Sociologie voor de praktijk - Hoeksema - druk 9

Klaas J. Hoeksema & Siep van der Werf

Sociologie voor de praktijk

Sociologie voor de praktijk

Klaas J. Hoeksema Siep van der Werf

Negende, herziene druk

bussum 2021

www.coutinho.nl/sociologievoordepraktijk9 Je kunt aan de slag met het online studiemateriaal bij dit boek. Dit materiaal bestaat uit vragen, werkcollegeopdrachten en verwijzingen naar websites.

© 1989/2021 Uitgeverij Coutinho bv Alle rechten voorbehouden.

Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbe­ stand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mecha­ nisch, door fotokopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van reprografische verveelvoudigingen uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16h Auteurswet 1912 dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Reprorecht (www.reprorecht.nl). Voor de reader­ regeling kan men zich wenden tot Stichting UvO (Uitgeversorganisatie voor Onderwijs­ licenties, www.stichting-uvo.nl). Voor het gebruik van auteursrechtelijk beschermd materiaal in knipselkranten dient men contact op te nemen met Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie, www.stichting-pro.nl).

Eerste druk 1989 Negende, herziene druk 2021

Uitgeverij Coutinho Postbus 333 1400 AH Bussum info@coutinho.nl www.coutinho.nl

Omslag: IndionDesign, Didam

Noot van de uitgever Wij hebben alle moeite gedaan om rechthebbenden van copyright te achterhalen. Perso­ nen of instanties die aanspraak maken op bepaalde rechten, wordt vriendelijk verzocht contact op te nemen met de uitgever.

ISBN: 978 90 469 0719 1 NUR: 756

Voorwoord

Sociologie voor de praktijk is bedoeld voor iedereen die in professioneel ver- band met mensen werkt en de bijbehorende sociale processen probeert te begrijpen. Het boek sluit goed aan bij de behoeften van opleidingen in het domein van management, hr en beleid en in het veld van zorg en welzijnswerk. Een inleiding in de sociologie hoort confronterend te zijn en te stimuleren tot verdere studie. De opbouw van dit boek bevordert dit: we hebben gepro- beerd een boek met een verhaal te schrijven, waardoor de sociologische begrippen in hun onderlinge relaties goed tot hun recht komen. Deze werk- wijze maakt relatief complexe materie herkenbaar voor de lezer en zorgt ervoor dat de inzichten goed naar de eigen situatie overdraagbaar zijn. Uiteindelijk gaat het echter ook om begripsvorming en het kunnen hanteren hiervan in de professionele beroepsuitoefening. Aangezien lezers de complexiteit van de begripsvorming weleens onderschatten, is een begrippenlijst toegevoegd. De begrippen die hierin uitgelegd worden, zijn duidelijk gemarkeerd in het boek. Inhoudelijk staan in deze sociologie-inleiding centraal: 1 macht en handelen; 2 de relatie tussen structuur en bewustzijn; 3 sociale ongelijkheid in Nederland. Het begrip macht loopt als een rode draad door dit boek. Het is het sleutelbegrip waaraan de verdere begripsvorming is opgehangen. Het wordt toegepast op enkele belangrijke maatschappelijke thema’s, zoals sociale ongelijkheid, emanci- patie, vakbeweging, onderwijs, multiculturele samenleving en moderniteit. Het geheel resulteert in een compacte en hanteerbare inleiding in de sociologie. In deze negende, herziene druk is de tekst geactualiseerd. Het is opmerkelijk hoezeer het sociale klimaat in Nederland het afgelopen decennium is gewijzigd en hoe de modernisering – de overgang van het industriële tijdperk naar de informatiesamenleving – daarin doorwerkt. Bij de zesde druk werd al gecon- stateerd dat het sociale klimaat sinds de eeuwwisseling aan snelle ontwikkelin- gen onderhevig was, waardoor vaak andere woorden nodig waren om dezelfde bedoeling uit te drukken. In de zevende druk uit 2010 is benadrukt dat met de kredietcrisis van 2008/2009 eens te meer duidelijk werd dat globalisering de mondiale spelregels heeft gewijzigd en heeft geresulteerd in nieuwe poli- tiek-economische verhoudingen. Het westers-Europese wereldbeeld en zelf- vertrouwen zijn daarbij weer meer aan het wankelen gebracht, met alle cultu- rele en sociale gevolgen van dien.

In eigen land zijn er spanningen en ontevredenheid die in sociologisch per- spectief zijn terug te voeren op de trend van het individualisme en het zoeken naar manieren om met alle veranderingen op een goede manier te kunnen samenleven. De afgelopen jaren hebben de verscherpingen zich doorgezet. Radicale bewegingen voortkomend uit de islam die eerder nog ver van ons bed leken, zijn dichtbij gekomen. Voorboden werden al in het deel over emancipa- tie van dit boek gesignaleerd, maar dringen nu nog verder op de voorgrond. De verhoudingen worden extra op scherp gezet door grote stromen vluchtelingen op weg naar Europa. Tegelijkertijd zijn er in Nederland sinds 2015 grote transi- ties in zorg en welzijn aan de gang, die hun schaduw werpen op wat inmiddels de participatiesamenleving is gaan heten. De participatiesamenleving lijkt steeds meer te verbrokkelen door sociale media. Er ontstaan groepen die aan- sluiting bij de samenleving als geheel lijken te verliezen en in een eigen bubbel leven en politieke stelsels over de hele wereld dreigen te ondermijnen. Het jaar 2020, waarin deze druk voorbereid is, wordt ervaren als een cumulatie waarin al deze lijnen bij elkaar komen, versterkt door de COVID-19-pandemie, die ook de meest vanzelfsprekende bestaansvoorwaarden over de hele wereld op losse schroeven zet en waarvan de economische en sociale gevolgen zich nog moeten uitkristalliseren. Een juiste kennis van onze samenleving is essentieel en misschien wel actu- eler dan ooit om niet in fouten uit het verleden te vervallen. In de eerdere drukken stonden aan het eind van ieder hoofdstuk opdrach- ten. Deze zijn nu naar de website met online studiemateriaal verplaatst, zodat we in staat zijn de thema’s ook op langere termijn aan te laten sluiten bij de actualiteit. Op de website zijn ook handvatten te vinden voor docenten in de vorm van presentaties, werkcollegeopdrachten en toetsvragen. We hebben voor de totstandkoming van dit boek gebruikgemaakt van een grote schat aan beschikbaar materiaal. Met name zijn we Nore Witte dankbaar, die met een kritische blik research voor dit boek heeft gedaan. Haar bijdragen hebben geholpen om het boek te actualiseren en belangrijke accenten te veran- deren. Het nieuwe hoofdstuk 4, dat tegemoetkomt aan de wens van gebruikers om meer aandacht te besteden aan sociologische benaderingen, is grotendeels van haar hand. Daarbij is het taalgebruik zelf kritisch onder de loep genomen, omdat we per druk merken hoe snel de betekenis van begrippen in de samen- leving kan wijzigen. Daarnaast zijn we vele gebruikers van dit boek dankbaar voor hun inhoude- lijke en redactionele commentaar. De verwerking daarvan heeft deze negende druk van Sociologie voor de praktijk opnieuw aan kwaliteit doen winnen. De auteurs blijven zelf uiteraard verantwoordelijk voor de inhoud en de tekort­ komingen. Klaas J. Hoeksema en Siep van der Werf Amsterdam, 2021

Inhoud

1

Inleiding

11

1.1 1.2 1.3 1.4

Inleiding

11 12 15 16

Wat ‘doet’ sociologie? Sociologie voor de praktijk Individu en samenleving

DEEL 1 Cultuur en sociale betekenisgeving

2

Socialisatie

21

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

Inleiding Socialisatie Waarden Normen

21 22 24 28 30 31 33 34 37 41 45 45 49 55 61 64 68 71 45

Bewust en niet-bewust gedrag Rollen en rollenconflicten Kritiek op het rolbegrip

Institutionalisering Sociale controle

2.10 Normen handhaven en overschrijden

3

Cultuur

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8

Inleiding

Wat is cultuur? Cultureel kapitaal

Cultuur is minder vanzelfsprekend dan het lijkt

Verschil tussen culturen Onderscheid maken

Subculturen Referentiekader

4

Sociologische benaderingen en betekenisgeving

75

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7

Inleiding

75 76 80 83 86 89 95

Functionalisme Conflictsociologie Structuralisme

Sociale-uitwisselingstheorie en de rationelekeuzetheorie

Symbolisch interactionisme

Afsluiting

DEEL 2 Structuur en sociale ongelijkheid

5

Sociale verbanden

99

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8 6.9

Inleiding

99

Groeperingen

100 105 113 116 120 121 126 129 137 140 143 146 149 151 157 166 175 176 182 182 137

Andere kenmerken van groeperingen

Formele organisaties Netwerk en posities

Structuur

Structuurkenmerken

Samenhang in de samenleving: nogmaals het functionalisme

Spanningen in de samenleving

6

Sociale ongelijkheid

Inleiding

Sociale ongelijkheid Standen en klassen Sociale mobiliteit Inkomensverdeling Stratificatie

Enkele effecten van sociaaleconomische ongelijkheid Sociale ongelijkheid tussen vrouw en man

Sociale ongelijkheid en leeftijd

6.10 Sociale ongelijkheid tussen etnische groeperingen

6.11 Samenhang tussen ongelijkheden

6.12 Onderwijs en de reproductie van sociale ongelijkheid

6.13 Verklaringen voor sociale ongelijkheid op het gebied van onderwijskansen

190 194

6.14 Afsluiting

7

Sociaal bewustzijn en identiteit

197

7.1 7.2

Inleiding

197

De invloed van het sociaal bewustzijn op de situatie: voorbeelden

198 205 208 212 220 221 226

7.3 7.4 7.5 7.6 7.7 7.8

Het symbolisch interactionisme Verwachtingen en voorspellingen

Blaming the victim

Manifeste en latente verklaring

Afleiders en compensatie bij sociaal bewustzijn

Ideologie

DEEL 3 Sociale verandering en conflict

8

Sociale verandering

235

8.1 8.2 8.3 8.4 8.5 8.6 8.7 8.8

Inleiding

235 237 240 241 244 252 258 260 263

De gemeenschap

De mediterrane dorpsgemeenschap Ontwikkelingen binnen de gemeenschap

Het industriële tijdperk

Golfbeweging

Oorzaken van verandering

Vooruitgang of aantasting van bestaande waarden, kansen of risico’s Individualisering, integratie en vervreemding

8.9

9

Sociale beweging in organisatie

267

9.1 9.2 9.3 9.4

Inleiding

267 268 269

De Franse Revolutie: een eigen ‘arbeidersidentiteit’ Tussen 1848 en 1890: een zelfstandige visie op de toekomst Van 1890 tot de spoorwegstakingen: zelfstandige machtsvorming

270

9.5 9.6 9.7

Van 1900 tot 1940: een erkende positie in de maatschappij Van 1945 tot de jaren zestig: integratie in de institutionele orde

271 273 275 279 283

Van de jaren zestig tot heden: verschuivende machtsverhoudingen

9.8 9.9

Het proces van actie en reactie

Maatschappelijke tegenstellingen en macht

10

Rechtvaardigheid, conflict en emancipatie

291

10.1 Inleiding

291 293 297 299 305 308 319 320 321

10.2 Geschiedenis van het denken over rechtvaardigheid 10.3 Hedendaagse invulling van het rechtvaardigheidsbegrip

10.4 Achterstelling en marginalisering 10.5 Minoriteiten en dominanten

10.6 De ontwikkeling van emancipatiebewegingen

10.7 Fasen en fracties

10.8 Mensen die met mensen werken

10.9 De emancipatieparadox en het ‘zieligheidssyndroom’

Begrippenlijst

325

Literatuur

351

Register

365

Over de auteurs

375

1

1.1 Inleiding

Inleiding

1.1

Inleiding Professionals hebben tijdens hun werk altijd met mensen te maken. Ze werken samen met andere mensen of hun werk betreft mensen, maar in beide gevallen zullen de betrekkingen tussen mensen zonder uitzondering een belangrijke rol spelen. Zo zullen welzijnswerkers, personeelsfunctionarissen, verpleegkundi- gen, docenten, front- en backofficemedewerkers en alle mensen in leiding­ gevende posities geregeld geconfronteerd worden met probleemsituaties of conflicten waarvoor ze een oplossing moeten vinden. Inzicht in de manier waarop menselijke betrekkingen verlopen, is dan onmisbaar. Deze menselijke betrekkingen en het gedrag dat daaruit voortvloeit zijn het onderwerp van de sociologie. Je kunt zeggen dat de sociologie antwoord pro- beert te geven op de vraag: hoe slagen mensen erin samen te leven? Met het accent op sámen. De benaming voor het vak sociologie is hier ook van afgeleid: voor de oude Grieken betekende ‘sociaal’ zoiets als ‘saamhorig’ of ‘gezellig’. Deze sociologische betekenis van ‘sociaal’ moet niet verward worden met hoe dit woord in het dagelijks spraakgebruik wordt gehanteerd. Het betekent dan ‘gevoel voor de medemens’ of ‘medemenselijkheid’, en mensen kunnen in die betekenis wel of niet sociaal (‘asociaal’) zijn. In de sociologie slaat ‘sociaal’ op de menselijke betrekkingen, en omdat mensen te allen tijde deel uitmaken van een samenleving, kunnen zij in een sociologische context als het ware niet niet-sociaal zijn. De sociologie is niet de enige wetenschap die zich richt op het menselijk gedrag en de menselijke betrekkingen. Belangrijke andere menswetenschappen zijn bijvoorbeeld de psychologie, de economie en de politicologie (zie figuur 1.1). Ieder van deze wetenschappen bekijkt de menselijke samenleving vanuit een ander gezichtspunt. In de psychologie staat het individuele gedrag van de mens centraal, de economie houdt zich bezig met de manier waarop mensen de pro- ductie en de verdeling van schaarse goederen regelen, en de politicologie met de manier waarop mensen vormgeven aan de toekomst van de samenleving.

11

1 Inleiding

Psychologie Onderzoek naar gedrag en de gevoelens bij dat gedrag vanuit het individuele gezichtspunt Economie Onderzoek naar de wijze waarop de productie en distributie van schaarse goede­ ren in de samenleving worden geregeld Politicologie Onderzoek naar de manier waarop mensen vormgeven aan de toekomst van de samenleving Sociologie Onderzoek naar het gedrag van individuen en groepen vanuit het maatschappe­ lijke gezichtspunt

Figuur 1.1 Sociologie en andere menswetenschappen: wat bestuderen ze?

De sociologie houdt zich bezig met het verklaren van gedrag van individuen en groepen van mensen vanuit de maatschappelijke invloeden die ze onder- gaan. Daarmee levert de sociologie een instrumentarium dat helpt om de achtergronden van problemen beter te leren begrijpen. Voor het hoger onder- wijs is dit ook meteen de belangrijkste functie van de sociologie: als je eenmaal weet hoe iets werkt, ben je ook in staat om tot op zekere hoogte voorspellingen te doen over toekomstig gedrag of over de voorwaarden voor verandering.

1.2

Wat ‘doet’ sociologie?

Functies Een van de grondleggers van de westerse sociologie is de Franse filosoof Auguste Comte (1798-1857). Hij benadrukte dat het de belangrijkste taak van de sociologie was om ongefundeerde ‘geloven’ over de werking van de samen- leving door te prikken en te vervangen door wetenschappelijke inzichten. Met een dergelijke opvatting maakte je in de negentiende eeuw geen vrienden onder de (veelal kerkelijke) machthebbers in Europa: zij beschouwden onder- zoek naar het ontstaan en de werking van bestaande normen en waarden als een bedreiging voor de status quo. De sociologie laat immers zien dat mense- lijke betrekkingen binnen de samenleving niet door de natuur of God zijn opgelegd, maar het resultaat zijn van menselijk handelen zelf.

12

1.2 Wat ‘doet’ sociologie?

Een belangrijk onderdeel van de sociologie is het blootleggen van bestaande (machts)verhoudingen. Deze functie van ideologiekritiek maakt de sociologie niet altijd populair, en ze vormt ook de reden dat de sociologie eigenlijk altijd een omstreden tak binnen de wetenschap is. Sociologie als wetenschap geeft inzicht in menselijk gedrag en is daarmee ook goed bruikbaar om de samenleving te besturen. Dit noemen we de beheersfunctie van de sociologie. Mensen die op welke wijze dan ook betrok- ken zijn bij bestuur of management kunnen namelijk op zulk inzicht hun beleid baseren. De sociologie wordt daarom wel bekritiseerd als een instrument van machthebbers. Het is ontegenzeggelijk waar dat leidinggevenden sociologische inzichten kunnen gebruiken om anderen te manipuleren, maar daar staat tegenover dat het net zo goed voor uiterst nuttige doeleinden kan worden gebruikt. Ten slotte heeft de sociologie een ordenende functie. Dat wil zeggen dat sociologen mede tot taak hebben om in een min of meer onoverzichtelijke werkelijkheid een zodanige samenhang aan te brengen dat situaties overzichte- lijker en begrijpelijker worden en bijvoorbeeld in een maatschappelijke context worden geplaatst. Een probleem waarmee de sociologie met betrekking tot deze ordenende functie wordt geconfronteerd, is dat de begripsvorming dik- wijls direct betrekking heeft op onze dagelijkse leefsituaties, waar ieder mens wel een beetje verstand van heeft. In zekere zin is iedereen een beetje socioloog. Aan sociologie kleeft weleens het vooroordeel dat het de ‘wetenschap is, die formuleert wat iedereen al weet, op zodanige wijze dat niemand het meer begrijpt’ (Van Doorn & Lammers, 1959). Mensen met een technisch vak hebben het in dat opzicht veel makkelij- ker, want zij doen uitspraken over dingen waar niet-vakgenoten hoegenaamd geen verstand van hebben. Als mensen het hebben over ‘sociologenpraat’ is dat zelden als compliment bedoeld en eerder gebruikt als typering van ‘slap geklets’ dat losstaat van de werkelijkheid. Sociologische kennis is gebaseerd op onderzoeksmateriaal en theorievorming daarover. Wat iedereen denkt te weten wordt daarbij in twijfel getrokken. Naar aanleiding van een negatieve bespreking van een onderzoek reageren F. Bovenkerk en H. ’t Hart met: ‘De maatschappijonderzoeker heeft het niet gemakkelijk. Beves­ tigt hij ons vooroordeel, dan wordt zijn moeizaam geploeter verworpen omdat hij iets vertelt dat we allang wisten. Komt hij met iets echt nieuws, dan kán het niet kloppen: het gezonde verstand kan het immers niet mis hebben?’ ( NRC Handels- blad , 19 juli 1988).

13

1 Inleiding

De grote vraag bij dit vooroordeel is wie ‘iedereen’ is. ‘Wat iedereen weet’ blijkt nogal eens het idee van een bepaalde categorie gelijkgezinde mensen te zijn. De integratie van veel niet-westerse migranten en hun nakomelingen is ‘geheel of gedeeltelijk geslaagd’, al zijn er wel grote problemen. Het bestrijden van discrimina­ tie moet aangepakt worden. Dat was begin 2004 de conclusie van de parlemen­ taire commissie ‘Onderzoek integratiebeleid’ ( Kamerstuk , 28689 nr. 9, 2004). De commissie-Blok (genoemd naar de voorzitter daarvan, het VVD-Tweede Kamerlid Stef Blok) was in 2003 ingesteld om het ‘mislukken van de integratie’ te onderzoe­ ken. De drukinkt van het rapport was nog niet droog of vanuit het parlement barstte harde kritiek los: ongelooflijk naïef, jammer, teleurstellend, gebrek aan reali­ teitszin, waardeloos, politiek correct. Zonder dat met argumenten de conclusies en al het voorafgaande onderzoek inhoudelijk bekritiseerd werden, was duidelijk dat de conclusie de meerderheid van de Tweede Kamer niet goed uitkwam. Een genuanceerd verhaal paste niet in de Nederlandse politieke sfeer, die zich wilde afzetten tegen het eerder gevoerde integratiebeleid. Frans Verhagen schrijft in Hoezo mislukt (2010) over de ‘nuchtere feiten over de inte­ gratie in Nederland’ en komt tot de conclusie dat wie kennisneemt van de feiten, wel optimistisch moet zijn over de voortgang van de integratie in Nederland. Maar Marco Pastors, de toenmalige voorman van Leefbaar Rotterdam, reageert op de ver­ schijning van het boek afwijzend met: ‘Kijk niet naar buiten. Praat er niet meer over. Doe er vooral niets aan. Lees hooguit dit boek. Dan zult ook u zien dat het hier in Nederland allemaal prima gaat. Ik zou willen dat het waar was.’ Sociologie wordt aldus gedwongen haar maatschappelijke relevantie en betekenis voortdurend te bewijzen. Dat zij daarin aardig succesvol is geweest, blijkt wel uit het feit dat zeer veel sociologische begrippen die de lezer in dit boek zal tegen­ komen in de loop van de tijd deel zijn gaan uitmaken van het dagelijkse taal­ gebruik. Enkele van deze begrippen kwamen we in dit korte stukje tekst al tegen: macht, functie, ideologie, vooroordeel, het begrip maatschappij zelf. We zullen er nog veel meer tegenkomen.

Wat maakt iets tot een sociologisch issue?

Weinig meisjes dragen een rok naar school, veel jongeren dragen jeans. Toevallig? Bijna niemand heeft het idee dat hij zich aan de mode onderwerpt. We kiezen zelf, denken we. Wanneer we foto’s van vroeger bekijken, verbazen we ons over hoe ze zich toen kleedden, net zoals mensen later zullen lachen om onze kleding nu. We kiezen – weliswaar naar onze smaak – uit het aanbod en daarmee volgen we auto­ matisch de mode. Op dezelfde manier volgt ons gedrag de mode van de tijd en groep waar we in leven (De Vos, in NRC Handelsblad , 8 juni 1996).

14

1.3 Sociologie voor de praktijk

Individuen hebben vaak de illusie dat beslissingen die zij nemen of stappen die zij zetten uniek zijn, dat ze – met andere woorden – als individu op zichzelf staan. In de persoonlijke belevingswereld is dit ook juist, maar vanuit maat- schappelijk perspectief gezien zit er achter individuele ontwikkelingen en beslissingen een maatschappelijke ‘logica’. De Amerikaanse socioloog Wright Mills (1959) pleitte voor het aanbrengen van een koppeling tussen deze indivi- duele belevingswereld en de maatschappelijke logica, en hij gebruikte in dit verband de term sociologische verbeeldingskracht . Hij bedoelde hiermee dat mensen ogenschijnlijk los van elkaar staande persoonlijke ervaringen, situaties en problemen moeten leren zien in het licht van de manier waarop de maatschappij functioneert. Pas dan kun je immers ook adequaat met deze ervaringen, situaties en problemen omgaan. Wright Mills beschreef dat private troubles veranderen in public issues , oftewel dat persoonlijke moeilijkheden sociale problemen worden wanneer voor het ontstaan bovenpersoonlijke oor- zaken en sociale processen zijn aan te wijzen. De socioloog Kees Schuyt (1997) geeft zes criteria om een probleem als sociologisch relevant te identificeren. 1 Er moet sprake zijn van een aanzienlijk aantal getroffenen. 2 Het moet gaan om persoonlijk letsel van die getroffenen (de ‘private troubles’ van Wright Mills). 3 Het moet samenhangen met andere problemen. 4 Het probleem is niet van tijdelijke aard, maar structureel en van lange duur. 5 Het moet bovenpersoonlijke oorzaken hebben. 6 Het moet tegen serieuze waarden ingaan. Wanneer er een paar mensen werkloos zijn, is dat een persoonlijk probleem; wanneer 10 procent van de beroepsbevolking werkloos thuiszit, dan is het ook een sociaal probleem (Schuyt, in de Volkskrant , 5 april 1997). Als dit boek eraan kan bijdragen dat studenten uit het hoger onderwijs leren werken met meer sociologische verbeeldingskracht, dan beschouwen de auteurs hun missie als geslaagd. Sociologie voor de praktijk Binnen het hoger onderwijs worden studenten opgeleid voor een professionele praktijk. Dit betekent dat de kennis die wordt aangeboden toepasbaar moet zijn. Anders dan in bijvoorbeeld het wetenschappelijk onderwijs gaat het in het beroepsonderwijs niet primair om de ontwikkeling van kennis zonder meer, maar om de beroepsvaardigheid van het toepassen van die kennis om beteke- nis aan situaties te kunnen geven.

1.3

15

1 Inleiding

Niet de begripsvorming als zodanig staat in dit boek centraal, maar datgene wat je ermee moet of kunt doen in de praktijk van het beroep. En hoewel de begripsvorming onvermijdelijk voorafgaat aan de toepassing, ligt het accent duidelijk op het laatste. Het dagelijks leven is voortdurend in ontwikkeling, en hetzelfde geldt voor de werkvelden van de opleidingen. Het is zelfs niet overdreven om te zeggen dat kennis vaak al verouderd is voordat je haar kunt toepassen. Dit betekent dat studenten ook moeten worden voorbereid op die dynamiek in hun toe- komstige werkveld en daarom geen statische kijk op de werkelijkheid mogen ontwikkelen. Ze moeten juist leren de processen te zien die zich voltrekken en hun inzicht te gebruiken bij het oplossen van de uitdagingen waarvoor ze komen te staan. Mede daarom kiest dit boek voor een procesmatige benade- ring: we willen niet primair laten zien hoe de werkelijkheid er vanuit sociolo- gisch perspectief uitziet, hoe ze is, maar hoe de sociale werkelijkheid – zoals het woord al zegt – werkt . Het is onvermijdelijk dat in de beschrijving van dergelijke processen wordt gerefereerd aan problemen in de samenleving, maar daaruit mag je niet con- cluderen dat de sociologie een pessimistische wetenschap is. Door de samen- hang en complexiteit van de samenleving te doorzien, ontstaat namelijk bijna vanzelf ook bewondering voor het menselijk vermogen om de samenleving te laten werken. Veel vruchtbaarder is daarom een bewust gebruik van dit inzicht om vorm te geven aan een nog mooiere toekomst. Individu en samenleving Een gezegde als ‘De vis zal de laatste zijn die ontdekt dat hij in het water zwemt’ geeft aan dat je je moet verwonderen over je omgeving om te kunnen ontdek- ken hoe die eruitziet. Mensen onderscheiden zich van dieren doordat ze in staat worden geacht zich niet door de omstandigheden te laten leiden. Ze kun- nen abstraheren van situaties en zich daardoor inzicht en overzicht verschaf- fen. Zolang mensen zichzelf dit overzicht niet verschaffen, onderscheiden ze zich nauwelijks van de vis. Op dezelfde wijze als het water voor de vis wordt de bestaande samenleving dan tot het ‘natuurlijke’ milieu van de mens gerekend. Een van de belangrijkste taken van de sociologie is dus om te ontdekken ‘in wat voor water de mens zwemt’. Niet zomaar, maar om overzicht te verschaf- fen. Zodra we in het bezit zijn van een dergelijk overzicht, bezitten we ook de capaciteit om denkbeeldige nieuwe of andere leefomstandigheden te formule- ren. Deze denkbeeldige situaties kunnen op hun beurt een leidraad voor het handelen zijn. Op deze wijze zijn mensen in principe in staat hun eigen leef­ milieu bewust te beïnvloeden. Heel banaal gesteld: mensen worden door hun samenleving gevormd, maar vormen op hun beurt ook weer de samenleving.

1.4

16

1.4 Individu en samenleving

Een pasgeboren baby is sociaal gezien een onbeschreven blad. Er zijn wel allerlei karaktertrekken of persoonlijkheidskenmerken erfelijk en dus individueel bepaald, maar sociologisch gezien zijn vooral zaken als de historische fase, de geografische plek van geboorte en het milieu van de familie belangrijk. Het is interessant om te zien hoe onder invloed van die factoren een baby zich in het proces van ouder en volwassen worden leert gedragen en hoe omgekeerd dit gedrag de samenleving weer kan beïnvloeden en eventueel veranderen. Dit vermogen om iets aan de samenleving te veranderen, is een centraal thema in dit boek. Dit vermogen heeft veel te maken met macht . In het kader van dit boek wordt met dit begrip gerefereerd aan het vermogen om vorm te geven aan de eigen toekomst. Aan elk van de drie elementen die samen dit ver- mogen vormen, is een deel van dit boek gewijd. Wanneer het in dit boek gaat over macht, dan gaat het om de volgende drie elementen: 1 het vermogen om doelstellingen in de toekomst te formuleren; 1 Macht als vermogen begint met het vermogen om in het algemeen doelstel- lingen in de toekomst te formuleren. Dit vermogen kan pas bestaan als men- sen in staat zijn om te abstraheren van het bestaande. Met andere woorden: als mensen in voldoende mate onderscheid weten te maken tussen de werke- lijkheid zoals die is of zoals zij die waarnemen, en de werkelijkheid zoals die zou kunnen zijn of worden. Dit vermogen is onder meer afhankelijk van de mechanismen die het bewustzijn bepalen en beïnvloeden, oftewel van cul- tuur en sociale betekenisgeving. Daarbij zal zichtbaar worden dat de manier waarop we naar de werkelijkheid kijken, welke benadering we kiezen, grote invloed heeft op onze interpretaties van de werkelijkheid. Dit is het thema van deel 1 van dit boek. 2 Als doelstellingen voor de toekomst eenmaal gekozen zijn, gaat het vervol- gens om het vermogen om de middelen aan te wenden om ze te realiseren. De ene mens beschikt daarvoor over meer middelen dan de andere. Dit heeft te maken met de posities die mensen in de samenleving innemen en de opbouw van de samenleving zelf. De een verkeert in de positie om ande- ren te bevelen, de ander moet gehoorzamen. De een beschikt over veel geld, een ander leeft van de bijstand. Een wintersportvakantie is voor de een daardoor een eenvoudig te realiseren doel, terwijl de ander er slechts van kan dromen. Voor de middelen om doelstellingen te realiseren zijn 2 het vermogen om daarvoor middelen aan te wenden; 3 het vermogen om via die middelen invloed uit te oefenen. Deze drie elementen worden hierna kort uitgelegd.

17

1 Inleiding

‘maatschappelijke structuren’, ‘sociale ongelijkheid’ en ‘sociale identiteit’ de belangrijkste trefwoorden die in deel 2 van dit boek worden behandeld. 3 Ten slotte gaat het om het vermogen de vastgestelde doelstellingen met behulp van de beschikbare middelen te realiseren en zo anderen te beïn- vloeden. Er zijn in de samenleving immers bijna geen doelstellingen reali- seerbaar onafhankelijk van anderen. Dat maakt mensen tot sociale wezens. Dat we de maatschappelijke interactieprocessen die zich hierbij voltrekken toch apart behandelen, is omdat de conflicten en sociale veranderingspro- cessen waarmee de beïnvloeding gepaard gaat op hun beurt weer bewust- zijnsinhouden wijzigen. Als mensen het hebben over macht, doelen ze veelal op dit derde element, dat in dit boek dus wordt aangeduid als ‘invloed’. Sociale verandering en conflict is het thema van deel 3. De indeling in drie delen zou de indruk kunnen wekken dat de drie elementen van het begrip macht ook in de praktijk duidelijk te onderscheiden zijn. Dat is niet het geval. Ieder hoofdstuk biedt weliswaar nieuwe, voor dat onderdeel relevante informatie en begripsvorming, maar de werkelijkheid is een ondeel- baar geheel. Deel 1, 2 en 3 vullen elkaar aan en verdiepen elkaar, en kunnen daarom niet als op zichzelf staande delen worden gelezen. De drie delen vor- men geen lineair verhaal dat uitmondt in en wordt afgerond met deel 3; het zijn onderdelen van een doorgaand, circulair verhaal.

cultuur

sociale verandering

macht

structuur

Figuur 1.2 De delen van Sociologie voor de praktijk in hun samenhang

18

DEEL 1

Cultuur en sociale betekenisgeving

20

2

2.1 Inleiding

Socialisatie

2.1

Inleiding Socialisatie is een kernbegrip van sociologie. Het is het gehele proces dat laat zien hoe mensen zich normen en waarden eigen maken waardoor zij kunnen leren en hun gedrag kunnen ontwikkelen. Deze ontwikkeling vindt plaats binnen een groep, bijvoorbeeld het gezin, een klas of een vereniging. Opvoe- den is de belangrijkste vorm van socialisatie. Socialisatie is van belang omdat het mensen leert hoe zij met elkaar moeten omgaan. Socialisatie gaat over aan- geleerd gedrag en gaat dus niet over genetisch ‘ingeprogrammeerd’ gedrag. Wat zou er van onze samenleving overblijven zonder socialisatie? De film The Wolfpack toont het waargebeurde verhaal van zes broers die op een bijzondere manier socialiseerden. Veertien jaar lang waren zij door hun vader opgesloten in een appartement in New York. Zij mochten één keer per jaar het huis verlaten, onder de voorwaarde dat zij dan met niemand zouden praten. Om zich thuis te vermaken, keken zij meer dan tienduizend films; deze films leerden hun hoe zij met elkaar moesten omgaan en interacteren. Samen speelden zij de rollen na en leerden de scripts uit hun hoofd. Van de werkelijkheid en van hoe je een gewoon gesprek kon voeren, hadden ze geen enkele kennis. De sociale gedrags­ codes kenden ze vanuit de film. In dit hoofdstuk, het eerste van de drie in dit deel over cultuur en sociaal bewustzijn, worden de socialisatieprocessen beschreven waardoor mensen zich normen en waarden eigen maken. Die processen maken dat mensen kun- nen leren en hun gedrag ontwikkelen.

Deel 1

Cultuur en sociale betekenisgeving

socialisatie

sociaal bewustzijn

gedrag

Figuur 2.1 Overzicht deel 1: cultuur en sociaal bewustzijn

21

2 Socialisatie

2.2

Socialisatie Mijn kleinzoon van 7 jaar vindt het maar vreemd dat het televisietoestel niet aan staat. ‘Is de televisie kapot, opa?’ Bij hem thuis staat de televisie altijd aan. Als er geen beeld en geluid is, moet de televisie wel stuk zijn. In dit fragment heeft de kleinzoon een verwachting van hoe het er in huis aan toe gaat. Hij heeft (al) geleerd dat een televisietoestel gewoon aan staat als er mensen in de huiskamer zijn. Bij kinderen in zijn klas is het thuis ook gewoon dat er gegeten wordt met het bord op schoot, voor de televisie. Met het hele gezin eten aan een gedekte tafel en met elkaar praten terwijl de televisie uit is, komt niet veel (meer) voor. Dat gebeurt nog wel bij opa en oma. Wanneer kinderen geboren worden, zijn het nog ‘onnozele’ kinderen: ze lijken zich volledig te vormen naar de verwachtingen van hun ouders. Er is weleens verondersteld dat kinderen vanuit zichzelf niet goed of slecht zijn. Ze zijn als het ware een ‘onbeschreven blad’, een tabula rasa . Hoe kinderen wor- den, zou dan helemaal afhangen van wat ze van andere mensen leren. Nature versus nurture De laatste jaren wordt dit idee weinig meer aangehangen. Kinderen blijken ook hun eigen persoonlijkheid te bezitten: hoe ze zijn, is niet simpelweg aan hun ouders te danken of te wijten. Dat neemt niet weg dat de invloed van (de vol- wassenen in) de omgeving van het kind erg groot is. Om het gedrag van men- sen te kunnen verklaren, wordt er daarom gekeken naar wat hen aangeleerd wordt; tegelijkertijd beseffen we dat er ook aangeboren gedrag is. De verhou- ding tussen ‘aangeboren’ en ‘aangeleerd’ is een bron van veel onderzoek en dis- cussie, ook wel het nature-nurture - debat genoemd. Sommige zaken zijn zonder meer erfelijk bepaald. Al ver voor de geboorte ontstaat in het embryo het verschil tussen het mannelijk en het vrouwelijk brein. Ook de seksuele oriëntatie begint hier. Dat betekent niet dat het brein dan al volgroeid is: terwijl het lichaam met 15 à 16 jaar volgroeid is, is het brein tot het vijfentwintigste jaar nog volop in ontwikkeling (Nelis & Van Sark, 2009). In de bestudering van menselijk gedrag wordt in het algemeen dus wel erkend dat beide (zowel aanleg als omgeving) essentieel zijn, maar is het de vraag hoe de verhouding is. Een complicerende factor is dat aanleg en omgeving niet strikt zijn te scheiden: juist omdat mensen een aanleg hebben, kunnen ze van andere mensen (de samenleving) leren.

22

2.2 Socialisatie

Wat leren we in onze socialisatie? In snel tempo leren kinderen hoe het leven (hun leven) in elkaar zit: hoe en wanneer er gegeten, geslapen en geknuffeld wordt. In drie jaar tijd is de baby al uitgegroeid tot een peuter die het volwassenen lastig kan maken met zijn eindeloze ‘waaromvragen’. Kinderen leren hoe de (hun) wereld eruitziet en wat hun plaats daarin is. Dat is voor hen ‘normaal’, zo hoort het. De peuter die elke avond voor het slapengaan wordt voorgelezen, zal hard protesteren als dat opeens wordt overgeslagen. Kinderen worden aldus mensen die leren hoe ze zich gedragen moeten, wat er van hen verwacht wordt en wat er van anderen te verwachten is. Als er om welke reden dan ook wordt afgeweken van wat ‘normaal’ is, zal een kind dat opmerken en erop reageren. Als de leden van een gezin bijvoorbeeld vaste plaatsen aan de eettafel hebben en er wisselt op een dag een broer of zus van plaats, dan roept dat vragen op bij de peuter. Op dezelfde wijze wordt geleerd hoe en welke van onze behoeften bevredigd kunnen worden en bovendien (daarmee samenhangend) hoe we met elkaar horen om te gaan. Het proces waarbij mensen leren zich sociaal te gedragen in de voor hen rele- vante groepen wordt socialisatie genoemd. Deze socialisatie begint al bij de geboorte – volgens sommige pedagogen al daarvoor. De socialisators zijn aan het begin meestal de opvoeders, de ouder(s), broertjes of zusjes en de kinder­ opvang. Naarmate we ouder worden, krijgen we met steeds meer socialisators en socialiserende instanties te maken, zoals het onderwijs, een sportvereni- ging, een geloofsgemeenschap. Aanvankelijk is het leren (socialiseren) iets vanzelfsprekends: als kind weten we niet beter. Maar later leren we bewuster wat er van ons wordt ver- wacht. We merken ook dat die verwachtingen bij anderen kunnen verschillen met wat thuis ‘gewoon’ is. We tasten af wat er in een andere groep wordt ver- wacht en zijn eerst onzeker of we het wel goed doen. Zo is het spannend om te ervaren hoe het er op de basisschool aan toe gaat en dat het, later, weer anders gaat in het voortgezet onderwijs. Wanneer we studenten in het hoger onder- wijs zijn, is er weer die onzekerheid over wat er verwacht wordt. Als er op het rooster staat dat het onderwijs om 9 uur begint, betekent dat dan dat het col- lege inderdaad om 9 uur begint of een academisch kwartiertje later? Wanneer er in een werkcollege literatuur behandeld wordt, is het dan vanzelfsprekend dat die ook thuis gelezen is of mag een docent daar niet van uitgaan?

Deel 1

Cultuur en sociale betekenisgeving

23

2 Socialisatie

‘Hoe gaat het met u?’, vraag ik (57 jaar) door de telefoon aan mijn bijna 90-jarige moeder. ‘Waarom zeg je u tegen oma?’, vragen mijn kinderen, een tweeling van 16. ‘Het is toch je moeder!’ Voor hen past het afstandelijke ‘u’ niet bij contact tussen moeder en zoon. ‘Jij’ zou in hun ogen vanzelfsprekend zijn bij de vertrouwdheid van die relatie. Ikzelf merk dat ik steeds minder vanzelf ‘u’ tegen mijn moeder zeg en dat ik ‘u’ en ‘jij’ door elkaar gebruik. Ik kan niet zeggen sinds wanneer dat is, maar omdat mijn kinderen ‘gewoon’ hun ouders met ‘jij’ aanspreken en dat bij hun leeftijdsgenoten thuis ook zo is, gaat mijn ‘u’ tegen mama ook minder vanzelf. Het verschil is een uiting van de ontwikkeling van een minder hiërarchische verhou­ ding tussen ouders en kinderen in de westerse samenleving. Maar bij veel Surinaamse, Antilliaanse, Marokkaanse of Turkse Nederlanders zijn de ouders nog gewoon ‘u’ voor de kinderen, daar is de bevelshuishouding nog niet vervangen door de onderhandelingshuishouding (Van der Werf, Leven en liefdes , ongepubli­ ceerd). (Zie paragraaf 3.7 voor het verschil tussen een bevelshuishouding en een onderhandelingshuishouden.) Bij onze socialisatie leren we dus behalve feitelijke gegevens (iets is groot of klein, lang of kort, warm of koud) ook de opvattingen over hoe iets hoort. Welke feiten ons wereldbeeld vormen, hangt af van waar we opgroeien. In veel Nederlandse gezinnen is het gewoon dat je als kind een eigen kamer hebt. Maar toen de ouders nog kind waren en gezinnen in het algemeen veel groter, kwam dat nauwelijks voor. Ook bij veel Marokkaans- of Turks-Nederlandse kinderen is dat nu niet zo. Ander voorbeeld: een stadskind kan gruwelen bij het idee dat lekker vlees ooit een koe met van die lieve ogen was, terwijl een plattelandskind niet beter weet dan dat koeien uiteindelijk ‘gewoon’ geslacht worden. Bij de opvattingen over hoe we ons dienen te gedragen is een onderscheid te maken tussen waarden (het onderwerp van paragraaf 2.3) en normen (para- graaf 2.4). Waarden Onder waarden verstaan we de met anderen gedeelde opvattingen over wat juist en goed is en daardoor nastrevenswaardig. Waarden zijn vaag of abstract, zoals vredelievendheid, gerechtigheid, veiligheid, rechtvaardigheid en eerlijk- heid. Waarden scheppen binnen groeperingen samenhang. Zo zijn er per groepe- ring waarden die voor anderen niet direct prijzenswaardig zijn, zoals het gebruiken van agressie om je zin te krijgen: voor de een geldt dat je ‘niet over je heen laat lopen’, dat je geen ‘softie’ moet zijn, terwijl een ander vindt dat je

2.3

24

2.3 Waarden

bemiddelend zou moeten optreden. En vanuit een waarde als rijk worden door hoge salarissen en bonussen denkt de een: eerlijk verdiend, waar de ander spreekt van ‘grootgraaiers’ en ‘kleptocraten’. Mensen kunnen echter ook leren dat andere groeperingen ‘minder’ zijn vanwege hun uiterlijk, cultuur of gods- dienst en dat je mensen uit die groeperingen daarom ook als je mindere kunt behandelen. Per groepering bestaan er verschillen in opvatting over welke waarden wel of niet gelden en welke waarden belangrijker zijn dan andere waarden. In Neder- land wordt gezelligheid hoog gewaardeerd, maar het valt in andere talen niet eens goed te vertalen. Bij Marokkaanse en Turkse Nederlanders is gastvrijheid – en dan niet pas na (telefonische) afspraak – een belangrijke waarde. Een andere waarde is dat je hoort bij je (eigen) groep en dat je je daarop richt. In de ogen van Marokkaanse en Turkse Nederlanders met deze collectivistische waarde zijn Nederlanders met hun gerichtheid op zelfontplooiing erg individua­ listisch. Voor veel oudere Turken en Marokkanen is het onbegrijpelijk dat Nederlanders hun ouders niet in huis (het gezin) opnemen: ze wijten dat aan de overdreven ‘egoïstische’ ontplooiingsdrang. Deze verschillende gerichtheid wordt uitgedrukt met de termen wij-cultuur (groepsgericht) en ik-cultuur (persoonsgericht, zoals in de huidige westerse culturen). Ooit heerste er ook in Nederland meer een wij-cultuur, maar het is hier minder belangrijk geworden om bij een groep te horen. We zijn individualis­ tischer geworden. Er is minder sociale cohesie (sociale samenhang). Dingen doen met je familie, de buurt of het dorp, je geloofsgemeenschap of club telt minder mee: zulke groepsactiviteiten concurreren met andere bezigheden. Dat zich in onze samenleving een verschuiving op dat gebied heeft voltrokken, laat zien dat waarden in de loop der tijd meer of minder belangrijk kunnen worden. En soms zelfs omslaan in hun tegendeel. Wat voor de ene groepering nastrevenswaardig is, kan voor de andere groe- pering juist als slecht worden beleefd. Zo kan in de cultuur van een land het respecteren van vrouwen door mannen wel als algemeen gebod gelden, maar veel mannen wordt duidelijk gemaakt dat de vrouwenveroveraar, de man die met veel vrouwen seks heeft, een held is, een echte man. Over een vrouw die overspel pleegt, wordt schande gesproken. Wanneer waarden worden omgezet in een visie op de toekomst of een gewenste ontwikkelingsrichting, spreken we over doelen. Een doel is een denkbeeldige toekomstige situatie die wij nastreven (Kuypers, 1972). We leren in onze socia- lisatie doelen te stellen: carrière maken, een relatie met kinderen opbouwen, als goede gelovige moslim minstens één keer in je leven de hadj (de bedevaart naar Mekka) maken. Waarden hebben twee aspecten: hoe erover gepraat wordt ( zeg-gedrag ) en wat er gedaan wordt ( doe-gedrag ). Om waarden te kunnen zien, kunnen we

Deel 1

Cultuur en sociale betekenisgeving

25

2 Socialisatie

wat er gezegd en geschreven is bestuderen of kijken naar wat er gedaan wordt. Of we ons aan de waarden houden, hangt van de situatie af. Een mensenleven is heilig, maar soms worden er toch levens opgeofferd om andere levens te red- den. Waarden zijn met andere woorden voorwaardelijk (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2003). Veel waarden vinden we over de hele wereld terug. In abstracte termen vindt iedereen eer, fatsoen en schoonheid belangrijk, maar hoe zo’n waarde wordt ingevuld kan sterk verschillen. De ene waarde wordt hoger gewaardeerd dan de andere, en ook de rangorde die in (verschillende delen van) een samen- leving wordt aangebracht, verschilt. Zo kan de waarde eerlijkheid afhankelijk van de situatie of groep ondergeschikt gevonden worden aan de waarde res- pect. Als je aan je beste vriend vraagt wat die vindt van je nieuwe kleren, zal die niet gauw zeggen dat het niets is. Hij zegt misschien dat de kleur wel wat gewaagd is of dat de combinatie apart is. Is dat eerlijk? Is het respectvol? Waarden fungeren als een maatstaf voor het beoordelen van het gedrag in bepaalde situaties. (De gedragsregel of het gedragsvoorschrift dat hieruit voortvloeit, noemen we een norm; zie de volgende paragraaf.) We illustreren dit aan de hand van de waarde maagdelijkheid. Voor veel mensen uit een moslimcultuur is het Nederlandse omgangs­ patroon tussen mannen en vrouwen een gruwel. Dat heeft te maken met de waarde die aan maagdelijkheid voor meisjes wordt toegekend. Een Turks meisje zegt daarover: ‘Mijn ouders hebben het stereotiepe beeld dat Nederlandse meisjes snel te veroveren zijn, makkelijk met jongens naar bed gaan en geen eergevoel hebben. Ik ben het daar niet mee eens. Ik vind dat er ook veel Nederlanders zijn die zich niet zo gauw geven. Maagdelijkheid is belangrijk voor mij. Ik heb veel dingen overgenomen van de westerse samenleving, maar op dit punt ben ik ouderwets. Het duidt op zelf­ respect; het is ook belangrijk voor mijn geloof. Ik ben gelovig en volgens de islam moet je tot aan het huwelijk maagd blijven. Ik vind maagdelijkheid iets waardevols dat je moet koesteren. Maar volgens mij is de maagdelijkheid van de vrouw voor de man nog belangrijker dan voor het meisje zelf. Voor mijn man is het een kwestie van eer, voor mij een kwestie van zelfrespect.’ Zowel bij mannen als bij vrouwen is maagdelijkheid vooral belangrijk, omdat het belangrijk is voor hun familie of hun echtgenoten. Hun eer wordt erdoor bepaald (Yerden, 1995).

26

2.3 Waarden

Dit voorbeeld laat zien dat het gedrag van anderen wordt beoordeeld aan de hand van een bepaalde waarde, in dit geval de waarde maagdelijkheid. De oor- sprong ligt in de verwachting kinderen te krijgen binnen alleen die ene relatie. Daarom moeten vrouwen beschermd worden tegen andere mannen. Het heeft gevolgen voor de verwachtingen binnen jouw groepering over het gedrag van mannen en vrouwen. Betekent vrouwelijk zijn juist waardige kleding dragen (hoofddoek, bedekkende kleding) of zich aantrekkelijk kleden? Houden mannen en vrouwen afstand tot elkaar? Maagdelijkheid is ook in Nederland een waarde, maar heeft wel een andere plaats in de rangorde. ‘Hebben jullie het al gedaan?’ is een vraag die jongeren elkaar stellen. Het idee dat alle Nederlandse meisjes op jeugdige leeftijd al ver- gaande seksuele contacten hebben is feitelijk niet juist. Met 18,6 jaar heeft de helft van alle jongeren ervaring met geslachtsgemeenschap (De Graaf et al., 2017). Dit betekent dat veel jongeren op hun achttiende of negentiende jaar – en wellicht langer – nog maagd zijn. De meeste jongeren hebben vooral seks met een vaste partner. Van de jongens rond die leeftijd heeft 35 procent voor- namelijk losse contacten, en van de meisjes is dat slechts 25 procent. Meisjes hebben wel vaker ervaring met verschillende vormen van seks dan jongens van dezelfde leeftijd, hetgeen aansluit bij de bevinding dat meisjes vaak seks hebben met jongens die iets ouder zijn dan zijzelf. ‘Laag’ opgeleide jongeren (op vmbo of mbo) hebben vaker ervaring met seks dan ‘hoog’ opgeleide jongeren (op havo, vwo, hbo of universiteit). Deze cijfers zijn ook onder Nederlanders zonder geloofsovertuiging niet algemeen bekend: ook zij denken dat de gemiddelde leeftijd van ontmaagding lager ligt. Het gegeven dat de meesten hier geen issue van maken, duidt erop dat zij seksualiteit anders waarderen dan Nederlanders met een geloofsover- tuiging. Op de ‘waardenladder’ lijkt de maagdelijkheid van meisjes bij de eerste groep dus niet hoog te scoren. Veel Nederlandse ouders maken zich er niet druk over dat hun kinderen seksuele relaties hebben. Ze mogen dat vaak thuis doen ‘als ze eraan toe zijn’. Maar ze benadrukken wel dat hun kinderen voorbehoedsmiddelen moeten gebruiken. In de Verenigde Staten ligt de leeftijd voor ‘de eerste keer’ niet veel hoger, maar daar kan dit niet thuis plaatsvinden en is praten over voorbehoeds- middelen voor ouders not done. In Nederland is het aantal tienerzwanger- schappen dan ook veel lager: in 2017 nog geen 3 op de 1.000 meisjes (15‑19 jaar) (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2017), tegen 18,8 op 1.000 in de VS (Martin et al., 2017).

Deel 1

Cultuur en sociale betekenisgeving

27

2 Socialisatie

2.4

Normen Waarden worden voor ‘dagelijks gebruik’ omgezet in normen. Normen zijn concrete gedragsregels die aangeven wat verwacht wordt in een bepaalde situatie, wat je moet doen of juist niet moet doen. De waarde beleefdheid wordt bijvoorbeeld vertaald in de normen mensen niet in de rede vallen en in de win- kel op je beurt wachten. Eenzelfde waarde kan in verschillende groeperingen in heel uiteenlopende normen vertaald worden. De algemeen aanvaarde waarde van respect ten opzichte van een vrouw betekent in de Nederlandse samenleving dat je haar als man een hand geeft aan het begin van een ontmoeting en haar dus niet anders behandelt dan een man, maar in sommige islamitische groeperingen doe je dat vanuit diezelfde waarde juist niet. Normen zijn ‘normaal’ in een groep en lijken vaak nogal absoluut: zo hoort het hier. Binnen de groep leidt dit tot te verwachten, voorspelbaar gedrag. Tussen groepen kunnen normen nogal verschillen. Het ene kind weet niet beter dan dat ouders met ‘jij’ en met de voornaam aangesproken worden, terwijl het andere kind dat ‘onbeleefde’ gedrag wel uit het hoofd laat. Normen kunnen in de tijd wijzigen. Zeventig jaar geleden was voor vrouwen een bikini aan het strand een uiterst gewaagd kledingstuk, terwijl nu badpak en bikini gewoon naast elkaar op het strand liggen.

Stelletjes gaan tegenwoordig eerst samenwonen voordat zij gaan trouwen, als ze dat al doen, terwijl dat vroeger ongehoord was.

Vroeger mochten mensen overal roken; in het vliegtuig, in het klaslokaal, op het werk en zelfs in de bioscoop. Tegenwoordig mag dat alleen nog maar op aangewezen plekken.

In 1939 verscheen van de hand van Amy Groskamp-ten Have het boek Hoe hoort het eigenlijk , een standaardwerk voor de etiquette (de overgeleverde, voorgeschreven vormen van beschaafde omgang) dat tot in de jaren negentig in honderdduizenden exemplaren verkocht werd. Ook al werd in het boek nadrukkelijk gesteld dat goede manieren een uiting zijn van respect voor anderen, het werd met name gekocht om te weten hoe die waarde van respect moest worden omgezet in de normen voor gedrag. De waarde respect is gebleven, maar de bijbehorende normen zijn ver­ anderd. Toch is ook de waarde zelf – wat betekenis betreft – veranderd. Met de uitroep ‘respect’ uiten jongeren erkenning of bewondering.

28

Made with FlippingBook flipbook maker