Berna de Boer, Margaret van der Kamp en Birgit Lijmbach - Nederlands in actie

actie Nederlands in methode Nt2 voor hoogopgeleide aNderstaligeN

berna de boer margaret van der kamp birgit lijmbach

Webondersteuning

Bij dit boek hoort een website met extra materiaal. Ga naar www.coutinho.nl/nederlandsinactie . Maak een Coutinho-account aan als je die nog niet hebt en log in.

Nederlands in actie

Methode NT2 voor hoogopgeleide anderstaligen

Berna de Boer Margaret van der Kamp Birgit Lijmbach

Derde, herziene druk

c u i t g e v e r ij

c o u t i n h o

bussum 2014

© 2004 Uitgeverij Coutinho bv Alle rechten voorbehouden.

Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van reprografische verveelvoudigingen uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16h Auteurswet 1912 dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130 KB Hoofddorp, www.reprorecht.nl). Voor het overnemen van (een) gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatie- werken (artikel 16 Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie, Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.stichting-pro.nl).

Eerste druk 2004 Derde, herziene druk 2012, tweede oplage 2014

Uitgeverij Coutinho Postbus 333 1400 AH Bussum info@coutinho.nl www.coutinho.nl

Zetwerk: Omslag:

Studio Pietje Precies | bno, Hilversum

Studio Pietje Precies | bno, Hilversum Foto’s omslag: linksboven: © Eric Gevaert / shutterstock.com; rechtsboven: © Elmer Spaargaren, Groningen; linksonder: © Typical Media Publishers; rechtsonder: © Gerard Smit, Almelo Stemmen: Romke Burger, Karin Maassen, Emmalyne Mathon, Ronald Ohlsen, Maarten Schunselaar, Wim Tommassen Noot van de uitgever Wij hebben alle moeite gedaan om rechthebbenden van copyright te achterhalen. Personen of instan- ties die aanspraak maken op bepaalde rechten, wordt vriendelijk verzocht contact op te nemen met de uitgever. De personen op de foto’s komen niet in de tekst voor en hebben geen relatie met hetgeen in de tekst wordt beschreven.

ISBN 978 90 469 0298 1 NUR 624

Voorwoord bij de derde, herziene druk

Voor je ligt de herziene uitgave van Nederlands in actie . Deze succesvolle methode NT2 voor hoogopgeleide anderstaligen verscheen in 2004 voor het eerst en vond snel haar weg onder anderstaligen die Nederlands leren van niveau A2 naar B1. Tijd schrijdt voort, teksten verouderen en ontwikkelingen leiden tot andere inzich- ten. Kortom: het werd tijd voor een herziening. Nu, acht jaar later, heb je de volledig herziene en geactualiseerde druk in handen. Volledig herzien betekent dat het een geheel nieuw boek is, waarin onder andere alle lees- en luisterteksten vervangen zijn door eigentijdse teksten. Het bijzondere karakter is evenwel niet veranderd. Neder- lands in actie is een methode gebleven waarmee anderstaligen op een actieve en creatieve manier hun vaardigheid in het Nederlands verder ontwikkelen. Met Nederlands in gang (tot A2) vormt Nederlands in actie (van A2 naar B1) en Nederlands op niveau (van B1 naar B2) een complete leerlijn. Nederlands in actie is veelvuldig getest in groepen anderstaligen aan het Talencen- trum van de Rijksuniversiteit Groningen. Onze dank gaat uit naar onze cursisten die met het materiaal hebben gewerkt en kritisch commentaar hebben geleverd. Door hun bijdrage is het een prettig werkbaar boek geworden, voor cursisten en docen- ten. Ook bedanken we iedereen die constructief commentaar heeft geleverd op eerdere drukken. Onze collega-docenten aan het Talencentrum willen we graag bedanken voor hun bereidwilligheid het materiaal te testen in hun groepen en hun ervaringen met ons te delen. Met name Anneke Boersma, Jeannette Brouwer, Jeroen van Engen, Silvia Huisman, Catrien Nijboer, Petra Kramer, Maria Kruyt en Ronald Ohlsen danken we heel hartelijk voor hun waardevolle bijdrage.

Tot slot danken we Anje Dijk, directeur van het Talencentrum in Groningen, voor haar medewerking en vertrouwen.

We wensen alle gebruikers veel plezier met Nederlands in actie !

Berna de Boer, Margaret van der Kamp, Birgit Lijmbach Groningen, maart 2012

Webondersteuning www.coutinho.nl/nederlandsinactie

Bij dit boek hoort een website met extra materiaal. Hierop vind je opdrachten om verder te oefenen met vocabulaire en grammatica en om je uitspraak te verbeteren. Daarnaast vind je er alle beeld- en geluidsfragmenten die je nodig hebt bij de op- drachten uit het boek. Ook de uitgeschreven teksten van deze fragmenten staan op de site. Tevens kun je er een groot aantal teksten en vocabulairelijsten uit het boek beluisteren. Ook staan op de website lijsten met frequente woorden van 0 tot 5000. Tot slot vind je er extra beeldmateriaal en liedjes met opdrachten. Voor docenten is er een docentenhandleiding beschikbaar. Ga naar www.coutinho.nl/nederlandsinactie . Maak een Coutinho-account aan en typ vervolgens de unieke code in van bladzijde 2 van dit boek. Met deze code krijg je achttien maanden exclusieve toegang tot het extra materiaal.

Inhoud

Beste cursist  |  13

Hoofdstuk 1  Werk, studie en vrije tijd |  16

■ Luister-, spreek- en schrijfopdracht: interviews  |  17 ■ Woordvorming  |  20 ■ Grammatica: structuur hoofdzin  |  20 ■ Opdrachten  |  21 ■ Grammatica: conjuncties  |  22 ■ Grammatica: structuur bijzin  |  23 ■ Opdrachten  |  24 ■ Tekst: Jongeren 6,5 uur per dag bezig met media |  26 ■ Spreekopdracht: mediagebruik  |  27 ■ Opdracht bij de tekst  |  27 ■ Vocabulaire  |  27 ■ Spreekopdracht: beroep raden  |  30 ■ Tekst: Elke dag een andere droombaan |  31 ■ Opdracht bij de tekst  |  32 ■ Vocabulaire  |  32 ■ Spreekopdracht: droombaan  |  37 ■ Grammatica: indirecte rede  |  37 ■ Opdrachten  |  38 ■ Schrijfopdracht: e-mail  |  40 ■ Tekst: Solliciteren in zeven stappen |  41 ■ Opdracht bij de tekst  |  42 ■ Spreekopdracht: sollicitatiegesprek  |  43 ■ Luisteropdracht: Stroopwafelmeisje  |  43 ■ Prepositie-opdrachten  |  44 ■ Opdracht onregelmatige werkwoorden  |  45 ■ Vocabulaire hoofdstuk 1  |  46 ■ Reflectie  |  47

Taalbiografie |  48

Hoofdstuk 2  Reizen |  50

■ Spreekopdracht: welk uitzicht zou je kiezen?  |  51 ■ Lees- en spreekopdracht: wat zou je willen, of juist niet?  |  52 ■ Grammatica: zou – zouden (1)  |  53 ■ Opdrachten  |  53 ■ Tekst: Kust trekt meer vakantiegangers |  54 ■ Opdracht bij de tekst  |  56 ■ Vocabulaire  |  56 ■ Spreekopdracht: woordwolk  |  60 ■ Spreek- en schrijfopdracht: top 5  |  60 ■ Woordvorming  |  61 ■ Opdracht bij de tekst  |  62 ■ Tekst: Op Pad |  62 ■ Grammatica: zou – zouden (2)  |  64 ■ Opdrachten  |  65 ■ Teksten: Glamping – Safaritent, Stayokay hostel, Bed & Breakfast, Couchsurfing |  66 ■ Opdracht bij de teksten: voor- en nadelen  |  68 ■ Vocabulaire  |  69 ■ Luisteropdracht: accommodatietest hotel  |  72 ■ Schrijfopdracht: hotelkamer boeken  |  72

■ Spreekopdracht: presentatie over een stad  |  73 ■ Spreekopdracht: ontdek de verschillen  |  74 ■ Spreekopdracht: vocabulaire  |  74 ■ Prepositie-opdracht  |  74 ■ Opdracht onregelmatige werkwoorden  |  75 ■ Vocabulaire hoofdstuk 2  |  76 ■ Reflectie  |  77 Hoofdstuk 3  Gevoelens |  80 ■ Inventarisatie gevoelens  |  81 ■ Test: Ben ik gevoelig?  |  81 ■ Tekst: Koppen dicht |  83 ■ Opdracht bij de tekst  |  85 ■ Vocabulaire  |  85 ■ Spreekopdracht: wat zou je doen?  |  89 ■ Grammatica: (te) + infinitief  |  90 ■ Opdrachten  |  91

■ Spreekopdracht: top 10 irritaties  |  94 ■ Tekst: Top 10 irritaties |  94 ■ Spreekopdracht: versterkte reacties  |  94 ■ Schrijfopdracht: e-mail  |  95 ■ Luisteropdracht: Blue Monday  |  96 ■ Spreekopdracht: meevoelen en geruststellen  |  96 ■ Tekst: Niet iedereen houdt van zomers weer |  97 ■ Opdracht bij de tekst  |  98 ■ Vocabulaire  |  98 ■ Luisteropdracht: weerbericht  |  102 ■ Spreekopdracht: weersituaties  |  102 ■ Grammatica: om – te + infinitief  |  102 ■ Opdrachten  |  103 ■ Tekst: Waar word jij gelukkig van? |  104 ■ Tekst: Wie niet koopt, bestaat niet, leeft niet |  105 ■ Schrijfopdracht: reactie blog  |  106 ■ Prepositie-opdracht  |  106 ■ Opdracht onregelmatige werkwoorden  |  107 ■ Vocabulaire hoofdstuk 3  |  108 ■ Reflectie  |  110

Hoofdstuk 4  Onderwijs |  112

■ Spreekopdracht: onderwijssysteem  |  113 ■ Tekst: In de kroeg zitten is goed voor studieresultaten |  113 ■ Opdracht bij de tekst: samenvatting schrijven  |  115 ■ Vocabulaire  |  115 ■ Mening vragen en geven  |  119 ■ Spreekopdracht: mening vragen en geven  |  119 ■ Woordvorming  |  120 ■ Grammatica: scheidbare werkwoorden  |  121 ■ Opdrachten  |  122 ■ Tekst: Ik was heel bang dat de andere cursisten gingen lachen |  123 ■ Spreekopdracht: ervaringen onderwijs  |  124 ■ Instructietaal  |  124 ■ Tekst: Er is niets tegen een mooi schooluniform |  125 ■ Opdracht bij de tekst  |  127 ■ Vocabulaire  |  127

■ Spreekopdracht: bezuinigen  |  132 ■ Schrijfopdracht: korte tekst  |  132

■ Luisteropdracht: Studentendemonstratie  |  133 ■ Spreekopdracht: vocabulaire  |  133 ■ Prepositie-opdrachten  |  133 ■ Opdracht onregelmatige werkwoorden  |  135 ■ Vocabulaire hoofdstuk 4  |  136 ■ Reflectie  |  137

Hoofdstuk 5  Buitenlanders in Nederland |  138

■ Luisteropdracht: NL test  |  139 ■ Spreekopdracht  |  139 ■ Tekst: ‘Hè? Kinderen krijgen hier gewoon hagelslag op brood!’ |  140 ■ Vocabulaire  |  143 ■ Grammatica: er  |  148 ■ Opdrachten  |  149 ■ Het met iemand / iets eens zijn (of niet)  |  153

■ Spreekopdracht: discussiewiel  |  154 ■ Tekst: Nederland in vijf zintuigen |  155 ■ Spreek- en schrijfopdracht  |  156 ■ Opdrachten  |  156 ■ Grammatica: er in een passieve zin  |  159

■ Tekst: Mijn Chinese ik |  159 ■ Opdracht bij de tekst  |  161 ■ Spreekopdracht: relatie taal en gedrag  |  161 ■ Vocabulaire  |  162 ■ Schrijfopdracht: reactie tekst  |  167 ■ Tekst: Beste Beatrijs |  168 ■ Spreekopdracht: Beste Beatrijs  |  168 ■ Luisteropdracht: Máxima, tien jaar in Nederland  |  168 ■ Spreekopdracht: monoloog  |  170 ■ Prepositie-opdrachten  |  170 ■ Opdracht onregelmatige werkwoorden  |  171 ■ Vocabulaire hoofdstuk 5  |  172 ■ Reflectie  |  173

Hoofdstuk 6  Relaties |  174

■ Luisteropdracht: Daten is meten  |  175 ■ Lees- en schrijfopdracht  |  175

■ Tekst: ‘Ze wilde wel, maar had het nu even heel druk’ |  175 ■ Opdracht bij de tekst  |  177 ■ Vocabulaire  |  177

■ Schrijfopdracht: een andere afloop  |  180 ■ Spreekopdracht: contact leggen  |  180 ■ Tekst: Liefdesgedichten |  181 ■ Grammatica: relatief pronomen (1)  |  181 ■ Opdrachten  |  183 ■ Luister- en spreekopdracht: vriendschap  |  185 ■ Schrijfopdracht: verlanglijstje  |  185 ■ Spreekopdracht: eigenschappen partner  |  185 ■ Tekst: Altijd gedonder over partnerkeuze |  186 ■ Opdracht bij de tekst  |  187 ■ Vocabulaire  |  187 ■ Grammatica: relatief pronomen (2)  |  191 ■ Opdracht  |  192 ■ Schrijfopdracht: advies geven  |  193 ■ Spreekopdracht: gebaren  |  193 ■ Tekst: Gebaren internationaal |  193 ■ Prepositie-opdrachten  |  195 ■ Opdracht onregelmatige werkwoorden  |  196 ■ Vocabulaire hoofdstuk 6  |  197 ■ Reflectie  |  198

Hoofdstuk 7  Economie |  200

■ Luisteropdracht: reclame  |  201 ■ Tekst: De tweedehands economie: elke dag Koninginnedag |  201 ■ Opdracht bij de tekst  |  203 ■ Vocabulaire  |  203 ■ Grammatica: passieve zinnen (1)  |  206 ■ Opdrachten  |  207 ■ Spreek- en schrijfopdracht: aanprijzen product  |  209 ■ Spreekopdracht: product ruilen  |  210 ■ Schrijfopdracht: klacht  |  210 ■ Luister- en spreekopdracht: bezuinigen  |  211 ■ Tekst: Nederlander overschat zijn kundigheid met geld |  212 ■ Opdracht bij de tekst  |  213 ■ Vocabulaire  |  213 ■ Spreekopdracht: hoeveelheden  |  216

■ Spreekopdracht: iets niet willen / kunnen zeggen  |  218 ■ Grammatica: passieve zinnen (2)  |  218 ■ Opdrachten  |  219 ■ Test: geldkennis  |  220 ■ Spreek-, luister- en schrijfopdracht: heimweewinkel  |  223 ■ Luisteropdracht: De Rekenkamer  |  223 ■ Luisteropdracht: rekentruc  |  223 ■ Prepositie-opdrachten  |  223 ■ Opdracht onregelmatige werkwoorden  |  224 ■ Vocabulaire hoofdstuk 7  |  226 ■ Reflectie  |  227 Hoofdstuk 8  Kunst en literatuur |  230 ■ Spreekopdracht: kunst  |  231 ■ Lees- en spreekopdracht  |  231 ■ Teksten: Boekenweek |  231 ■ Luister- en spreekopdracht: Kunstuur  |  234 ■ Lees- en spreekopdracht: excursie organiseren  |  237 ■ Luister-, schrijf- en spreekopdracht: berichten  |  237 ■ Spreekopdracht: kunstwerk  |  238 ■ Reflectie  |  239 ■ Tekst: Museumkaart |  235 ■ Opdracht bij de tekst  |  237 Taalbiografie |  229

Bijlagen

1a Checklist A2  |  241 1b Checklist B1  |  244

2a Onregelmatige werkwoorden – per hoofdstuk  |  247 2b Onregelmatige werkwoorden – alfabetisch  |  251 3 Correctiemodel voor schrijfopdrachten  |  256 4 Grammaticaregels  |  257 5 Antwoorden  |  267 6 Register  |  278

Illustratieverantwoording |  286

Beste cursist, Voor je ligt Nederlands in actie . Met Nederlands in actie leer je op een actieve en creatieve manier Nederlands. We hebben het voor jou gemaakt, dus we vinden het belangrijk dat je het boek goed kunt gebruiken. Daarom geven we je op deze blad­ zijdes informatie over het boek en de pictogrammen, en krijg je een paar tips. Dit is het pictogram voor lezen . Het boek heeft acht hoofdstukken. In elk hoofdstuk vind je teksten met een vocabulairelijst. Je hoeft de teksten echt niet 100% te begrijpen. Als je antwoorden kunt geven op de vragen bij elke tekst, is dat genoeg. Je hoeft dus niet alle woorden op te zoeken. In het boek vind je ook teksten zonder aparte vocabulairelijst. Deze teksten lees je vooral voor je plezier. Dit is het pictogram voor vocabulaire . Vocabulaire is heel belangrijk. Als je veel woorden kent, kun je makkelijker praten, lezen, luisteren en schrijven in het Nederlands. We hebben daarom bij de teksten vocabulairelijsten met voorbeeldzinnen en opdrachten (ook op de website) gemaakt. De opdrachten doe je thuis en in de les. Je leert de woorden begrijpen en gebruiken in interactie met je medecursisten. De woorden moet je goed leren want het zijn frequente woorden. Dit is het pictogram voor spreken . Je leert Nederlands omdat je graag in het Nederlands wilt communiceren. Daarom vind je veel (functionele) spreekopdrachten in dit boek. Je doet deze opdrachten samen met je medecursisten. Gebruik bij de spreekop- drachten ook de woorden uit de vocabulairelijsten. Dit is het pictogram voor luisteren . Bij elk hoofdstuk vind je ook een beeldfragment met vragen. Ook deze frag- menten hoef je niet 100% te begrijpen. Als je antwoorden kunt geven op de vragen is dat genoeg. Kijk en luister een paar keer naar een beeldfragment. Je begrijpt dan steeds meer. Je kunt na het luisteren ook de tekst lezen van het fragment. De fragmenten en de teksten staan op de website. Soms verwijst een luisterpictogram naar een geluidsfragment of naar een tekst die de docent voorleest.

13

Nederlands in actie

Dit is het pictogram voor schrijven . In elk hoofdstuk vind je functionele schrijfopdrachten. Je leert bijvoorbeeld hoe je via e-mail een hotelkamer kunt reserveren. Ook leer je hoe je een re- actie kunt schrijven op een blog of hoe je op internet iets te koop aanbiedt. Gebruik de vocabulairelijsten als je een tekst schrijft. Dit is het pictogram voor grammatica . Je leert in dit boek hoe je de grammatica kunt gebruiken. In het boek krijg je steeds vragen over zinnen met een bepaalde grammaticale constructie. Zo ontdek je zelf de regels. Probeer bij spreekopdrachten en schrijfopdrachten de grammaticale regels te gebruiken die je hebt geleerd. Dit is het pictogram voor de website . Bij sommige onderdelen zie je het pictogram van de website. Dat betekent dat je op de website naar die onderdelen kunt luisteren. Je vindt het picto- gram bijvoorbeeld in hoofdstuk 4 bij de zinnen om je mening te geven en in hoofdstuk 6 bij twee gedichten. Naast deze onderdelen kun je ook alle leesteksten en de bijbehorende vocabulairelijsten op de website beluisteren. Op de website vind je nog veel meer materiaal. Informatie hierover vind je op bladzijde 6.

We wensen je veel plezier met Nederlands in actie !

Berna de Boer, Margaret van der Kamp, Birgit Lijmbach

14

1

Werk, studie en vrije tijd

Werk, studie en vrije tijd  hoofdstuk 1

Interviews over werk, studie en vrije tijd wie Mark Zomer – functie onderzoeker in het laboratorium van een zieken- huis – sinds 2001 – uur per week meestal 50 maar soms 70 of 80 leeftijd 41 – privésituatie getrouwd, een zoon (5) en een dochter (3)

Wat wilde je als kind worden? Tandarts vond ik een fantas- tisch beroep. Mijn vader en moeder zijn tandarts. Als kind kwam ik vaak in hun praktijk. Wat doe je, ben je tandarts geworden? Nee, ik ben onderzoeker ge- worden. Ik doe onderzoek naar griep. Heb je plezier in je werk?

Ja, ik vind mijn werk heel erg leuk want het is creatief werk en ik heb leuke col- lega’s. Onze resultaten kunnen heel belangrijk zijn, daarom vind ik dit werk ook interessant. Wat vind je niet zo leuk aan je werk? Ik heb onregelmatige werktijden, dat is niet altijd leuk voor mijn vrouw en kinde- ren. Hoe ben je aan je werk gekomen? Via via. Een studievriend werkte in dit laboratorium. Hij vertelde dat het zieken- huis onderzoekers zocht. Ik heb gesolliciteerd en de baan gekregen. Hoeveel verdien je? Oei, dat is een directe vraag! Daar geef ik liever geen antwoord op. Heb je veel of weinig vrije tijd? Dat verschilt want ik werk soms ook in het weekend. Meestal heb ik weinig vrije tijd. En wat doe je in je vrije tijd? Ik houd van muziek; ik speel gitaar en ga heel soms naar een concert. Verder vind ik het leuk om met de kinderen iets gezelligs te doen: fietsen en dansen. Vind je dat je je vrije tijd goed besteedt? Nee, niet altijd. Als ik thuiskom, ben ik vaak zo moe. Dan wil ik alleen nog maar tv kijken. Is je vrijetijdsbesteding veranderd in de afgelopen vijf jaar? Ja, toen we nog geen kinderen hadden, gingen we veel vaker uit en bij vrienden op bezoek. Nu zijn we ’s avonds vaak thuis. Als de kinderen groter zijn, gaan we dat wel weer doen, hoop ik.

17

hoofdstuk 1  Werk, studie en vrije tijd

wie Alice van Beek – studie psychologie en Spaans (tweedejaars) uur per week meestal 50 of 60 uur, maar soms doe ik helemaal niets leeftijd 20 – privésituatie single

Wat doe je? Ik studeer psychologie en Spaans in Nijmegen. Ik ken niemand met deze combinatie van studies. Het is wel druk hoor. Soms heb ik een beetje spijt van mijn keuze. Waarom heb je voor deze studies gekozen?

Psychologie omdat ik geïnteresseerd ben in het gedrag van mensen. En Spaans vind ik gewoon een erg mooie taal. Wat wil je met je opleiding gaan doen? Ik weet het nog niet precies. Misschien wil ik met kinderen werken of met studenten met studieproblemen of zo. Ben je een goede student? Ja, ik denk het wel. Ik studeer hard en heb goede resultaten. Waar heb je een hekel aan bij je studie? Ik heb een hekel aan hoorcolleges bij psychologie. We zitten met vierhonderd studenten in een zaal. Gelukkig hebben we ook werkgroepen van vier of vijf Ik woon in een internationaal studentenhuis, ik ben de enige Nederlandse. Maria komt uit Zweden, Manuel uit Mexico, Fulvio uit Italië en Indra uit Maleisië. Het is bijzonder, al die culturen. En we leren internationaal koken van elkaar. Dat is ook leuk. Vind je het studentenleven leuk? Ja natuurlijk! Nijmegen is een leuke studentenstad. Met vrienden ga ik in het weekend vaak naar de kroeg. Elke woensdagavond ga ik sporten bij de sportver- eniging van de universiteit. Dat is altijd heel gezellig … en gezond! Heb je nog andere hobby’s? Ja, ik vind toneel en musicals heel leuk. Ik zit op studententoneel. We repeteren nu voor Macbeth, van Shakespeare. Het lijkt me geweldig om in een musical te spelen maar ik kan jammer genoeg niet goed zingen. studenten. Dat is veel interessanter en persoonlijker. Woon je alleen of in een huis met andere studenten?

18

Werk, studie en vrije tijd  hoofdstuk 1

Welke acteur of actrice vind je goed? Ik vind Al Pacino heel goed. Ik heb al zijn films gezien. Heb je nog bijzondere interesses? Ja, ik ben gek op voetbal. Niet om zelf te doen hoor. Ik heb een seizoenskaart van NEC, de voetbalclub van Nijmegen.

Opdracht 1 a Interview een medecursist. Gebruik onder andere de volgende vragen.

■ Wat doe je? ■ Waarom heb je voor deze studie / deze baan gekozen?

■ Wat wilde je vroeger worden? ■ Heb je plezier in je studie / werk? ■ Waar heb je een hekel aan? ■ Hoe woon je? ■ Wat doe je in je vrije tijd? ■ Zit je bij een club?

b Schrijf op basis van het interview een tekst over je medecursist.

Vocabulaire Ken je deze woorden en zinnen nu?

de tandarts de onderzoeker het onderzoek creatief het resultaat via via

het gedrag persoonlijk koken de kroeg het toneel jammer genoeg gek (zijn op)

solliciteren verdienen verschillen

Daar geef ik liever geen antwoord op. Daar heb ik een hekel aan. Daar ben ik gek op.

besteden aan de keuze/keus

19

hoofdstuk 1  Werk, studie en vrije tijd

Opdracht 2 Uit welke delen bestaan de volgende woorden? Wat betekenen ze?

■ werktijden ■ ziekenhuis ■ studieproblemen ■ hoorcollege ■ werkgroepen ■ studentenhuis ■ sportvereniging ■ vrijetijdsbesteding ■ seizoenskaart

Structuur van een hoofdzin

van muziek.

Ik

houd

een leuke studentenstad.

Nijmegen

is

al zijn films

Ik

heb

gezien.

kunnen heel belangrijk

Onze resultaten

zijn.

Nu

vaak ’s avonds thuis.

we

zijn

Daarom

dit werk ook interessant.

ik ik ik

vind

In het weekend

vaak met vrienden naar de kroeg.

ga

Daar

liever geen antwoord op.

geef

een paar jaar

in Londen

Ze Ze

heeft

gewoond.

nog niet zo lang in Nijmegen.

studeert

sinds vorig jaar

achter het station.

Mark

woont blijven

in het weekend thuis.

Ze

Vraag Kijk naar de bovenstaande voorbeelden. Wat kun je vertellen over de structuur van een hoofdzin?

20

Werk, studie en vrije tijd  hoofdstuk 1

Opdracht 3 Geef antwoord op de vragen. Ga verder met de gegeven woorden.

1 Wat doe je als het regent? Dan 2 Wat doe je op zaterdag? Dan 3 Waar woonde je vorig jaar? Toen 4 Wat heb je vanochtend gegeten? Vanochtend 5 Zijn de winkels open op zondag? Op zondag 6 Waar wonen meer mensen, in Amsterdam of in Hilversum? In Amsterdam 7 Wat kun je kopen op de markt? Op de markt 8 Kun je parkeren bij jou in de straat? In mijn straat 9 Ben je in het museum geweest? Daar 10 Wat drink je bij het ontbijt? Meestal 11 Wat doe je vaak in het weekend? In het weekend 12 Wat doe je vanavond? Misschien 13 Wil je me helpen? Natuurlijk 14 Waarom ga je niet mee naar Earth ? Die film 15 Welk type theater vind je leuk? Musicals

21

hoofdstuk 1  Werk, studie en vrije tijd

Opdracht 4

Maak de volgende zinnen af.

1 In Utrecht 2 Tegenover het station 3 Na de les 4 Vanochtend 5 Nu 6 Vorig jaar 7 Misschien 8 Natuurlijk 9 Meestal 10 Voor mijn vriendin

Conjuncties

1 Hoofdzin + hoofdzin

Ik speel gitaar en ik zing in een band.

en

Ik wil met kinderen werken of ik ga verder met mijn onderzoek. Het is een drukke baan maar het werk is erg interessant. Ze heeft veel buitenlandse vrienden want ze woont in een internationaal studentenhuis.

of

maar want

Het is een gezellig huis dus ze woont daar graag.

dus

Vraag Kijk naar de structuur van de bovenstaande voorbeelden. Wat is de plaats van de persoonsvorm?

2 Hoofdzin + bijzin

Ze heeft nu niet veel geld omdat ze nu geen bijbaantje heeft . Omdat ze nu geen bijbaantje heeft, heeft ze nu niet veel geld. Ik ga eerst even lekker tv kijken als ik van mijn werk kom . Als ik van mijn werk kom , ga ik eerst lekker tv kijken.

omdat

als

Mark wilde tandarts worden toen hij klein was . Toen Mark klein was , wilde hij tandarts worden.

toen

22

Werk, studie en vrije tijd  hoofdstuk 1

Ze praten en lachen terwijl ze samen eten koken . Terwijl ze samen eten koken, praten en lachen ze.

terwijl

zodat We zitten met vierhonderd studenten in een zaal, zodat de docent de studenten niet kent . hoewel Ze heeft de hoofdrol in de musical gekregen, hoewel ze niet zo goed kan dansen . Hoewel ze niet zo goed kan dansen, heeft ze de hoofdrol in de musical gekregen. nadat Ik had een ander idee over onderzoekers, nadat ik met Mark had gesproken . Nadat ik met Mark had gesproken , had ik een ander idee over onderzoekers. voordat Alice gaat nog even koffiedrinken, voordat het college begint . Voordat het college begint, gaat Alice nog even koffiedrinken. totdat Ze bleven in het café totdat het café dichtging . Totdat het café dichtging , bleven ze in het café. Ik zal je een mail sturen, zodra we weer nieuwe onderzoekers nodig hebben . Zodra we weer nieuwe onderzoekers nodig hebben , zal ik je een mail sturen . Vraag Kijk naar de structuur van de bovenstaande voorbeelden. Wat is de plaats van de persoonsvorm? zodra

Structuur van een bijzin

… omdat

ze

nu geen bijbaantje

heeft . kom .

ik

van mijn werk

… als

hij

klein

was .

… toen

ze

nu geen bijbaantje

heeft, … kom , … was , …

Omdat

ik

van mijn werk

Als

Mark klein

Toen

Vraag Kijk naar de bovenstaande voorbeelden. Wat kun je vertellen over de structuur van een bijzin?

23

hoofdstuk 1  Werk, studie en vrije tijd

Opdracht 5 Geef antwoord op de vragen. Ga verder met de gegeven woorden.

1 Waarom doe je het raam dicht? Omdat … 2 Waarom ben je met de bus gekomen? Omdat … 3 Waarom eet je een appel? Omdat … 4 Waarom ga je vanavond niet mee sporten? Omdat … 5 Wanneer bel je me terug? Als … 6 Wanneer neem je pauze? Als … 7 Waarom neem je pauze? Omdat … 8 Wanneer neem je een taxi? Als … 9 Wanneer gaan jullie op vakantie? Als … 10 Waarom ga je naar Spanje op vakantie? Omdat … 11 Wanneer heb je hoofdpijn? Als … 12 Wanneer kom je bij me op bezoek? Als … 13 Waarom doe je deze cursus? Omdat … 14 Waarom wil je Nederlands leren? Omdat … 15 Wanneer kunnen we stoppen met deze opdracht? Als …

Opdracht 6

Kies de juiste conjunctie.

1 Tracey spreekt een beetje Spaans, omdat / want ze heeft als kind in Spanje ge- woond. 2 De studenten spreken Nederlands met elkaar terwijl / toen ze samen eten ko- ken. 3 Ik heb deze studie gekozen als / omdat ik tandarts wilde worden. 4 Hij besteedt aandacht aan zijn gezin als / toen hij in het weekend vrij heeft. 5 In dat huis wonen studenten uit heel veel landen, omdat / zodat Alice nu veel internationale gerechten kent. 6 We gaan met de toneelclub iets drinken, voordat / nadat we gerepeteerd heb- ben. 7 Ulla blijft op dat kantoor werken totdat / nadat ze een andere baan heeft ge- vonden. 8 Thea gaat ’s avonds sporten, maar / hoewel ze soms eigenlijk te moe is. 9 Je moet de helpdesk bellen zodra / want je problemen met dit programma hebt. 10 Mijn werk is interessant want / als de resultaten zijn soms echt belangrijk.

24

Werk, studie en vrije tijd  hoofdstuk 1

Opdracht 7 Maak de zin compleet. Let op de betekenis en op de plaats van de werkwoorden.

1 Hannah spreekt goed Spaans omdat 2 Ik zal je wel een mail sturen als 3 Theo wil liever niet in Rotterdam werken want

4 Voordat

moet je de ramen dicht doen.

5 Ik woonde in een flat met drie vrienden toen

6 Ik wil graag mee naar de bioscoop maar

7 Terwijl

bel ik met mijn moeder.

8 Toen

wist ik al dat ik arts wilde worden.

Opdracht 8 Werk in tweetallen. Stel elkaar de volgende vragen. Begin je antwoord met de gegeven woorden.

1 Wanneer is Luke lid geworden van de sportclub? Toen … 2 Kun je hier echt zo goedkoop sporten? Ja, dat kan, als … 3 Wanneer praten jullie veel samen? Terwijl … 4 Ga jij vanavond ook naar het feest van Laura? Ja, maar … 5 Tot wanneer volg jij een cursus Nederlands? Totdat … 6 Wanneer lees je meestal? Voordat … 7 Wanneer kijk je tv? Nadat … 8 Ben je dit weekend thuis? Nee, want … 9 Wanneer woonde Alice bij haar ouders? Voordat … 10 Wanneer kreeg hij een baan in het buitenland? Nadat … 11 Wanneer hoor ik of de afspraak definitief is? Zodra … 12 Waar woonde je toen je tien jaar was? Toen … 13 Bevalt je huis goed? Ja, het is een leuk huis, hoewel …

14 Waarom doet ze twee studies? Omdat … 15 Wanneer ga je niet naar de cursus? Als …

25

hoofdstuk 1  Werk, studie en vrije tijd

Jongeren 6,5 uur per dag bezig met media

‘Digital natives’ noemen we ze: mensen die geboren zijn met in- ternet. Jongeren tussen dertien en zes- tien jaar zijn grootgebruikers van sociale media. Per dag besteden zij gemiddeld 62 minuten aan bijvoor- beeld MSN, Hyves en Twitter. Dat is veel meer dan kinderen tussen tien en twaalf – die 21 minuten per dag besteden. Bij jongeren tussen zeventien en negentien wordt het gebruik van sociale media minder, tot 29 minuten, maar ze blijven wel veel e-mailen. Deze resultaten komen uit een onderzoek in 2010 ‘Alles over tijd’ van SPOT, een onderzoeksbureau. Elke twee jaar onderzoekt SPOT

Totaal mediagebruik per dag door jongeren (minuten)

500

5

400

300

10

200

100

15

0

6-9 jaar

13-16 jaar

10-12 jaar

17-19 jaar

hoeveel tijd Nederlanders besteden aan mediagebruik.

20

Tijd besteed per medium bij jongeren (minuten)

gamen surfen radio muziek sociale media televisie

krant tijdschrift boek e-mail bellen/sms video op internet

6-9 jaar 10-12 jaar 13-16 jaar 17-19 jaar

0

20

40

60

80

100

120

26

Werk, studie en vrije tijd  hoofdstuk 1

aan ‘live’ contact: uitgaan gaat dan een belangrijke rol spelen. Internet is een deel van jeugd cul- tuur, zo staat in een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbu- reau (SCP). Volwassenen houden zij graag op afstand . De onderzoekers keken of culturele organisaties meer jongeren kunnen bereiken door digitaal contact. Daar is geen behoefte aan. ‘De meeste mensen hebben Hyves voor vrienden en ze willen aandacht ’, zegt Sema (15). ‘Wat voor bericht of comment ga je naar een Hyve van een museum schrijven?’ Naar: NRC Handelsblad , 9 maart 2011 en SPOT Tijdbestedingsonderzoek , 2010

Het mediagedrag van jongeren tussen dertien en zestien is opval- lend : behalve hun obsessie met sociale media bellen en sms’en ze ook meer dan jongeren in andere leeftijdsgroepen. Ze luisteren meer naar de radio, spelen vaker games en besteden ook, heel bijzonder, relatief veel tijd aan het lezen van boeken. Hun totale mediagebruik ligt op 388 minuten, of bijna zesen- half uur per dag. Jongeren in deze leeftijdsgroep hebben een ‘grote behoefte aan contact’, zo denken de onderzoe- kers. ‘Sociale media voorzien in die behoefte.’ Vanaf zeventien jaar hebben jongeren meer behoefte

25

45

30

50

35

55

40

Opdracht 9 Werk in drietallen. Bespreek met elkaar je mediagebruik. Gebruik de onderwer- pen uit de grafiek (televisie, sociale media, muziek, enzovoort).

Opdracht 10 Werk in tweetallen. Stel elkaar vragen over de tekst.

Vocabulaire

jongere, de (titel) We hebben activiteiten voor kinderen, maar niet voor jongeren vanaf twaalf jaar.

per (titel) Per week zit ik dertig uur achter de computer.

gemiddeld (r. 8) De kinderen in deze groep zijn tussen zes en acht jaar. De gemiddelde leeftijd is dus zeven jaar.

27

hoofdstuk 1  Werk, studie en vrije tijd

tijdschrift, het (diagram) Ik lees bijna geen boeken, wel veel tijdschriften over computers en sport. Ik koop elke week wel één of twee tijdschriften. opvallend ( opvallen , viel op , is opgevallen ) (r. 25-26) ■ Zijn mobiele telefoon is heel opvallend: hij is roze! ■ Op internet kun je een iPad kopen voor € 300,-. Dat is opvallend goedkoop. behoefte, de (r. 37) – behoefte hebben aan Ik heb pijn in mijn ogen want ik heb drie uur achter de computer gewerkt. Ik heb behoefte aan een pauze. voorzien in ( voorzag , voorzien ) (r. 39) Mensen willen altijd en overal internet hebben. Een smartphone voorziet in de behoefte om altijd en overal internet te hebben.

deel, het (r. 44) Een klein deel van deze groep (vijf procent) gebruikt internet nooit.

jeugd, de (r. 44) Voor de jeugd is een computer heel normaal, maar voor mensen ouder dan tach- tig is dat niet zo.

volwassene, de (r. 47) Is Disneyland alleen leuk voor kinderen of vinden volwassenen het ook leuk?

op afstand houden ( hield , gehouden ) (r. 48) Ik houd niet van huisdieren; ik houd ze het liefst op afstand.

afstand, de (r. 48) Een paar meter afstand tussen de tv en de persoon is het best.

mens, de (r. 52) Er zijn weinig mensen zonder mobiele telefoon.

aandacht, de (r. 54) Hij zit elke dag op Facebook; hij krijgt veel reacties van zijn vrienden en hij vindt die aandacht leuk.

bericht, het (r. 55) Dit is de voicemail van Henk van Woerden. Spreek uw bericht in na de piep.

28

Werk, studie en vrije tijd  hoofdstuk 1

Opdracht 11 Bekijk het vocabulaire nog een keer goed. Bij elk nummer hieronder vind je woor- den die te maken hebben met een van de woorden uit de lijst. Noteer dat woord.

1 boven 18 jaar (of 21) / zelf beslissen 2 lezen / elke week of maand nieuw 3 levend / geen dier / man of vrouw 4 hoe ver / tussen A en B 5 zie je meteen / extreem 6 niet helemaal, alles / stukje 7 heb je nodig / wil je 8 twaalf tot twintig jaar / groep

Opdracht 12

Vul een woord uit de lijst in.

1 Een bezoek aan een pretpark kost € 40,-. 2 Op deze weg mag je maar tachtig kilometer uur rijden. 3 Na mijn werk heb ik tijd om aan mijn kinderen te besteden. 4 Ik hoorde je mobiel. Ik denk dat je een nieuw hebt. 5 Het personeel van ons hotel al uw wensen voor een heerlijk weekend! 6 Ik vergeet de muziek uit mijn nooit meer. Ik ken alle liedjes nog.

Opdracht 13 Werk in tweetallen. Reageer met het woord tussen haakjes.

1 Heeft iedereen internet? ( mens ) 2 Heb jij een iPhone? ( jongere ) 3 Hoeveel uur kijk jij tv? ( gemiddeld )

4 Wat lees je, als je in de trein zit? ( tijdschrift ) 5 Wat doen mensen in hun vrije tijd? ( deel ) 6 Waarom zijn sociale media zo populair? ( behoefte hebben aan )

29

hoofdstuk 1  Werk, studie en vrije tijd

7 Wat is het meest populair: Twitter, Hyves, Facebook of LinkedIn? ( jeugd ) 8 Besteedt iedereen veel tijd aan sociale media? ( volwassene ) 9 Komt die piep van jouw telefoon? ( bericht ) 10 Ik moet vijftig kilometer reizen naar mijn werk. ( afstand ) 11 Hoeveel tijd besteed je aan sport? ( per ) 12 Wat vind je van het mediagebruik van jongeren? ( opvallen ) 13 Wat vind je het moeilijkst aan het Nederlands? Hoe kun je dat verbeteren? ( aandacht ) 14 Weet jij waarom Facebook zo populair is? ( voorzien in )

Hanco Kolk en Peter de Wit / © Comic House

Opdracht 14 Je krijgt van je docent een memosticker waar een beroep op staat. Je moet dat beroep raden. Iedereen loopt door het lokaal. Je mag maximaal twee vragen aan dezelfde persoon stellen. Deze stelt ook twee vragen aan jou. Dan loop je naar iemand anders en stelt weer twee vragen, totdat je het beroep geraden hebt. De ander mag alleen met ‘ja’ of ‘nee’ antwoorden. Je moet dus ja/nee-vragen stellen.

Voorbeeld: Heb je een universitaire opleiding nodig? Werk je veel met je handen? Heeft het beroep status?

Opdracht 15 In de tekst Elke dag een andere droombaan komen de volgende uitdrukkingen voor. Wat denk je dat ze ongeveer betekenen?

30

Werk, studie en vrije tijd  hoofdstuk 1

1 Ik kan mijn ei erin kwijt. ( r. 66 )

a Ik doe iets zonder passie. a Het lijkt me leuk.

b Ik kan iets doen met mijn passie. b Het lijkt me vervelend.

2 Ik heb er zin in. ( r. 80 )

3 Dat zie ik niet zitten. ( r. 82-83 ) 4 Dat ligt mij niet zo. ( r. 84-85 )

a Dat vind ik makkelijk. b Dat lijkt me moeilijk. a Dat kan ik heel goed. b Dat kan ik niet zo goed.

5 Daar gaat het mij niet om. ( r. 85-86 ) a Dat is onbelangrijk.

b Dat is belangrijk.

6 Dan houd ik het voor gezien. ( r. 89-90 )

a Dan stop ik ermee.

b Dan ga ik ermee door.

Elke dag een andere droom baan

drijft . Dat wil hij vervolgens via een blog overbrengen op anderen.

Joost Veldman wil in een jaar 175 droombanen proberen, elke dag een andere. ‘Je bent veel tijd kwijt aan werk, doe dan wel iets wat voldoening geeft.’ Typen kan hij niet goed. Ook de koffie netjes serveren lukt nog niet helemaal. De echte secretaresse Karin van Peursen kijkt kritisch. Het maakt niets uit . ‘Sorry, ik ben natuurlijk geen echte secretaresse’, lacht Joost Veldman (34). Hij is vandaag voor één dag secreta- resse, wat de Amsterdammer met enthousiasme doet. Net zoals hij de dagen ervoor werkte als schoen- maker, bakker, meubelmaker en bierbrouwer. Veldman gaat komend jaar mee- lopen met 175 mensen die een droombaan hebben. Althans , die van zichzelf zeggen dat ze een droombaan hebben. De reden ? Hij wil mensen inspireren. ‘Ik wil zo bijdragen aan een leukere en betere wereld .’ Door dit project hoopt Veldman te ontdekken wat mensen

30

Aan het project zit een goed doel gekoppeld , waarbij kinderen in Oe- ganda kansen krijgen op een baan. De mensen met wie hij een dag meeloopt, vraagt hij geld te storten voor dat goede doel als ‘ stagever- goeding ’. Zelf verdient hij dus een jaar geen geld. ‘Ik heb nu wel con- tact met een aantal sponsors. Als die mij willen betalen, heb ik een inkomen .’ Veldman rekende precies uit hoe- veel verschillende banen hij moet hebben om een jaar te vullen. Weekenden wilde hij niet werken en één dag in de week wil hij thuis zijn bij zijn zeven maanden oude dochter, en dan nog de va- kantiedagen eraf. Dan kom je dus op 175 verschil- lende banen uit. Op 12 april is hij begonnen. Tot en met mei zit hij al ‘vol geboekt ’. Veld- man: ‘Heel ambitieus. Ik merk nu al dat het zwaar is, er zijn zo veel

5

35

10

40

15

45

20

50

25

55

31

hoofdstuk 1  Werk, studie en vrije tijd

Hij kijkt uit naar zijn volgende banen. ‘Ik mag meelopen met een stuntman. Ook in de lachtherapeut heb ik zin. En ik ga mee met een boswachter in Flevoland.’ Toch zal hij ook banen doen die hij minder ziet zitten. ‘Ik heb twee linkerhan- den, dus technische banen liggen mij niet zo.’ Maar daar gaat het hem niet om. ‘Mensen moeten gedreven over hun vak kunnen ver- tellen. Ik hoor het meteen als dat niet zo is. Dan houd ik het voor ge- zien. Niet elke baan is mijn droom- baan, maar het moet wel iemands droombaan zijn.’ Naar: Het Parool , 27 april 2011

nieuwe indrukken . Wat ik vooral leuk vind? Al die verschillende manieren waarop mensen hun droombaan beleven en de redenen waarom ze iets een droombaan vinden.’ Hij heeft nu al iets ontdekt: ‘Zodra mensen hun ei erin kwijt kunnen, is het hun droombaan.’ De meeste banen heeft hij tot nu toe zelf gevonden of via vrienden. ‘Mensen zijn enthousiast als ze het horen. Iedereen lijkt wel iemand te kennen die een droombaan heeft.’ Maar soms vraagt hij mensen ook zelf, zoals zijn oud-docent Neder- lands.

60

80

65

85

70

90

75

Opdracht 16

Beantwoord de volgende vragen.

1 Wat wil Joost Veldman doen? 2 Welke banen heeft hij gedaan, of gaat hij nog doen? 3 Waarom doet hij dit project? 4 Verdient het goed?

5 Waarom werkt hij maar 175 dagen? 6 Wanneer is een baan een droombaan?

Vocabulaire

dromen (titel) 1 Dit is precies de baan die ik altijd wilde. Alles is perfect aan deze baan. Van zo’n baan droomde ik al in mijn jeugd. Het is echt mijn droombaan. 2 Ik had een gekke droom vannacht toen ik sliep. Ik droomde dat mijn katten konden praten met mij en dat we samen grapjes maakten. voldoening, de (r. 5) Als je hard werkt om iets te bereiken en het resultaat is goed, geeft dat voldoe- ning.

32

Werk, studie en vrije tijd  hoofdstuk 1

netjes (r. 8) 1 De ouders van Marlena kwamen op bezoek. Marlena zorgde daarom dat haar huis heel netjes was. 2 Als je een uitnodiging krijgt, moet je laten weten of je komt of niet. Helemaal niet reageren is niet netjes. uitmaken (r. 11) 1 Het maakt niet uit wanneer ik vakantie neem. Ik heb geen kinderen op school en mijn partner kan zijn vakanties ook zelf kiezen. Elke periode is goed voor mij. 2 De docenten mogen niet kiezen in welke groepen de studenten komen. Dat maakt het hoofd van de afdeling uit. Zij zegt in welke groepen de studenten komen. althans (r. 23) Kaspar spreekt heel goed Frans. Althans, dat zegt hij. Volgende week gaan we samen naar Parijs, dan zie ik wel of het klopt. reden, de (r. 25) In die baan kon ik maar maximaal twee weken vakantie opnemen in de maanden juli en augustus. Dat was voor mij een reden om een andere baan te zoeken. bijdragen aan ( droeg bij , bijgedragen ) (r. 27) Volgende week gaan we met mensen uit onze straat het parkje bij onze straat schoonmaken. Zo dragen we bij aan een schone stad. ontdekken (r. 29) Ik heb een leuk restaurantje ontdekt, in de buurt achter het station. Het is er niet druk en hartstikke gezellig. Het is daar al jaren, maar ik was er nog nooit geweest. drijven ( dreef , gedreven ) (r. 30) 1 Als je een bal in het water gooit, dan blijft hij drijven. Als je een steen in het water gooit, dan blijft hij niet drijven. Hij zinkt. 2 Hij besteedt elke dag vijf uur aan zijn sporttraining. Wat drijft iemand om dat te doen? Wat is zijn motivatie om dat te doen? Je moet dan wel heel gedreven zijn. wereld, de (r. 28) ‘Hoeveel mensen wonen er eigenlijk op de wereld?’ ‘Ik geloof zeven miljard.’

33

hoofdstuk 1  Werk, studie en vrije tijd

vervolgens (r. 30) Ik zal je vertellen hoe de espressomachine werkt. Dan zal ik eerst espresso maken. Kijk goed hoe ik het doe. Vervolgens probeer jij het zelf een keer. overbrengen ( op ) ( bracht over , overgebracht ) (r. 31) Muziek is een internationale taal, je kunt er vrolijk van worden, het is leuk om samen met anderen muziek te maken. Die positieve dingen wil ik overbrengen op anderen, op kinderen en volwassenen. doel, het (r. 33) 1 We lopen vijf kilometer hard en we zoeken sponsors, die ons één euro per kilometer willen geven. Het geld is niet voor onszelf maar voor een goed doel: koppelen ( aan ) (r. 34) Voor deze opdracht werken we in groepjes van twee. De docent koppelt iedere student aan een student uit de andere groep. De docent maakt dus de groepjes. stage, de (r. 38) In het tweede jaar van je studie loop je vier maanden stage. Je leert dan wat je kunt doen met je studie in een baan. Dan weet je ook of je dit werk leuk vindt. vergoeding, de (r. 38-39) Lex moet voor zijn werk verhuizen naar een andere stad. Dat is natuurlijk erg duur, maar gelukkig krijgt hij van het werk een vergoeding. Het werk betaalt de kosten van de verhuizing. inkomen, het (r. 43) Je inkomen moet minimaal € 1500,- per maand zijn als je dit huis wilt huren. De eigenaar wil er zeker van zijn dat je de huur kunt betalen. boeken (r. 57) Ik probeerde nog een hotelkamer via internet te boeken, maar alle hotels van de stad waren al volgeboekt. Ik denk dat we naar een andere stad moeten gaan. speelgoed voor een kinderziekenhuis in Roemenië. 2 Het doel van deze opdracht is dat je woorden leert.

merken (r. 58) Je kunt wel merken dat het herfst wordt. Het is ’s morgens nu echt koud.

indruk, de (r. 60) – indruk maken op 1 Ik heb de indruk dat je me niet begrijpt. Je kijkt zo vreemd.

34

Werk, studie en vrije tijd  hoofdstuk 1

2 Vorig jaar heb ik drie maanden als vrijwilliger in een opvangcentrum voor die- ren gewerkt. Dat heeft veel indruk op me gemaakt.

beleven (r. 63) Hoe heb je je eerste weken in Nederland beleefd? Hoe was dat?

uitkijken naar ( keek uit , uitgekeken ) (r. 77) Ik vind elke vakantie leuk, maar ik kijk echt uit naar de vakantie van deze zomer: een rondreis door Mexico. Iedereen zegt dat het zo mooi is. Ik heb er heel veel zin in.

Opdracht 17 Welk vervolg van de zin past goed?

1 Werken met dieren én met kinderen, a daarvan heb ik altijd gedroomd. b dat heb ik ontdekt.

2 Ik wil de komende jaren heel veel reizen, want a ik krijg een vergoeding. b ik wil veel van de wereld zien. 3 Liefde is het belangrijkst voor de meeste mensen. a Dat maakt niet uit. b Dat brengt deze film over.

4 Ik heb deze week heel veel gewerkt, dus a ik kijk uit naar het weekend. b ik koppel mijn werk aan mijn hobby.

5 Ze zeggen dat Nederlanders niet gemakkelijk contact maken, maar a die indruk heb ik niet. b dat is een goede reden.

Opdracht 18

Vul een woord uit de lijst in.

1 Wat is belangrijker voor jou, een goed of een spannen- de baan?

35

hoofdstuk 1  Werk, studie en vrije tijd

2 We testen de medicijnen in een laboratorium en testen we ze bij mensen. 3 In deze baan heb je veel contact met klanten. Je kleding moet dus zijn. 4 In dat deel van het land kun je gemakkelijk een baan vinden, dat heb ik gehoord. 5 Ik heb die dag als één groot avontuur. Er gebeurden zo veel leuke en gekke dingen! 6 Kun je uitleggen waarom je dit werk doet? Wat jou? 7 We wilden voor het feest graag deze discjockey hebben, maar hij was jammer genoeg al voor de hele maand . 8 Het van deze training is dat je ziet welke beroepen bij je passen. 9 Het werk als verpleegkundige in een ambulance is zwaar, maar het geeft veel . Je helpt mensen direct en snel. 10 Tijdens mijn in de apotheek leerde ik veel over medicij- nen. 11 Ik niet dat Anna al naar huis was gegaan. Het was zo druk op het feest, ik kon toch niet zien wie er precies waren en wie niet? 12 Hij heeft beloofd dat hij ons ophaalt met de auto, maar hij kwam niet. En hij heeft niet gebeld om dat te zeggen. Dat is toch niet !

Opdracht 19 Werk in tweetallen. Reageer met het woord tussen haakjes.

1 Heb jij veel variatie in je werk? ( beleven ) 2 Waar wil jij werken en waar absoluut niet? ( wereld ) 3 Wil je in een team werken, of liever alleen? ( uitmaken ) 4 Op mijn eerste autorijles mocht ik nog niet zelf rijden, alleen kijken. ( doel ) 5 Een studie aan de universiteit duurt vier of vijf jaar. ( stage ) 6 Ik heb vanmiddag een belangrijk gesprek. Zie ik er goed uit? ( netjes ) 7 Je gaat toch met het vliegtuig op vakantie? Heb je gereserveerd? ( boeken ) 8 Krijgen alle studenten geld om te studeren? ( inkomen ) 9 Staat er een fout in deze tekst? Heb jij een fout gezien? ( ontdekken ) 10 Heb je zin in de komende vakantie? ( uitkijken naar ) 11 Heb je slecht geslapen? ( dromen )

36

Werk, studie en vrije tijd  hoofdstuk 1

12 Ik ben gestopt met voetballen want ik vond de conditietraining niet leuk. ( reden ) 13 Dus jullie gaan uit met de hele groep? Wat gaan jullie doen? ( vervolgens ) 14 Chantal heeft jarenlang gewerkt als zangeres in musicals. ( merken ) 15 Tijdens mijn studie werkte ik ook op mijn stageplaats. ( vergoeding ) 16 In dit project werken twee mensen samen. Hoe maak je de combinaties? ( koppelen )

Opdracht 20

Praat in twee- of drietallen.

Wat is voor jou een droombaan? Waarom? Wat is voor jou absoluut geen droombaan? Waarom niet?

Probeer de volgende zinnen te gebruiken: Ik kan mijn ei erin kwijt. Ik heb er zin in.

Dat zie ik niet zitten. Dat ligt mij niet zo. Daar gaat het mij niet om. Dan houd ik het voor gezien.

Indirecte rede

Joost Veldman zegt: ‘Ik ben geen echte secretaresse.’ Joost Veldman zegt dat hij geen echte secretaresse is. Hij denkt dat het nu al heel ambitieus is. Hij zegt dat hij iets heeft ontdekt. De interviewer vraagt aan Alice: ‘Ben je een goede student?’ De interviewer vraagt aan Alice of ze een goede student is. Hij vraagt of zij nog andere hobby’s heeft. Hij vraagt of zij het studentenleven leuk vindt. De interviewer vraagt aan Mark: ‘ Wat vind je zo leuk aan je werk?’ De interviewer vraagt aan Mark wat hij zo leuk aan zijn werk vindt. Hij vraagt hoe hij aan zijn werk is gekomen. Hij vraagt hoeveel geld hij verdient.

37

hoofdstuk 1  Werk, studie en vrije tijd

Vragen Kijk naar de voorbeelden op bladzijde 37. Wanneer gebruik je dat , of of een vraagwoord? Wat is de plaats van de persoonsvorm?

Opdracht 21 Zet de zinnen in de indirecte rede.

1 Het gaat deze keer goed.

Mark denkt

2 Het studentenleven is leuk.

Alice vindt

3 Is er nieuws?

Ze vraagt

38

Made with FlippingBook - professional solution for displaying marketing and sales documents online