István Bejczy - Een kennismaking met de Nederlandse geschiedenis

EEN KENNISMAKING MET DE

N

G EDERLANDSE

ESCHIEDENIS

N

István Bejczy

Eenkennismakingmet deNederlandse geschiedenis

IstvánBejczy

c u i t g e v e r ij

c ou t i n ho

bussum2010

©2010Uitgeverij Coutinhob.v. Alle rechten voorbehouden.

Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingenmag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, inenigevormof openigewijze,hetzij elektronisch,mecha- nisch, door fotokopieën, opnamen, of op enige anderemanier, zon- der voorafgaande schriftelijke toestemming vande uitgever. Voor zover het maken van reprografische verveelvoudigingen uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16 h Auteurswet 1912dientmendedaarvoorwettelijkverschuldigdevergoedingen te voldoen aanStichtingReprorecht (Postbus3051,2130 KBHoofd- dorp,www.reprorecht.nl).Voorhetovernemenvan (een)gedeelte(n) uit deze uitgave inbloemlezingen, readers en andere compilatiewer- ken (artikel 16Auteurswet 1912) kanmen zichwenden tot Stich- tingPRO (StichtingPublicatie- enReproductierechtenOrganisatie, Postbus 3060, 2130KBHoofddorp,www.cedar.nl/pro).

Uitgeverij Coutinho Postbus 333 1400AH Bussum info@coutinho.nl www.coutinho.nl

Omslag: StudioPietjePrecies | bno,Hilversum Afbeelding omslag: Paul Gabriël, Watermolen in de polder ‘De LeidscheDam’ (1884).DordrechtsMuseum,Dordrecht. Noot vande uitgever Wij hebben allemoeite gedaanom rechthebbenden van copyright te achterhalen.Personenof instanties die aanspraakmakenopbepaal- de rechten, wordt vriendelijk verzocht contact op te nemenmet de uitgever.

ISBN 9789046901830 NUR 688

Voorbericht

E

en kennismaking met de Nederlandse geschiedenis wil een hand- zaam en beknopt overzicht bieden van hetNederlandse verle- den vanaf de oudste tijden tot heden, afgestemd op beginnende studenten in het hoger onderwijs.Uiteraard kan een dergelijk boek weinig meer aanreiken dan elementaire kennis, maar dat is ook de bedoeling. De student vindt er snel zijn weg in en de docent kan desgewenst zorgen voor verdieping van de stof door middel van aanvullende literatuur enbronnen. De opzet van het boek is chronologisch. De hoofdstukken besprekende zevenopeenvolgendeperiodenwaarindeNederlandse geschiedenis ten behoeve van dit boek is verdeeld. Onvermijdelijk bevat deze verdeling een element vanwillekeur, endat andere verde- lingenmogelijkwaren geweest, spreekt vanzelf.Minder goed bruik- baar is de verdeling van de geschiedenis in tien tijdvakken die in Nederland in het lager enmiddelbaar onderwijs wordt gehanteerd, omdat deze is afgestemd op de wereldgeschiedenis en voor de Nederlandse geschiedenis niet altijd klopt. Zo eindigt volgens deze verdeling ‘de tijd van jagers enboeren’ in500 v.Chr. enbegint daarna ‘de tijd vanGrieken enRomeinen’.Niettemin isduidelijkdatNeder- landgeen tijdvanGriekenheeft gekendendatdeRomeinse tijdhier niet in 500 v.Chr. begon, maar kort voor het begin van de jaartel- ling. De concentratie van het boek op de Nederlandse geschiedenis heeft eveneens iets willekeurigs, aangezienNederland als staatkun- dige eenheid pas sinds de zestiende eeuw bestaat. Spreken van de Nederlandse geschiedenis in de voorafgaande tijdheeft daarom iets vreemds.Niettemin is dit boekook voor deoudere tijden gericht op het gebied dat nu Nederland heet. Voor de Bourgondisch-Habs- burgse tijdenvoorde regeerperiodevankoningWillem Izijnookde zuidelijke Nederlanden in het verhaal betrokken. Bovendien geeft het boek aandacht aande overzeese gebiedenwaarNederland vanaf de zeventiende eeuw gezag heeft uitgeoefend, hetzij van regerings- wege, hetzij via de handelscompagnieënwaaraan de verovering van hetwereldruimwas toevertrouwd. Sinds 2009 geldt de ‘canon vanNederland’ als richtlijn voor het onderwijs in geschiedenis en aanverwante vakken tot het veertiende jaar.De canon is, andersdande verdeling vandegeschiedenis in tien

tijdvakken,wel opdeNederlandsegeschiedenis afgestemd.Ditboek houdt daarom rekeningmet de canon.Alle vijftig onderwerpen van de canon komen in het verhaal aan bod. Dit is dan ook de reden waarom het eerste hoofdstuk begint in de prehistorie.Weliswaar is de prehistorie niet het eigenlijke terrein van de historicus, maar de canon vanNederland begintmet de steentijd en daarom gebeurt in dit boekhetzelfde. Het is niet de bedoeling geweest over elke periode uit deNeder- landse geschiedenis evenveel te vertellen. Evenmin is steevast de regel gevolgd dat het verhaal gedetailleerder dient te worden naar- mate het heden dichter wordt genaderd. De oudste tijden worden behandeld in vogelvlucht, terwijl de laatste zes eeuwen uitgebreider aandacht krijgen.Naar verhouding zijn de zeventiende en de twin- tigste eeuw het uitvoerigst besproken, omdat deze in het historisch bewustzijn– en tevens inde canon vanNederland– eenbijzondere plaats innemen: de zeventiende eeuw als bloeitijd van de Neder- landsemacht, rijkdom enbeschaving, de twintigste eeuw als opmaat naar de samenleving van vandaag. Graagbetuig ikmijndank aandeuitgever,NynkeCoutinho, die mij het voorstel deed dit boek te schrijven en alle benodigde steun heeft verleend.Voorts ben ik dank verschuldigd aanNicoLettinck, die alle hoofdstukken heeft gelezen en van commentaar heeft voor- zien, en aanAnnaMeens, RobMeens, Edwin vanMeerkerk,Theo van Lint en Truusje van Tol voor hun opmerkingen bij sommige hoofdstukkenof passages inhet bijzonder.

IstvánBejczy Nijmegen, zomer 2009

Inhoud

1 Prehistorie, oudheid en vroegemiddeleeuwen

11

Prehistorie

11 12 14 15 15 19 21 23 23 24 25 28 30 31 31 33 35 37 37 40 44 46 46 49 51 53 53 55 57 58 61 61 62 65 67 43

Jonge steentijd, ca. 5300-ca. 2000 v.Chr. Bronstijd en ijzertijd, ca. 2000-ca. 50 v.Chr.

Romeinse tijd

De Romeinse bezetting

Romanisering

Economie

Merovingische tijd

Overgang naar demiddeleeuwen? HetMerovingische rijk Bestuur, economie en recht

Kerstening

Friezen en Saksen Karolingische tijd

HetKarolingische rijk

DeVikingen

Karolingische beschaving Tiende en elfde eeuw

Nederland onder deDuitse koningen

Kerk en cultuur

2 Landsheerlijke tijd

De vorming vande landsheerlijkheden De ontwikkeling vanhet staatsbestuur Professionalisering en decentralisatie

Statenvergaderingen

Partijtwisten

Steden, handel ennijverheid

De steden

De stedelijke economie

De commercialisering van de landbouw De internationale handelseconomie en deHanze

Kerk en religie

De kerkelijke orde

Kloosters en religieuze gemeenschappen

Geleerdheid en literatuur

Gotiek

3

Bourgondisch-Habsburgse tijd

71

DeBourgondischemachtsuitbreiding indeLageLanden DeHabsburgsemachtsuitbreiding indeLageLanden

72 75 78 78 80 81 82 86 89 89 91 94 94 96 98

Opweg naar een eenheidsstaat Centralisering onder de Bourgondiërs Centralisering onder deHabsburgers

Willem vanOranje

Filips II enhet voorspel tot deNederlandseOpstand

Hollandswelvaren Kerk en religie

Het religieuze leven tot de reformatie Reformatorische stromingen

Het culturele leven

Geleerdheid Literatuur

Beeldende kunst

4 Opstand enGoudenEeuw

101

DeOpstandonderWillem vanOranje De eenzame strijd tegenAlva, 1568-1572 De veralgemening van deOpstand, 1572-1576 Naar een deling tussen noord en zuid, 1577-1584 De stille geboorte vandeRepubliek Leicester,Maurits enOldenbarnevelt Het staatsbestel van de Republiek Oorlog, bestandstwisten ennogmaals oorlog De oorlog onderMaurits enOldenbarnevelt, 1588-1609 Het Twaalfjarig Bestand, 1609-1621 Oorlog en vrede, 1621-1648 DeRepubliekmet en zonder stadhouders 120 Willem II en het Eerste StadhouderlozeTijdperk, 1648-1672 120 Stadhouder-koningWillem III, 1672-1702 123 Bevolking, landbouw ennijverheid 124 Nederland als handelsmacht 128 Amsterdam als handelsmetropool 128 DeVOC 130 DeWIC 132 Nederland als zeemacht 135 Een calvinistische republiek? 137 Geleerdheid 140 Literatuur enkunst 143 Nederlandse literatuur 143 Schilderkunst 145 Overige kunsten 147 102 102 104 106 108 108 110 113 113 114 119

5 Pruikentijd enBataafs-Franse tijd

151

DeNederlandseRepubliek inde achttiende eeuw Het Tweede StadhouderlozeTijdperk, 1702-1747 Nederland onder de erfstadhouders, 1747-1795

152 152 154 158 164 164 169 172 175 175 177 178 182 182 184 186 188 192 192 194 195 197 197 198 200 200 203 204 207 207 208 211 212 216 216 217 181

DeBataafs-Franse tijd Een economie in verval De binnenlandse economie Overzeese handel en koloniën De verlichting inNederland Kerkelijk leven en vrijmetselarij

De kerken

De vrijmetselarij Literatuur enkunst

6

Nederland van1813 tot 1919

De constitutionelemonarchie, 1813-1848

Naar eenVerenigdKoninkrijk derNederlanden, 1813-1815

KoningWillem I, 1815-1840 Willem II en de grondwet van 1848 De parlementaire democratie, 1848-1919 Socialisme en sociale bewegingen Parlementair en revolutionair socialisme

De vakbeweging Het feminisme

Kerkelijk leven

Hervormden en gereformeerden

De katholieken

Demodernisering vande economie

Industrialisering

Handel, steden en bevolking Mobiliteit en communicatie Het buitenland ende koloniën

Neutraliteit en vrede Nederlands-Indië

West-Indië

Literatuur

Beeldende kunst

Schilderkunst Bouwkunst

7

Nederland van1919 tot 2009

219

Nederland tussendewereldoorlogen

219 219 222 222 224 224 226 228 230 230 232 234 234 234 236 237 241 241 243 245 246 246 247 249 249 251 252 255 257 261 263

Politieke verhoudingen Voortgaande verzuiling

De crisisjaren

DeTweedeWereldoorlog

De oorlog De bezetting

De jodenvervolging HerrijzendNederland

Zuivering, mislukte doorbraak enwederopbouw

Indië verloren

Suriname en deNederlandseAntillen Kunst en cultuur, 1919-1960

Beeldende kunst

Literatuur

De jaren zestig

Politiekna de jaren zestig

Van linkse bevlogenheid naar de triomf van de vrijemarkt

Kenteringen in het politieke landschap De depolitisering van de overheid De overzeese rijksdelen enhet buitenland De laatste resten tropischNederland

Nederland en het buitenland

DeNederlandse samenleving na de jaren zestig

Bevolking Onderwijs Economie

Mobiliteit en communicatie

Literatuur en kunst

Bibliografischehandreiking

Illustratieverantwoording

Appendix 266 LandsherenvanBrabant,GelreenHolland, ca.1100-1581/98 266 Soeverein vorst vandeNederlandennamens deStaten-Generaal, 1581-1583 268 Landvoogden vandeNederlanden, 1517/22-1598 268 Stadhouders vandeNoord-Nederlandse gewesten, 1433-1795 268 Nederlandse staatshoofden sinds 1805 271 Registers Onderwerpen vande canon vanNederland 272 Persoonsnamen 273 Geografische namen 280 Zaken enbegrippen 284

11

Prehistorie 1 Prehistorie, oudheid en vroegemiddeleeuwen

(ca. 5300 v.Chr.-ca. 1100)

D

eprehistorie isniethet eigenlijkewerkterreinvandehistoricus. De geschiedschrijving baseert zich in eerste instantie op geschrevendocumenten.Metdeprehistoriewordende tijdenaange- duidwaaruit geen geschreven documenten zijn overgeleverd. Infor- matie over deze tijden kan alleenworden verkregen door de studie van materiële overblijfselen, zoals organische resten of sporen van menselijkewerkzaamheden.Voor deze studie bestaan afzonderlijke wetenschappen,met name de paleontologie ende archeologie.Toch moet in dit boek ook over deNederlandse prehistorie iets worden gezegd.De behandeling ervan is nietteminbeknopt gehouden. Voor het gebied dat nu Nederland heet, beschikken we over geschrevendocumenten vanaf de eerste eeuw voorChristus, toende Romeinen tot onze strekendoordrongen.Uit deRomeinse tijd zijn documenten echter schaars en uit de eerste eeuwen daarna zelfs zo zeldzaam dat men van een terugval in de prehistorie kan spreken. Vanaf de achtste eeuw is de overlevering regelmatig te noemen.Het verhaal vandeNederlandse geschiedenis begint pas danwerkelijk te lopen, waarbij moet worden aangetekend dat er nog geen Neder- landse staat of samenleving bestond.Nederlandwas een onderdeel vanhet Frankische rijk en zijnnegende-eeuwse opvolgers.Daarbin- nen bestond geen politieke of kerkelijke gezagskring die overeen- kwammet het huidige Nederlandse grondgebied. De geschiedenis vanNederland tot de twaalfde eeuw kan dan ook geen verhaal zijn over de ontwikkeling van deNederlandse samenleving,maar alleen een betrekkelijk incompleet verslag van wederwaardigheden in de delta vanMaas enRijn. Prehistorie De prehistoriewordt ingedeeldnaar dematerialenwaaruit demens zijnbelangrijkstegebruiksvoorwerpen samenstelde.VoorNederland onderscheidenweachtereenvolgensde steentijd (tot2000v.Chr.),de bronstijd (2000-800 v.Chr.) en de ijzertijd (800-50 v.Chr.). Dat de ‘oermens’ rondliepmet eenhouten knots, is eenhardnekkigmisver- stand: er bestaat geen enkele aanwijzing voor.

12

1 ◆Prehistorie, oudheid envroegemiddeleeuwen

Jonge steentijd, ca. 5300-ca. 2000 v.Chr. De oudste sporen vanmenselijke aanwezigheid inNederland date- ren van250.000 v.Chr.BijMaastrichtmoet toen een groep jagers in eenkamphebben verbleven.Maar zeker is datNederland sindsdien niet onafgebroken bevolkt kan zijn geweest, omdat verscheidene ijstijden (de laatste eindigdeomstreeks 13.000 v.Chr.) het land tien- duizenden jaren lang onbewoonbaarmaakten. Met enige zekerheid kan worden aangenomen dat Nederland permanent bewoond is vanaf ongeveer5300 v.Chr.,het begin vande jonge steentijd (neolithicum) die wordt gekenmerkt door de intro- ductie van de landbouw en de veeteelt. Omstreeks die tijd leefde ‘Trijntje’, de naam die is gegeven aan de draagster vanhet oudste in Nederland gevonden skelet, opgegraven bij Hardinxveld-Giessen- dam.Trijntjewasmogelijk verwantmet de Swifterbantcultuur, een volk van jagers en verzamelaars waarvan het centrum in Flevoland enOverijssel lag.Pasomstreeks4500 v.Chr. gingdeSwifterbantcul- tuur geleidelijk en op kleine schaal over op landbouw en veeteelt. Maar al vanaf 5300 v.Chr.werden landbouw en veeteelt stelselmatig bedreven in zuidelijkLimburg, bij de ‘Nederlandse’ vertegenwoordi- gers vandebandkeramische cultuur die zichover een groot deel van noordwestelijkEuropa uitstrekte.

Afbeelding1.1 Maquette van een lang- huis uit de bandkerami- sche cultuur. Prehistori- sche huizen uit later tij- den zijnminder lang, maar verschillenweinig in constructie.

De introductie van de landbouw bracht een revolutie in de leefge- woonten teweeg.Demens verkreeg immers zijn voedsel niet (alleen) meer door te jagen en te verzamelen,maar was in staat zelf voedsel voort te brengen enmoest door zijn gebondenheid aande grondhet nomadische bestaan opgeven.Verspreid over Zuid-Limburg woon- den de bandkeramiekers dan ook in nederzettingen die uit zo’n tien langwerpigehuizenmet gemiddeldzes bewoners bestonden en soms waren omgevendoor eenwal, afrastering of gracht.De belangrijkste verbouwde gewassen waren eenkoorn, emmertarwe, erwten, linzen en vlas.Als veewerden, behalve inheemse runderen en varkens, ook geiten en schapen gehouden, die door de bandkeramiekers moeten

13

Prehistorie

zijn ingevoerd.Verderwerdenhondengebruiktalswaak-en jachtdie- ren. De bandkeramiekers beheersten bovendien de kunst van het pottenbakken envanhetweven,metnamevan linnen,misschienook al van wol (de bewoners vanNederland gingen dus niet tot aan de komst van de Romeinen in dierenhuiden gekleed). Doden werden door de bandkeramiekers in grafvelden begraven en kregen giften mee.Mogelijkwijst dit op een geloof in levenna de dood,maar over de prehistorische religie kanniets zinnigsworden gezegd. De bandkeramische cultuur werd in Zuid-Limburg omstreeks 4900 v.Chr. door andere landbouwculturen opgevolgd.Tegen 3800 v.Chr. beleefdehet gebied eennieuwe primeur, toende oudste vuur- steenmijnen van Europa er in gebruikwerden genomen. In de dui- zend jaardievolgden,werduitdezemijnenzo’n tienduizendkubieke meter vuursteen gewonnen. DeSwifterbantcultuur vloeideachtereenvolgensover inde trech- terbekercultuur (ca. 3400 v.Chr.), de standvoetbekercultuur (ca. 2850-2400 v.Chr.) en de klokbekercultuur (ca. 2600-2000 v.Chr.), drie landbouwculturen die vernoemd zijn naar hun aardewerk. De trechterbekercultuur strekte zich ook overNoord-Duitsland, Polen enScandinaviëuit.De trechterbekermensenwoonden in landbouw- nederzettingen die twintig tot dertig bewoners telden. Runderen, door de bandkeramiekers gehouden om hunmelk, vlees en huiden, werdennuook als trekdieren gebruikt.Bovendienwerd een eenvou- digeploeggeïntroduceerd:het eergetouw,datdegrond scheurtmaar niet keert.Mogelijk is ookhet wiel reeds bekend geweest.Het oud- ste inNederland gevondenwiel dateert van2600 v.Chr.,maar bij de trechterbekercultuur in Duitsland was het eeuwen daarvoor al in gebruik. Het trechterbekervolk is vooral bekend vanwegedehunebedden, waarvanernog tweeënvijftig inDrenthe staanen twee inGroningen. Hunebedden zijn gemeenschappelijke grafheuvels, opgetrokken uit zwerfkeien, bedektmet aarde en voorzien van eenbodembedekking van kleine stenen. Het gaat niet om een typisch Nederlands ver- schijnsel. Hunebedden komen ook in Noord-Duitsland en Dene- marken voor, terwijl vergelijkbare grafheuvels (dolmens) tot inPor- tugal worden gevonden. De Nederlandse hunebedden werden gebouwd tussen 3400 en 3200 v.Chr., maar bleven nog ruim drie eeuwen daarna in gebruik. De doden kregen giften mee: voedsel, aardewerk en gereedschap, in sommige gevallenook sieraden.Zeker is dat niet alle doden inde hunebeddenwerdenbijgezet. De standvoetbeker- en de klokbekerculturen begroeven hun doden afzonderlijk, in grafheuvels of vlakgraven. Ten tijde van de klokbekercultuur, die zich over een groot deel vanEuropa verbreid- de, maakte Nederland voor het eerst kennis met het gebruik van metaal. Uit Centraal-Europa werden koperen voorwerpen inge- voerd, die soms zelfswerdenbewerkt: bij Lunterenmoet eenkoper­ smid hebben geleefd.Verder raakte het wiel in gebruik enwerd het paard geïntroduceerd.

Afbeelding1.2 De grootste bewaard gebleven hunebedruïne vanNederland, bij het Drentse Borger, 22½ meter lang.

Afbeelding1.3 Het hunebed ‘De papelo- ze kerk’ bij het Drentse Schoonoord is gedeeltelijk gereconstrueerd. De meesteNederlandse hunebedden liggen in oostwestelijke richting en hebben hun ingang aan de zuidkant.

14

1 ◆Prehistorie, oudheid envroegemiddeleeuwen

Bronstijd en ijzertijd, ca. 2000–ca. 50 v.Chr. Omstreeks 2000 v.Chr. verschenende eerste bronzen voorwerpen in Nederland.Brons is een legering vankoper en tin, die geen vanbeide inNederlandworden aangetroffen. Steen bleef dan ook naast brons in gebruik. Niettemin is bekend dat her en der (in Drenthe in de negendeeeuwv.Chr., inLimburgeeneeuw later)bronswerdgegoten. De teruggevonden bronzen voorwerpen bestaan voor een belangrijk deel uit sieraden.Zelfs sommigezwaardenkunnenniet voorde strijd zijnbedoeld, aangezien er geen scherpe rand aan is geslepen; zemoe- ten als statussymbolenof sacrale voorwerpen zijn gebruikt. Vanaf 1800 v.Chr. drong langzaamde gewoonte door dodenniet langer te begraven maar te cremeren. De overgebleven as werd in urnenof doekengedaandie ingrafheuveltjeswerdenbegraven.Vanaf 1200 v.Chr. werden overal in Nederland urnenvelden aangelegd. Niettemin zijn uit de brons- en ijzertijd grote aantallen lijken terug- gevonden in venen,meestal opplaatsenwaar ook veel bronzen voor- werpenwerden aangetroffen.Aangenomenwordt dat zowel demen- senalsdevoorwerpenalsoffergaven inhet veenzijngeworpen, al kan het bij demensenook gaanomde voltrekking vandoodstraffen. Tegen800 v.Chr. dronghet gebruik van ijzer inNederlanddoor. IJzerertswas hierwel in ruimemate voorhanden en ijzersmederijen ontstonden overal. Brons bleef voor siervoorwerpen in gebruik; vanaf de tweede eeuw v.Chr.werdenbovendien siervoorwerpen ver- vaardigd van gekleurd glas. Uit de ijzertijd zijn enkele grote graven bekendwaarin rijke giften zijn teruggevonden,waaronder zwaarden enpaardentuig.Op grondhiervanwordt veronderstelddat zich van de boerenbevolking een klasse van gewapende ruiters heeft afge- scheidendiehet inelkgeval inoorlogstijdvoorhetzeggenhad.Deze klasse lijkt na 250 v.Chr. weer te zijn verdwenen. In elk geval zijn rijke graven uit later tijd niet meer bekend en verdween ook het gebruik vanurnen. Een groot gedeelte vanWest-Europa werd in de late ijzertijd bewoond door de Kelten. Nederland lag aan de rand van het Kel- tisch gebied en heeft zeker geen dominante Keltische invloeden ondergaan. Zo begroeven de Kelten hun doden, maar bleef in Nederland crematiegebruikelijk.Evenminzijn inNederland sporen gevonden vanburchtenof stedelijkenederzettingen zoals diewel bij deKeltenbekendwaren. Vanaf 700v.Chr. raaktendekweldergebieden inhetnoordenvan Nederland bevolkt.Op zandwallen bij de kust werdenheuvels aan- gelegd, in Friesland terpen en inGroningenwierden genoemd, die hoog uitstaken boven het gebied dat bij vloed onder water liep.Op de terpenwerden dorpen gebouwd en kleine akkers aangelegd, ter- wijl op het omliggende gebied vee graasde dat bij vloedmoest wor- den binnengehaald. De Romeinse schrijver Plinius de Oudere, die omstreeks het jaar 50 als legerofficier het noorden vanNederland bezocht, begreep niet waarommensen die een zo armzalig bestaan leidden, van slavernij sprakenwanneer ze door Rome werden over- wonnen.

15

Romeinse tijd

Afbeelding1.4 Bronzen grafemmer en de uitgestalde inhoud daarvan, teruggevonden in het ‘vorstengraf’ bij Oss (625 v.Chr.). Het opvallendste voorwerp is het kromgebogen ijzeren zwaardwaarvan het gevest is ingelegdmet goud. Ook zijn paarden- bitten en resten van paardentuig te zien. Onderzoek van de cre- matierestenwees uit dat de overledene zeer wel- doorvoedmoet zijn geweest.

Romeinse tijd

De Romeinse bezetting De Romeinse veldheer Gaius Julius Caesar veroverde tussen 58 en 52v.Chr.heelGallië,waardoordenoordgrens vanhetRomeinse rijk vanaf 57v.Chr.bij deRijnkwam te liggen.Caesarmaakteeenonder- scheid tussendeKelten ten zuiden vandeRijn endeGermanen ten noorden en oosten daarvan, maar rekende de noordelijke Galliërs (deBelgen) tochook totde laatsten.Overigens veranderdedebevol- king van zuidelijkNederland door toedoen vanCaesar van samen- stelling.De opstandige Belgische stam van de Eburonenwerd door Caesargoeddeelsuitgeroeid. InhunplaatswerdenGermaanse stam- men in zuidelijk Nederland gevestigd. Zo streek een deel van de Germaanse stam van de Chatten op uitnodiging van de Romeinen in het Gelderse rivierengebied en het oosten van Noord-Brabant neer, waar zij zich vermengden met de plaatselijke bevolking en Bataven gingen heten.Waarschijnlijk zijn zij eerder te paard geko- men dan in uitgeholde boomstammen de Rijn afzakkend, zoals de legendewil doen geloven. NoordelijkGallië kreeg onder keizerAugustus (r. 27 v.Chr.-14) een civiel bestuur. De Gallische provincies werden verdeeld in civi- tates ,waarbinnen éénplaats tot hoofdstadwerd aangewezen ennaar Romeinsmodelwerdopgetrokken. InNederlandkregendeBataven omstreeks 10 v.Chr. zo’n stad:OppidumBatavorum (Nijmegen), al woonden hier vooral Romeinen, onder wie veel veteranen. Ook de Frisiavonesdie inZeelandenwestelijkNoord-Brabant leefden,had- den een hoofdstad (Ganuenta), die misschien bij Noord-Beveland lagmaardoordezee is verzwolgen.Hetbestuur vande civitates werd overgelaten aande inheemse elite, aanwiedeRomeinenburgerrecht verleenden. Romeins burgerrecht kon bovendienworden verkregen door inhet leger te dienen. OnderAugustusondernamendeRomeinenpogingenhet gebied tussendeRijn endeElbe in te lijven.DeRomeinse veldheerDrusus maakte daartoe in 12 v.Chr. de Friezen tot Romeinse bondgenoten,

Rijksmuseumvan Oudheden,Leiden.

16

1 ◆Prehistorie, oudheid envroegemiddeleeuwen

castellum castellum (hypothetisch) stad castra

vlootbasis heirbanen

23

1

2

4

3

ForumHadriani (Voorburg)

5

6 7 8 9 10 11

Kanaal vanCorbulo

14

Helinium

15 1617 18 19

26

12 13

Waal

20

27

UlpiaNoviomagus (Nijmegen)

Rijn

21

Castra Noviomagus

ColoniaUlpia Traiana (Xanten)

24

Maas

22

25

CastraVetera

1 Lugdunum (Katwijk- Brittenberg 2 PraetoriumAgrippinae (Valkenburg) 3 Valkenburg-Marktveld 4 Matilo 5 Albaniana (Alphen aan denRijn) 6 NigrumPullum (Zwammerdam) 7 Bodegraven 8 Laurum (Woerden) 9 Vleuten-DeMeern 10 Traiectum (Utrecht)

11 Fectio (Vechten) 12 Levefanum (Rijswijk) 13 Mannaricium (Maurik) 14 Amerongen 15 Carvo (Kesteren) 16 Randwijk 17 Driel 18 CastraHerculis (Arnhem-Meinerswijk) 19 Loowaard 20 Carvium (Herwen) 21 Harenatium (Rindern) 22 Burginatium (Kalkar) 23 Flevum (Velsen) (tot 47)

24 Grinnes (Rossum) 25 Ceuclum (Cuijk) 26 Helinio (Oostvoorne) 27 Goedereede-Oude wereld

Kaart 1 De limes inNederland. De loop van de rivieren en de kustlijn is hypothetisch. De lig- ging van sommige castella staat evenmin onomstotelijk vast.

17

Romeinse tijd

maar dezen kwamen in het jaar 28met succes in opstand. Omdat ook de overige Romeinse expedities inGermaans gebied geen blij- vend succes hadden, besloot keizer Claudius in 47 dat de Rijn de definitieve noordgrens van het rijk zou zijn. Langs deRijnwerd op gemiddeld elke zes en een halve kilometer een castellum (fort) gebouwd om troepen te legeren. In Nederland moeten er twintig hebben gestaan. De naam voor deze verdedigingslinie is de limes (Latijn voor grens). Op grotere afstand van elkaar richtten de Romeinen langs de limes legerkampen inwaar een heel legioen kon verblijven. Daarvan stond er in Nederland één, bij Nijmegen, omstreeks 15 v.Chr. aangelegd. Veel Bataven dienden in het Romeinse leger enwerden zelfs zo gewaardeerd dat de keizerlijke lijfwacht voor een belangrijk deel uit Bataven ging bestaan.Niettemin ontketenden de Bataven in 69 een opstandonder aanvoeringvan JuliusCivilis,diezichverbondmetde stamverwante Cananefaten aan de Zuid-Hollandse kust onder lei- ding van Brinno. De opstand sloeg over op een aantal andere Ger- maanse enGallische stammen langs deRijn enwerdpas na een jaar bedwongen.Vanaf de zestiende eeuw zou de BataafseOpstand een grote rol gaan spelen inde verbeelding, als voorafschaduwing vande NederlandseOpstand tegenFilips II. Na de BataafseOpstand trad een lange periode in van politieke rust.DeRomeinsegebiedenaandebenedenloopvandeRijnwerden in 89 tot een afzonderlijke provincie gemaakt, Germania Inferior, met Colonia Agrippinensium (Keulen) als hoofdstad. Oppidum Batavorum was in de laatste fase van de opstand door Civilis in brand gestoken, maar de Bataven kregen een nieuwe hoofdstad, vanaf 104 Ulpia Noviomagus geheten. Het antieke Nijmegen was naar oppervlakte (veertig hectare) de grootste Romeinse stad in Nederland ennaar bevolkingsaantal waarschijnlijk eveneens.Moge- lijk woonden er in de tweede eeuw vierduizend mensen. Een veel kleinere nederzetting van Cananefaten in het huidige Voorburg werddoorkeizerHadrianus tot stamhoofdstadverheven tijdenszijn bezoek aan onze streken in 120 en 121. De stad heette vanaf toen ForumHadriani.De totale aantallenBataven enCananefatenwor- den voor de tweede eeuw geschat op tegende vijftig-, respectievelijk twintigduizend. Landinwaarts ontstonden in de eerste eeuw nog enkeleandere steden,waarvandebelangrijksteMaastricht enCorio- vallum (Heerlen) zijn, beide gelegen aan deRomeinse heirbaan van Boulogne naarKeulen. In212werdhetRomeinseburgerrecht aan alle vrije ingezetenen vanhet rijk toegekend.Menmaghierin een teken ziendat depacifi- cering vande provincies inRomeinse ogenwas voltooid.Niettemin liephet Romeins gezag spoedig daarna gevoelige klappen op.Vanaf het midden van de derde eeuw stond het Romeinse rijk in toene- mendemate bloot aan invallen vanGermaanse stammen (de ‘volks- verhuizingen’). De Germanen dieNederland binnenvielen, worden in de bronnen aangeduid als Franken.Daarbij gaat het niet om één

18

1 ◆Prehistorie, oudheid envroegemiddeleeuwen

bepaald volk,maar om een coalitie van vrijeGermanen (‘frank’ bete- kent ‘vrij’) waarbij zich hoogstwaarschijnlijk ook de stammen aan- slotendie innoordelijkNederland leefden.Omstreeks 270werdde Rijngrens feitelijk opgegeven en de bewoners vanRomeinsNeder- land trokken in groten getale naar het zuiden.Nijmegen,Voorburg enHeerlen hielden op te bestaan. InNijmegen stond in de vierde eeuwweliswaar eennederzetting,maarnietopdeplaats vandeoude stad. De bewoners waren vermoedelijk Franken die er zich als Romeinse bondgenoten hadden gevestigd. Zeker is dat in de loop van de vierde eeuw ten zuiden van de grote rivieren steeds meer Frankenneerstreken,doordeRomeinennoodgedwongen toegelaten op voorwaardedat zij het rijk tegennieuwe aanvallen zouden verde- digen. Doordat de Franken de dominante bevolkingsgroep werden en hun taal behielden, schoof de Germaans-Romaanse taalgrens naar het zuiden op, ongeveer totwaar ze nu ligt, langs het tracé van de heirbaan vanBoulogne naarKeulen. Slechts Maastricht kan bogen op continue bewoning sinds de Romeinse tijd. Inde vierde eeuwwerd inde stad een castellum aan- gelegdwaarinde bevolking zich terugtrok.OokServatius, bisschop vanTongeren, zocht er volgens de overlevering zijn toevlucht.Hij is de eerste christen die in Nederland wordt genoemd. In 313 had keizer Constantijn de Grote, die sterk tot het christendom neigde, een volledige godsdienstvrijheid afgekondigd, waarna het christen- dom begunstigd werd en ook in noordelijk Europa doordrong. De eerste kerk vanMaastricht, de huidigeOnze-Lieve-Vrouwebasiliek, is waarschijnlijk de oudste vanNederland.De tweedewas de kapel diewerdopgetrokkenbovenhet graf vanServatius,devoorlopervan deSint-Servaasbasiliek. In de vroege vijfde eeuw stortte hetWest-Romeinse rijk (sinds 285 van het Oost-Romeinse rijk gescheiden) op alle fronten in. In 406 stakengrotegroepenVandalen,SuevenenAlamannenbijMainz de Rijn over, weldra gevolgd door de Bourgondiërs.DeAlamannen endeBourgondiërsbezettenoostelijkGallië,deSueven enVandalen het Iberisch schiereiland.DeVisigothen, alsRomeinsebondgenoten opdeBalkangevestigd,vielen in408 Italiëbinnen,plunderdenRome in410 en streken in418 inAquitaniëneer.Vandaaruit verdrevenzij de Vandalen uit het Iberisch schiereiland, die overstaken naar Noord-Afrika endaar in435deRomeinseprovincies innamen.Ver- volgens bezettendeVandalendeBalearen,Corsica, Sardinië enSici- lië en in455plunderdenzij ophunbeurtRome. Italiëwas inmiddels bezetdoordeHunnen,die in450Galliëwarenbinnengetrokken.De laatsteWest-Romeinse keizerwerd in476 afgezet. In deze toestand van verwarring hadden de Franken weinig moeite hunmacht uit te breiden. Chlodio, eenFrankische aanvoer- der diemisschienuitTongeren kwam, bezette tegen430het gebied rondomDoornik en Kamerijk, dat samen met het reeds door de Franken bewoonde deel vanNederland enBelgië de staat ging vor- mendiewe kennen als hetMerovingische rijk.

19

Romeinse tijd

Afbeelding1.5 Maquette van het dub- bele castellum van Maastricht. Natuurhistorisch Museum,Maastricht.

Romanisering DeRomeinsebezettingvanzuidelijkNederland luiddeeenproces in van romanisering. Hiermee wordt bedoeld dat de bevolking de Romeinse beschaving min of meer overnam en een ‘provinciaal- Romeinse’ samenleving ontstond. In het geheel van de Romeinse cultuur speelde deze samenleving geen grote rol. Literaire werken van geromaniseerde Nederlanders zijn niet bekend. Voor zover Nederlanders inRome een reputatie genoten,was het omhunmili- taire verdiensten. De bekendsteNederlanders uit de Romeinse tijd warendanook legeraanvoerders: JuliusCivilis,Brinno enPostumus, een vermoedelijk in de buurt van Tilburg geboren generaal die in 260 door zijnmanschappen tot keizer werd uitgeroepen en tot zijn dood in269Gallië inzijngreephad,zonderdathij ooitheeftdurven opmarcheren naar Rome waar de eigenlijke keizer rustig bleef zit- ten. Niettemin drukte de Romeinse beschaving haar stempel op de samenleving. Zuidelijk Nederland kreeg een Romeinse infrastruc- tuur. Eennieuw verschijnsel was de stad.DeRomeinse stedenhad- den een ruitvormig patroonmet twee hoofdstraten.Op de kruising daarvan bevond zich het forumwaar markt werd gehouden en een raadhuis en tempels stonden, zowel voorRomeinseals voor inheem- se goden, die niet zeldenmet elkaar werden vereenzelvigd. Boven- dien bezaten de steden eenwaterleiding, een riolering, een badhuis waaraan dikwijls een sportschool en een bibliotheekwaren verbon- den, en een theater.Het legerkampbijNijmegen isde enigeplaats in Nederlandwaar een amfitheater is teruggevonden, dat plaats bood aan vijf- tot zesduizend toeschouwers. Ookophet plattelanddrongdeRomeinsebeschavingdoor.Bui- tende stedenwerdeneveneens tempelsopgetrokken.Verderbeston- den er, naast inheemse plattelandsnederzettingen, grote Romeinse herenboerderijen. Bij het Zuid-LimburgseVoerendaal bijvoorbeeld stond een villa rustica die in de vroege tweede eeuw zijn grootste omvang bereikte, met woongebouwen, een badhuis, stallen, opslag- ruimten en bedrijfsgebouwen, geometrisch aangelegd en voorzien van zuilengalerijen.Het hoofdgebouwhad zelfs vloerverwarming en wasmet fresco’s beschilderd. Bovendien legdendeRomeinen gepla- veide heirbanen aan langs de limes en langs deMaas, terwijl die tus- sen Boulogne en Keulen door Zuid-Limburg leidde. Ten slotte

Afbeelding1.6 De ‘Tilburgse’ keizer Postumus, afgebeeld op eenmuntstuk van twee sestertiën, in 261 gesla- gen in Keulen.

20

1 ◆Prehistorie, oudheid envroegemiddeleeuwen

voerdendeRomeinende eerstewaterstaatkundigewerkenuit.Dru- sus liet omstreeks 12 v.Chr. een dam bouwen op de plaats waar de Rijn zich splitst, zodat minder water in deWaal ging vloeien en meer indeRijndie de rijksgrens vormde (deDrususdamwerd dan ookdoorCivilis vernieldnadatdezezichaanhet eindvandeBataaf- seOpstand indeBetuwe had teruggetrokken).Bovendien lietDru- sus verscheidene grachten graven, waaronder deDrususgracht tus- sen Arnhem en Doesburg die de Rijn met de IJssel verbindt. Omstreeks het jaar 47 werden in Zuid-Holland de Rijn en de NieuweMaas verbondendoor eenkanaal, gegraven inopdracht van de veldheer Corbulo. Ten slotte werden bruggen aangelegd op ste- nen pijlers, over deWaal bij Nijmegen en over deMaas bij Maas- tricht enCuijk.De brug vanMaastricht bleef ruim duizend jaar in gebruik en zoupas in1275 instorten. De lijst van verdere technische vernieuwingen die de Romeinen invoerden, is te lang om op te sommen.Te denken valt ondermeer aan de klauwhamer, de winkelhaak, het schietlood, de waterpas en dedraaischijf voor aardewerk.Verder voerdendeRomeinennieuwe gewassen in, zoals tarwe, rogge, de wijndruif, de walnoot, de abri- koos, de peer, de pruim en de kastanje; nieuwe kruiden, zoals dille en koriander; en zelfs tot dan toe inNederland onbekende dieren, zoals de kat, de kip, het konijn ende ezel. De inheemse gedachtewereld vande volkendie onderRomeinse invloedkwamen, blijft grotendeels een geslotenboek.Aanwijzingen dat de bekendste drie goden uit de Noordse mythologie (de heer- sersgodWodan, de oorlogsgod Donar en de vruchtbaarheidsgod Freyr) in Romeins Nederland werden vereerd, zijn er niet. Van diverse inheemse godheden zijn weliswaar namen bekend, maar naar hun betekenis blijft het meestal gissen. Duidelijk is dat de godin Nehalennia, vereerd van Zeeland tot Keulen, schippers beschermde.DeBataafsegodMagusanuswerd inde vereringgelijk- gesteld aanHercules – tempels bij Elst in de Betuwe en bij Lith en Empel in Noord-Brabant waren aan Hercules/Magusanus gewijd – zodat Magusanus voor de Bataven waarschijnlijk een rolmodel van heldendom vertegenwoordigde en misschien ook gold als beschermer van het vee. Verder maken Romeinse auteurs dikwijls melding vanheiligewouden, zodatmagworden aangenomendat de inheemse bevolking boomheiligdommen kende.Aande godenwer- den offers gebracht als landbouwproducten, kleinvee enwapens. In ruil hiervoorwerdengunstenverwacht.Werdenbelangrijkegunsten bewilligd,danwerdenvotiefstenenaandegodengeschonken: stenen tafelsmet eenbeeltenis en een ingehouwendankwoord. Vande geloofswereld vandeFrankenwetenwe nog veelminder. Sporen van de verering vanWodan enDonar zijn er evenmin.Wel lijkt voordeheersersfamilie vandeMerovingende vruchtbaarheids- god Ing, diemen aan Freyr mag gelijkstellen, in de vijfde eeuw een rol vanbelang te hebben gespeeld.

Afbeelding1.7 Votiefsteen voorNeha- lennia (tweede of derde eeuw), 91 bij 50 centi- meter, vervaardigd voor eenKeulse zouthande- laar en gevonden bij Noord-Beveland. RijksmuseumvanOud­ heden,Leiden.

21

Romeinse tijd

Economie De economie van Romeins Nederland werd beheerst door de aan- wezigheid van een leger dat gevoedmoestworden.Graanwas,waar het verbouwd kon worden, het belangrijkste product en het leger was de grootste afnemer. De landbouwactiviteitenwerden dan ook uitgebreid ten tijde vandeRomeinse bezetting. InZeeland, dat nog een aaneengesloten landstreekwas, werd daartoe het achter de dui- nen gelegen veengebied ontgonnen. Sloten zorgden voor de afwate- ring.Maar hierdoor klonk de bodem langzaam in, zodat de zee bij overstromingenblijvende schadekon aanrichten.DatZeeland vanaf de vierde eeuw in een eilandenrijk veranderde, is dan ookmede een gevolg vandeRomeinse bezetting. Ontginningen,de invoervannieuwegewassen,dierenen technie- ken (de keerploeg, de kersenteelt) en een rationeel beheer van de grond verhoogden de landbouwproductiviteit. Niettemin bracht zuidelijkNederlandbij langenaniet genoeg voedsel voort om zowel het leger als de inheemse bevolking te voeden.Graanmoestworden ingevoerd uit zuidelijker streken en uit Romeins Brittannië, vee soms zelfs vanbuitenhetRomeinse rijk.Ookambachtelijkeproduc- tenkwamendikwijls van elders.DeNederlandse steden, herenboer- derijen en het Nijmeegse legerkamp hadden hun eigen industrieën en inZuid-Limburg begon in de Romeinse tijd demergelwinning, maar de metaalnijverheid inGermania Inferior concentreerde zich aan de Maas en de Samber in België, de glasindustrie in Keulen. Olijfolie en luxeproducten als verfijnd beeldhouwwerk en sieraden moestenvannogverderwordengehaald.Het grootsteambachtelijke bedrijf uit Romeins Nederland was de aardewerkfabriek vanHol- deurn bij Nijmegen, een militaire onderneming die vooral leverde aan de plaatselijkemarkt. Een en ander betekent wel dat een leven- dige handel bestond. De kooplui waren dikwijls uit andere streken afkomstig,maar ookde namen van enkele inheemse handelaars zijn bekend. Hoedanook is zuidelijkNederlanddoordeRomeinsebezetting verrijkt.De aan de Rijn gestationeerde troepen gaven namelijk veel meer gelduit dande schaarsebevolking aanbelastingopbracht.Nij- megen, de grootste stad van het land, was economisch zelfs geheel afhankelijk van het nabije legerkamp. In hoeverre ook het noorden vanNederland profiteerde van deRomeinse aanwezigheid, is onze- ker.Enigehandel tussendeFriezenendeRomeinsegarnizoenenaan Afbeelding1.8 Reconstructietekening van de tempel bij Elst, een van de groot- ste tempels die benoorden deAlpen is teruggevonden. De tem- pel had een oppervlak van 23 bij 30meter enwas 17meter hoog. Hij werd na de BataafseOpstand gebouwd enwas ver- moedelijk gewijd aanHercules/Magusanus. Zowel Bataven als Romeinen brachten er offers.

22

1 ◆Prehistorie, oudheid envroegemiddeleeuwen

deRijnmoet erwel zijngeweest.Maarde talrijkeRomeinsemunten en voorwerpendie inNoord-Nederlandzijnopgegraven, lijkendaar voor een deel pas in de vroege middeleeuwen te zijn terechtgeko- men. De bezetting van zuidelijk Nederland door de Franken bracht een scherpe economische terugval teweeg. Landbouw en ambachte- lijke productie werden kleinschalig – zo lijken de Franken niet in staat te zijn geweest de Romeinse herenboerderijen met succes te exploiteren– ende langeafstandshandel viel grotendeelsweg.

Afbeelding1.9 Olielampje afkomstig uit de aardewerkfa- briek vanHoldeurn (ca. 70-105). Op het lampje is de gevleugel- de godinVictoria afge- beeld, staande op een wereldbol enmet een krans in haar rechter- en een palmtak in haar linkerhand. De lampjes werden alleen in steden, herenboerde- rijen en het leger gebruikt. De olijfolie waarmee ze werden gevuld, was een duur importproduct. RijksmuseumvanOud- heden,Leiden.

23

Merovingische tijd

Merovingische tijd

Overgang naar demiddeleeuwen? Gewoonlijk leggen historici de aanvang van demiddeleeuwen in de vijfde eeuw, toen hetWest-Romeinse rijk onder druk van de volks- verhuizingen bezweek.Maar wat veranderde er inNederland in de vijfde eeuw? Feitelijk zeer weinig. Sinds de late derde eeuw had de Romeinsebeschaving al opgehouden eenoverwegende invloeduit te oefenen. Inde vierde eeuwwerdhet zuiden vanNederland voorna- melijkdoorFrankenbewoondenhandhaafdealleenMaastricht zich als bolwerk van Romeinse en christelijke beschaving. In de vijfde eeuw was de situatie weinig anders. Zelfs nadat de laatsteWest- Romeinse keizer was afgezet, beschouwden de Franken zich als Romeinse bongenoten. In Constantinopel zetelde immers nog de Oost-Romeinsekeizer,aanwiehetgezagoverdewestelijke rijkshelft weer was toegevallen. Toen de keizer in 507 aan deMerovingische heerserClovis de titel van consul aanbood, aanvaarddeClovis deze. Hiermee werd een toestand bestendigd die voor het zuiden van Nederland al een kleine twee eeuwenbestond: de Frankenmaakten de dienst uit namens hetRomeinse oppergezag. Watwel veranderdewasdatdeFrankenzelf eenprocesvan roma- nisering ondergingen. In het Gallische gebied dat de Franken in de vijfde eeuw innamen, was de geromaniseerde bevolking in demeer- derheid.Om indit gebiedhet gezag tekunnenuitoefenen,haddende Frankischeheersersmedewerkingnodig vandeplaatselijke elites die, behalve geromaniseerd, ook christelijk waren, want in 380 was het christendom staatsgodsdienst geworden in hetWest-Romeinse rijk. De Franken pasten zich aan deze elites aan door het Latijn als bestuurstaal aan te nemen en zich te bekeren tot het christendom. Cloviswas, in496 of enkele jaren later, de eersteGermaanse koning die zich katholiek liet dopen (sommige andere Germaanse heersers hingenhet arianisme aan, dat deZoonniet als een vande goddelijke personen beschouwt, een leer die in 325 was verworpen). Ironisch genoeg nam hierdoor de romanisering vanNederland, die in de late oudheidwas teruggelopen, indevroegemiddeleeuwen juist toe.Door hun veroveringen werden de Franken zelfs de voornaamste dragers vandeRomeinse beschaving inWest-Europa, eenproces dat culmi- neerde inde keizerkroning vanKarel deGrote in800.

Afbeelding1.10 De doop vanClovis door bisschopRemigius van Reims, afgebeeld op een ivoren reliëf uit de negende eeuw. KoninginClothilde, eenBourgondische chris- tin die Clovis tot zijn doop zou hebben bewogen, ziet toe. MuséedePicardie,Amiens.

24

1 ◆Prehistorie, oudheid envroegemiddeleeuwen

HetMerovingische rijk Clovis, in 481 tot koning van de Franken uitgeroepen, breidde het Merovingische rijk sterk uit, zowel in zuidelijke als in oostelijke richting. In 486 versloeg hij bij Soissons een leger dat inMidden- GalliëhetRomeinsegezagbewaakte,waarnahetFrankischemachts- gebied zich binnen enkele jaren uitstrekte tot aan de Loire. In 496 wonhij de slagbijZülpich (diede aanleiding voor zijnbekering zou zijngeweest)waardoorhij zichmeesterkonmakenvanhet zuidwes- ten van Duitsland. Ten slotte voegde hij in de vroege zesde eeuw Aquitaniëaanzijn rijk toe.Onder zijnzoons gingendeveroveringen nog verder,waardoorhetFrankische rijk veruit degrootste staat van West-Europawerd. Een bijzonderheid van het Frankische koningschap is dat het vererfbaar was, terwijl bij de andereGermaanse volkeren de konin- genwerdengekozen.Maarbij deFrankenhaddenwel allezoons van de koning recht opde erfenis.Was ermeer dan één zoon, danwerd het rijk verdeeld; stierven deze zoons kinderloos, dan kondenweer rijksdelen worden samengevoegd. Dagobert (r. 629-639) was de laatste Merovingische koning die over het hele rijk regeerde. Het Frankische deel vanNederland– dat ten gevolge van oorlogenmet de Friezen afwisselend groter en kleiner werd – behoorde tot het deelrijkAustrasië. In dit gebied trokken de hofmeiers (de hoofden van de koninklijke huishouding) vanaf de zevende eeuw de macht naar zich toe. Ook hun ambt werd vererfd, zodat de hofmeiers, afkomstig uit de buurt van Luik, een dynastie van feitelijkemacht- hebbers gingen vormen. DeAustrasische hofmeier Pepijn II vanHerstal werd eveneens hofmeier van het aangrenzende Frankische deelrijk Neustrië en noemde zich vorst vandeFranken.Voor deNederlandse geschiede- nis ishij vooral vanbelangomdat hij omstreeks 690hetmidden van het land op de Friezen heroverde en aan deAngelsaksischemissio- narisWillibrordde kerstening vanhet gebied toevertrouwde.Nade dood vanPepijn in714werdhet gebiedweer door de Friezen inge- nomen, maar zijn zoon Karel Martel herstelde er het Frankische gezag en versloeg in 734 de Friezen bij de slag aan de Boorne (ver- moedelijk bij Irnsum), waarna het noorden vanNederland tot aan de Lauwers bij het Frankische rijk werd gevoegd. Twee jaar eerder hadKarel bij Poitiers demoslims verslagen, die vanuit het door hen bezette Spanje naar het noorden waren opgetrokken. Had Karel deze slag verloren, danwas het Frankische rijkwellicht een islami- tisch land geworden. Karels zoon Pepijn III de Korte zette in 751 met instemming vande paus de laatsteMerovingische koning af en liet zichdoor de bisschop van Soissons tot koning van de Franken zalven.Hij werd daarmeede eersteKarolingischekoning vanhetFrankische rijk.Tot in de tiende eeuw zouden de Karolingen inWest-Europa blijven regeren.

25

Merovingische tijd

gebied van deSalischeFranken (4e eeuw) uitbreiding tot aanClovis’ troonsbestijging (482) veroverddoor Clovis, 486-509 veroverddoor Clovis’ zoons, 531-555

E Z E N

I

F R

Londen

S A K S E N

Utrecht

Tongeren

Maastricht

Doornik Kamerijk

Keulen

Rijn Metz R IP U A R ISC H E F RAN K EN Zülpich 506 496 Mainz

THÜRINGEN

531

486 S Y A G R I U S

486

Soissons

BRITTEN

R I J K V A N

Parijs

Reims

491-498

Orléans

A L E M A N N I Ë

496

536

BEIEREN

555

A Q U I T A N I Ë

BOURGOND I Ë

Salzburg

507-509

523-536

RHAETIË

537

Bordeaux

Lyon

GASCOGNE

531-532

I T A L I Ë

PROVENCE

Ravenna

537

Marseille Narbonne

N

V I S I GOTH I SCH R I J K

500 km

100

400

300

0

200

Rome

Kaart 2 Het Frankische rijk onder Clovis en zijn zoons.

Bestuur, economie en recht Het Frankische rijk was verdeeld in gouwen, waarin een graaf namens de koning het bestuur uitoefende, de rechtbank voorzat, de koninklijke domeinen beheerde, belastingen inde (vooral indirecte belastingen als tollen) en inoorlogstijd een leger samensteldedat hij zelf aanvoerde. Graven waren derhalve koninklijke ambtenaren, meestal gekozen uit de plaatselijke grondbezitters. Naast hen ver- trouwde de koning op de bisschoppen als vertegenwoordigers van zijn gezag. De koning (en later de hofmeier) benoemde dan ook dikwijls de bisschoppen in plaats van hen door de plaatselijke geloofsgemeenschap te laten verkiezen.DatWillibrordbisschop van de Friezen moest worden en niet een van zijn volgelingen, is door Pepijn vanHerstal beslist.

26

1 ◆Prehistorie, oudheid envroegemiddeleeuwen

Dokkum

F R I E Z E N

Medemblik

Ipswich

Londen

Hamwich

Utrecht

S A K S E N

Dorestad

Domburg

Quentovic Terwaan

Doornik

Maastricht

THÜRINGEN

Kamerijk

Fulda

Rijn

Saint-Denis

BRETAGNE

A U S T R A S I Ë

Mainz

Reims

Parijs

Metz

N E U S T R I Ë

A L E M A N N I Ë

BEIEREN

732

Luxeuil

Poitiers

Sankt-Gallen

725

Salzburg

RHAETIË

BOURGONDIË

Chur

Lyon

Bordeaux

A Q U I T A N I Ë

LONGOBARDISCH RIJK

Pavia

ASTURIË

Bobbio

PROVENCE

Ravenna

Narbonne

Marseille

N

I S L A M I T I S C H R I J K

100

0

200 km

veroveringstochten vandemoslims (teruggeslagen) onvolledigonderworpen gebied

Op economisch gebied lijkt de achteruitgang die in de derde eeuw was ingezet, vanaf de zevende eeuw te zijn gekeerd. Aangenomen wordt dat de landbouwproductiviteit weer toenam. De keerploeg, waarvan het gebruik tijdelijk lijkt te zijn verdwenen, werd heringe- voerd en de uitvinding van het haam (een houten halsjuk) in de achtste eeuwmaaktehetmogelijknaast ossenookpaarden,die snel- ler enwendbaarder zijn, als trekdieren te benutten. Bovendien ont- wikkelde zich een langeafstandshandel rondom de Noordzee, geconcentreerd in een nieuw type nederzetting: het emporium , een onversterkte havenplaats waar waren werden in- en uitgevoerd, tol en aanleggeldwerden geheven en somsmuntslag plaatsvond.Dore- stad was het belangrijkste emporium inNederland, daarnaast kun-

Kaart 3 Het Frankische rijk ten tijde vanKarelMartel.

27

Merovingische tijd

Afbeelding1.11 Schip (achtste eeuw?), mogelijk van het type waarmee de Friezen zee- handel bedreven.Het schip is bijna 18meter lang, demaximale breed- te is 4meter; het laad- vermogen is acht ton. Misschien had het schip een klein zeil, maar roei- ersmoeten de belangrijk- ste aandrijvers zijn geweest. CentraalMuseum, Utrecht.

nenWalichrum (bijDomburg) enMedemblikwordengenoemd.De Noordzeehandel werddoor Friese kooplui gedomineerd. Opmerkelijk is dediversiteit vanhet recht inhet Frankische rijk. InhetRomeinse rijk goldhetRomeins recht, eenuitgebreid en ver- fijnd stelsel van vooral civielrechtelijke bepalingen. Maar de Ger- maanse stammen kendenhun eigen rechtsgewoonten.Clovis liet de rechtsgewoonten van de Franken in de vroege zesde eeuw opteke- nen: de Lex Salica (Salische wet). De Salische Franken (levend ten westen vandeMaas)moesten volgens dit rechtwordenbeoordeeld, zelfs buitenhun stamgebied.Maar ook golddeSalischewet voor de geromaniseerde Galliërs binnen het Salische gebied, zij het in aan- vulling ophetRomeins recht. Evenals de wetten van andere Germaanse stammen bestond de Salischewet vooral uit opsommingenvanmisdrijven enhetbijbeho- rendeweergeld– boeteswaarmee vrijwel alle zaken, zelfsmoorden, werden afgehandeld. De hoogte van het weergeld was afhankelijk vande status vanhet slachtoffer.Eenmisdrijf tegendekoningkostte het meest, een misdrijf tegen een halfvrije het minst (een misdrijf tegen een slaaf gold als het benadelen van de eigenaar). Ook werd een Romein die een Frank benadeelde, zwaarder beboet dan een FrankdieeenRomeinbenadeelde.Om schuldvast te stellen,beston- den twee procedures.De aangeklaagde kon, bijgestaandoor eedhel- pers, zweren op zijn onschuld.Maar ook kon een godsoordeel wor- denopgelegd.De oudste vorm is deheetwaterproef.De aangeklaag- de moest dan een voorwerp oppakken uit kokend water.Was zijn hand na drie dagen vrij van blaren, danwas zijn onschuld bewezen. Voor slaven golden andere regels. Zij werden ofwel onderworpen aan tortuur (evenals inhetRomeins recht!), ofwel aan een godsoor- deel waarbij de schuldvraag door loting werd beslecht. Priesters

Made with