Hans van der Heijde, Luuk Kampman en Klaas Bruin - Culturele diversiteit in de klas

1  Verkenning

door of geblokkeerd met in- en uitvoerbelastingen, beperkende visumverplich- tingen en verblijfs- en arbeidsvergunningen. Elke burger van een eu-lidstaat mag zich vestigen in elke andere eu-lidstaat en heeft daar geen speciale arbeidsver- gunning nodig om te kunnen werken. Nederlanders kunnen zich overal in de eu vestigen en daar werken en doen dat ook, net zoals burgers uit andere eu-lid- staten in Nederland werken en zich hier vestigen. Zo wonen en werken naar schatting zo’n 40.000 Duitsers in Nederland; iets meer Nederlanders doen dat in Duitsland. Migratie sluit immigratie en emigratie in. Beide doen zich voor in Nederland. In dit boek gaat het vooral om immigratie en de sociaal-culturele en andere ver- anderingen die daarvan het gevolg zijn, plus de problemen en knelpunten die deze met zich meebrengen, in het bijzonder in het onderwijs. Die problemen en knelpunten maken overheidsbeleid noodzakelijk. Hierbij moeten de doelgroe- pen van dat beleid zorgvuldig worden onderscheiden. Nadat eerder het begrip ‘culturele minderheden’ als beleidsterm werd gehan- teerd, werden begin jaren tachtig op voorspraak van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (wrr) de aanduidingen ‘allochtonen’ ( allos (Grieks) = andere; chtoon = wereld; ‘van een andere wereld’ dus) en ‘autochtonen’ ( autos = zelf; ‘van de eigen wereld’) geïntroduceerd (wrr, 1989). De wrr hoopte en veronderstelde dat de negatieve connotaties die verbonden waren geraakt aan het begrip ‘culturele minderheden’ (samen te vatten als ‘rare mensen met hier te lande ongewenste gewoonten die profiteren van de Nederlandse welvaart’) niet ook aan deze moeilijke woorden zouden gaan plakken. Die hoop is even naïef als ongerechtvaardigd gebleken. Terwijl de aanduidingen ‘allochtoon’ en ‘autochtoon’ ingeburgerd raakten, bleek het noodzakelijk daarbinnen nog nadere onderscheidingen te maken. Zo is een in Nederland gevestigde Duitser welbeschouwd een allochtoon, maar niet een ‘niet-westerse allochtoon’. Op die laatste groep richt het overheidsbeleid zich als het over allochtonen gaat. Vreemde woorden als ‘allochtoon’ en ‘autochtoon’ leiden nogal eens tot misverstanden. Zo meende ooit een student dat allochto- nen uit het land Allochtonistan komen en dat daar Allochtoons wordt gesproken (helaas weten we niet of hij dan ook dacht dat Nederland in het Allochtoons als Autochtonië wordt aangeduid …). De wrr kwam ook met criteria over het aantal generaties dat nog binnen de aanduiding ‘allochtoon’ valt. Dat zijn de eerste generatie (de feitelijke immigran- ten dus), de tweede generatie (hun in Nederland geboren kinderen) en de derde generatie (de kinderen van die kinderen), maar die laatste alleen indien die zich nog in sterke mate identificeren met het land en de cultuur van hun grootou-

1.5 Begrippen en aanduidingen

27

Made with