

26

Uitvoeren

Opdracht 13 Verander de zinnen. Gebruik de woorden tussen haakjes. Zeg daarna de zinnen hardop.

Voorbeelden: Vandaag was ik af. (morgen) Morgen was ik af.

Vandaag was ik af. (schoonmaken) Vandaag maak ik schoon.

Vandaag was ik af. ( koken ) Vandaag strijk ik. ( Morgen )

1 2

3 Morgen doe ik de was. ( de vuilniszakken buitenzetten ) 4 In Nederland werken veel vrouwen. ( In mijn land ) 5 Mijn vader verzorgt de bejaarden. ( helpen ) 6 In het weekend was ik de auto. ( Op maandag ) 7 Door de week werkt hij als vrijwilliger. ( Op zijn vrije dagen ) 8 Hij begrijpt mij niet. ( snappen )

Opdracht 14 Meneer Willems is ziek en kan niet voor zichzelf zorgen. Hij krijgt regelmatig hulp van de thuiszorg (Jessica). Daarnaast krijgt hij hulp van zijn zoon (Jan), zijn zus (Monique) en de buurman (Hendrik). Ze hebben een duidelijke taakverdeling. Maak het schema compleet. Cursist A gebruikt het schema hieronder. Cursist B kijkt op bladzijde 37. Gebruik zinnen met inversie.

Voorbeeld: Cursist A:

Wat doet Jan op dinsdag? Cursist B: (stofzuigen) Op dinsdag stofzuigt Jan.

Cursist A

Jessica

Jan

Monique

Hendrik afwassen

de woonkamer schoonmaken

de planten water geven

dinsdag

de wc schoonmaken

strijken

woensdag donderdag

boodschappen doen de badkamer schoonmaken

de ramen wassen

vrijdag

27

hoofdstuk 1  Familie

Opdracht 15 Hieronder staat een interview met Wilma. Wilma is vorige week getrouwd met Kay. Ze hebben elkaar via internet ontmoet. Lees het interview goed door.

Trouwen met je Skypepartner

Interviewer: Dag, Wilma. Kun je je misschien even voorstellen aan de luiste- raars? Wilma: Ja, natuurlijk! Ik ben Wilma de Vries en ik woon in Groningen. Ik werk drie dagen per week als telefoniste bij een groot bedrijf. Interviewer: En je bent sinds een paar dagen de vrouw van Kay. Wilma: Inderdaad, dat klopt. Interviewer: Maar Kay komt uit Nederland en woont nu in New York? Wilma: Ja, heel vervelend. We hebben elkaar via internet ontmoet en we vonden elkaar direct leuk. Daarna hebben we uren en uren via Skype met elkaar gepraat. Het is heel raar als je elkaar wel kunt aankijken maar niet kunt aanraken . Daarom ben ik na een paar maanden naar Amerika gegaan om Kay te bezoeken.

5

10

Interviewer: En hoe was dat? Wilma:

15

Dat was heel bijzonder. Ik was nog maar net in Amerika toen Kay heel erg ziek werd. Hij had een dubbele longontsteking en dat kan dodelijk zijn. In het ziekenhuis hebben ze hem zware genees- middelen gegeven. Daarna volgden een paar angstige dagen. Hij lag alleen op een kamer en er mochten geen bezoekers bij hem komen.

20

Interviewer: Maar hij is niet doodgegaan! Wilma:

Nee, gelukkig niet! Maar door de ernst van zijn ziekte moest hij een paar weken in het ziekenhuis blijven.

Interviewer: En nu is hij weer gezond? Wilma:

25

Nou, ik ben nog wel bezorgd over zijn gezondheid. Sinds zijn ziekte kan hij zich niet zo goed concentreren. Maar ik hoop dat hij gauw naar Nederland kan komen.

Interviewer: Ja, want Kay is hier nog niet. Wilma:

Nee, dat klopt. Dat is nog niet zo makkelijk. We moeten heel veel formulieren invullen. Ik was vorige week weer in Amerika en toen zijn we snel getrouwd.

30

28

Uitvoeren

Interviewer: Dat klinkt als een haastige bruiloft. Wilma:

Het ging inderdaad erg snel. We moesten in de kerk nog iemand aanwijzen die onze getuige wilde zijn. Dat hadden we nog niet geregeld .

35

Interviewer: Maar waarom zo snel? Wilma:

Als we getrouwd zijn, kan Kay naar Nederland komen. Anders is het bijna onmogelijk .

Interviewer: Dus jullie zijn niet getrouwd uit liefde ? Wilma: Dat natuurlijk ook. Interviewer: Dus voorlopig moeten jullie nog even skypen? Wilma: Ja, maar ik hoop dat Kay gauw hier is. Interviewer: Ik ook! Bedankt voor het interview.

40

de bezoeker de ernst bezorgd haastig de getuige regelen onmogelijk de liefde

ontmoeten raar

aankijken aanraken de longontsteking dodelijk het geneesmiddel angstig

Luister nu naar de luistertekst Trouwen met je Skypepartner . Het is hetzelfde inter- view, maar er zijn zes verschillen met de tekst hierboven. Onderstreep de verschillen in de tekst. Werk samen.

29

hoofdstuk 1  Familie

Opdracht 16 Je ziet hieronder vier foto’s van Hans. Vertel over de dag van Hans. Werk samen. Gebruik de foto’s. Begin je zinnen met:

■ Eerst … ■ Dan … ■ Daarna … ■ Tot slot …

Opdracht 17 Marloes zoekt een man. Ze wil een contactadvertentie plaatsen op internet. Maak de advertentie compleet door op de lege plaatsen woorden in te vullen. Je mag de woorden zelf kiezen.

Hallo! Ik ben Marloes en ik heb twee

. .

Ik ben 1.75 meter en ik heb kort

Ik woon in een gezellig

met drie . Ik ben op zoek naar een sportieve

. Als je hebt, is dat geen probleem. Wil je mij ontmoeten? Stuur dan een

naar: marloes.jaspers@hotmail.com.

30

Uitvoeren

Opdracht 18 Je ziet hieronder een foto van Saskia en van haar ideale man. Schrijf een contact­ advertentie voor Saskia.

Opdracht 19 Maak de zinnen compleet.

Ik zorg thuis voor het eten en mijn man

.

1 2 3 4

. Daarom bezoek ik mijn opa iedere week.

Ik wil graag vrijwilligerswerk doen omdat

.

Mijn oma

. Daarom verhuist ze binnenkort naar het bejaardenhuis.

5 De kleine kinderen van mijn broer gaan naar de crèche, want

.

Opdracht 20 Het woord bejaardenhuis bestaat uit twee woorden: bejaarden en huis . Kijk in je woordenboek. Zijn er nog meer woorden die beginnen met bejaarden ? Schrijf ze hieronder op:

bejaarden

31

hoofdstuk 1  Familie

Bedenk woorden die beginnen of eindigen met huis .

huis huis huis huis

huis huis huis huis

Oefenen

Oefenen met de woorden

Oefenen met de woorden van de openingstekst ( Mag ik me even voorstellen? )

Oefening 1 Lees de zin en kies het juiste woord.

1 Naast mijn baan als docent werk ik in mijn vrije tijd werk als vrijwilliger/leer- kracht in een ziekenhuis. 2 Oude mensen protesteren/snappen dat ze niet meer voor zichzelf kunnen zorgen en gaan naar een zorgcentrum. 3 Mijn vader is heel oud. Hij kan de namen van zijn kleinkinderen niet meer zo goed onthouden/begraven . 4 Als je met mensen werkt, moet je veel ellende/geduld hebben. 5 De oude man was heel kwaad/afschuwelijk toen zijn hond niet op zijn kamer mocht komen.

Oefenen met de woorden van opdracht 2

Oefening 2 In welke zin is het blauwgedrukte woord goed?

1  a De meeste jonge kinderen gaan naar de hulpverlening , als hun ouders werken.  b De bewoners belden direct met de hulpverlening , toen de oude vrouw van de trap gevallen was.

32

Oefenen

2  a Sommige bejaarden zijn ongelukkig omdat hun kinderen nooit op bezoek komen.  b Mijn buurman is ongelukkig omdat hij een nieuwe vriendin heeft.

 a Je moet een patiënt klagen als hij ziek is.  b Je moet klagen als je niet tevreden bent.

3

 a We wandelen samen in ons eentje .  b Mijn man is lui, dus doe ik het huishouden in mijn eentje .

4

5  a In Nederland is het verplicht om een rijbewijs te hebben als je autorijdt.  b Ik vind het verplicht om voor mijn ouders te zorgen.

Oefenen met de woorden van opdracht 9

Oefening 3 Welk woord past in de zin?

1 Jij was niet op je werk! Je mag niet tegen je eigen vrouw …!

 a ouderwets  b belachelijk

 c knoop  d liegen

2 Doe niet zo …! Dat was vroeger zo, maar nu niet meer.

 a ouderwets  b belachelijk

 c knoop  d liegen

3 Ik vind huishoudelijk werk niet leuk. Alleen een … aan kleren naaien is niet erg.

 a ouderwets  b belachelijk

 c knoop  d liegen

33

hoofdstuk 1  Familie

Oefenen met de woorden van opdracht 15

Oefening 4 Welke letter ontbreekt hier? Schrijf deze letter in het woord. Aan het einde schrijf je de letters in de tabel. Samen maken ze een nieuw woord. Zie het voorbeeld bij 1.

1 angsti

g

7 on ogelijk

2 aankijk n

8 getu ge

3 er st

9 do elijk

4 b zoeker

10 bezorg

5 r gelen

11 aanrak n

6 haa tig

iefde

12

Het woord:

Oefening 5 Lees de zin en kies het juiste woord.

Voorbeeld: De moeder was erg raar/bezorgd toen haar dochter om twaalf uur ’s nachts nog niet thuis was.

1 Als iemand tegen jou praat, moet je hem of haar aankijken/aanraken . Dat is beleefd. 2 Toen haar zoon met een bloedend hoofd thuiskwam, pakte zij dodelijk/haastig de medicijndoos. 3 Na de behandeling kreeg de patiënt veel bezoekers/geneesmiddelen van de dokter. 4 Je kunt de persoon van wie je houdt, verliezen. Dat idee maakt mij angstig/dodelijk . 5 Kay houdt veel van Wilma. Uit getuige/liefde voor haar is hij naar Nederland gekomen.

34

Oefenen

Oefenen met de grammatica

Oefening 6 Lees de zinnen. Schrijf op: ■ Wat is het onderwerp? ■ Wat is de pv.? ■

Zijn er nog andere werkwoorden? Welke?

Voorbeeld: De begrafenis van mijn opa was vorige week dinsdag. onderwerp: De begrafenis van mijn opa pv.: was andere werkwoorden: geen

1 Morgen ga ik met mijn kinderen voor het eerst naar de kinderopvang. 2 In het zorgcentrum kunnen veel oude mensen niet voor zichzelf zorgen. 3 Mijn buurman heeft zijn nieuwe vriendin op internet gevonden. 4 Kinderen moeten naar hun ouders luisteren. 5 In de meeste huishoudens zijn de taken goed verdeeld. Oefening 7 Maak van de volgende zinnen nieuwe zinnen. Je mag niet met het onderwerp beginnen. 1 Karel en ik hebben sinds kort een schoonmaakster. 2 Onze schoonmaakster komt elke zaterdagochtend het huis schoonmaken. 3 We hebben gelukkig een afwasmachine, een wasmachine en een droger. 4 Karel kan ook veel in het huishouden doen. 5 Ik kan dus elke zaterdagochtend in de stad winkelen! 1 verhuisd – mijn vriendin Jessica en haar vriend Karel – Een paar maanden geleden – zijn – naar een andere stad 2 een prachtig, groot huis – Daar – ze – gekocht – hebben 3 allebei – werken – Overdag – ze 4 ze – geen tijd – om het grote huis – Daarom – schoon te maken – hebben 5 een schoonmaakster – Via Marktplaats.nl – hebben – gevonden – ze 6 komt – de schoonmaakster – Iedere zaterdag – het huis van Jessica en Karel – schoonmaken 7 meer – Nu – ze – hebben – geen ruzie Oefening 8 Maak correcte zinnen. Begin met het woord met een hoofdletter.

35

hoofdstuk 1  Familie

Oefening 9 Beantwoord de vragen.

1 Wat doe je als jouw huisgenoten niets in het huishouden doen? Dan … 2 Wat doe je als iemand voor jou heeft gekookt? Dan … 3 Wat doe je als je het heel druk hebt en je hebt geen tijd om schoon te maken? Dan … 4 Wat doe je altijd na het eten? Dan … 5 Wat doe je als je boodschappen hebt gedaan, maar je bent de suiker vergeten? Dan … Maak nu de extra oefeningen en de toets op de website ( www.coutinho.nl/taaltalent3 ). Bij dit hoofdstuk vind je ook opdrachten om te oefenen voor het Staatsexamen (lezen en luisteren). Op de website vind je daarnaast de audiofragmenten, woordenlijsten met defi- nitie en de antwoorden bij de oefeningen in het boek.

36

Oefenen

Opdracht 14 voor cursist B

Voorbeeld: Cursist B:

Wat doet Jessica op vrijdag? Cursist A: (de ramen wassen) Op vrijdag wast Jessica de ramen.

Cursist B

Jessica

Jan

Monique

Hendrik

stofzuigen

dinsdag

de vuilniszak buitenzetten

een taart bakken

woensdag

donderdag koken

de keuken schoonmaken de woonkamer opruimen

de auto wassen de was doen

vrijdag

37

Made with