Hans van der Heijde, Luuk Kampman en Klaas Bruin - Culturele diversiteit in de klas

Mohammed

Nevel

Ruben Bjorn Fatima

Sara

Fajah

Jayden

Lieke

Lynn

Hannah

Bent

Tim Sem Aziz

Pieter

Li-Chun

Suzanne

David

Culturele diversiteit in de klas

Hans van der Heijde Luuk Kampman Klaas Bruin

Culturele diversiteit in de klas

‘Understanding that other people are different is one of the bases of civilization.’ William Empson, Milton’s God

Culturele diversiteit in de klas

Hans van der Heijde, Luuk Kampman en Klaas Bruin

Zesde, herziene druk

c u i t g e v e r ij

c o u t i n h o

bussum 2016

© 1995/2016 Uitgeverij Coutinho bv Alle rechten voorbehouden.

Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbe- stand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mecha- nisch, door fotokopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande schrif- telijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van reprografische verveelvoudigingen uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16h Auteurswet 1912 dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130 KB Hoofddorp, www.reprorecht.nl). Voor het overnemen van (een) gedeelte(n) uit deze uitgave in bloem- lezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie, Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.stichting-pro.nl).

Eerste druk 1995 Zesde, herziene druk 2016

Uitgeverij Coutinho Postbus 333 1400 AH Bussum info@coutinho.nl www.coutinho.nl

Omslag: Pietje Precies | bno, Hilversum

Noot van de uitgever Wij hebben alle moeite gedaan om rechthebbenden van copyright te achterhalen. Personen of instanties die aanspraak maken op bepaalde rechten, wordt vriendelijk verzocht contact op te nemen met de uitgever. De personen op de foto’s komen niet in de tekst voor en hebben geen relatie met hetgeen in de tekst wordt beschreven.

ISBN 978 90 469 0503 6 NUR 841

Voorwoord bij de zesde, geheel herziene druk

De eerste druk van dit boek verscheen in 1995, onder de titel Intercultureel on- derwijs in de praktijk . Nu, eenentwintig jaar later, beleeft het een zesde druk. Die is in zo veel opzichten anders dan voorgaande drukken dat voor een nieuwe titel is gekozen: Culturele diversiteit in de klas . Nederland is veranderd, het denken over de multiculturele samenleving is veranderd, en het Nederlandse onderwijs is veranderd. Al die veranderingen hebben hun weerslag gehad op de inhoud, omdat we ons steeds hebben gericht op het onderwijs van nu en van de naaste toekomst. Demografische en andere gegevens over de Nederlandse samenleving zijn ge- actualiseerd (met dank aan met name het cbs en het scp). Het hoofdstuk over onderwijsbeleid met betrekking tot intercultureel onderwijs is gesneuveld, omdat het zelfs in geactualiseerde vorm voornamelijk geschiedschrijving bleek te wor- den. Natuurlijk is ook zulke geschiedschrijving belangrijk, maar die eist een ander boek. Wat nog rest aan relevant beleid is ondergebracht in andere hoofdstukken. In theoretisch opzicht is dit boek nog steeds vrijwel hetzelfde als dat van 1995, want er mag dan veel veranderd zijn, veel blijft ook hetzelfde. De hoofd- stukken die handelen over het zuiver omgaan met verschillen en overeenkom- sten tussen (groepen) mensen en die gebaseerd zijn op inzichten ontleend aan de sociale wetenschappen – met name de sociale psychologie, de sociologie en de culturele antropologie – zijn weliswaar verbeterd waar we dat nodig achtten, maar verschillen als het om hun strekking gaat niet van die van eenentwintig jaar geleden. Eén verandering mag hier niet ongenoemd blijven. In plaats van twee staan er nu drie auteursnamen op de omslag: Hans van der Heijde, Luuk Kampman en Klaas Bruin. Klaas Bruin, inmiddels gepensioneerd, zag af van deelname aan het herzien en schrijven van teksten voor deze zesde druk. Luuk Kampman, antro- poloog en lerarenopleider, nam zijn plaats in. Ten slotte het volgende: sommige gebruikers van eerdere drukken, studenten en docenten van pabo’s en lerarenopleidingen, hebben de moeite genomen hun ideeën en suggesties voor verbeteringen aan ons kenbaar te maken. Daar zijn we hun zeer erkentelijk voor, zij het dat we niet alle suggesties konden of wilden overnemen. Hans van der Heijde, najaar 2015

Inhoud

Inleiding 11

Deel 1 De Nederlandse samenleving en culturele diversiteit 15

1 Verkenning 17

1.1 Inleiding 17 1.2 De migratiegeschiedenis van Nederland in vogelvlucht 17 1.3 De twintigste eeuw 20 1.4 Vluchtelingen en asielzoekers 25 1.5 Begrippen en aanduidingen 27 1.6 Problemen en knelpunten 30 1.7 Onderwijs 31 2 De Nederlandse multiculturele samenleving anno nu 33 2.1 Inleiding 33 2.2 16,9 miljoen mensen 33 2.3 Nogmaals vluchtelingen en asielzoekers 35 2.4 Immigranten, maar voor hoelang? 38 2.5 Inburgering 38 2.6 Spreiding en concentratie 40 2.7 Leeftijdsopbouw en geboorten 41

2.8 De arbeidsmarkt 43 2.9 Opleidingsniveau 45

2.10 Concentratie en zwarte en witte scholen 47 2.11 Integratie als maatschappelijke noodzaak 49 2.12 Intercultureel onderwijs (ico) 50

Deel 2 Denken, handelen en cultuur nader onderzocht 53

3 Sociale categorisatie, stereotypen en vooroordelen 55 3.1 Inleiding 55

3.2 Categorisatie 55 3.3 Stereotypen 57

3.4 Stereotypen en gedrag 60 3.5 De selffulfilling prophecy 61 3.6 Pygmalioneffect en de leraar 62

3.7 Pygmalioneffect en sociale categorisatie 64 3.8 Vooroordelen 65 3.9 Socialisatie van antipathieën 67 3.10 De fundamentele attributiefout 71 3.11 Conformisme 72 3.12 Cui bono? 73 3.13 Beïnvloeding: wat kunnen school en leraar doen? 74 4 Discriminatie en racisme 77 4.1 Inleiding 77 4.2 Discriminatie 77 4.3 Positieve actie 83 4.4 Discriminatie en sociale omgeving 85 4.5 Racisme 86 4.6 Primitief nativisme 92 4.7 Bestrijding van vooroordelen in de klas 94 5 Cultuur en cultuurverschillen 99 5.1 Inleiding 99 5.2 Het cultuurbegrip 99 5.3 Dé Nederlandse cultuur bestaat niet 103 5.4 Dé Nederlandse cultuur bestaat wel 104 5.5 Opvoeding en opvoedingsstijlen 108 5.6 Cultuur, beschaving en centrale waarden 111 5.7 Cultuur, een gelaagd begrip 113 5.8 Aanpassing? 114 5.9 Cultuur en identiteit 116 5.10 Revitalisering van cultuur 119 5.11 Omgaan met culturele verschillen in de klas 121 6 Staat van verwarring 127 6.1 Inleiding 127 6.2 Het debat over integratie en de multiculturele samenleving 127 6.3 Een andere wind 128 6.4 Veranderende betekenissen 130 6.5 Verwarring 131 6.6 ‘Het volk’ en ‘de burgers’ 132 6.7 Rechtsgelijkheid? 133 6.8 Nativisme en nationalisme 133 6.9 Nationalistischer? 135 Intermezzo Het Nederlandse debat over de multiculturele samenleving 125

6.10 Wij/zij? 135 6.11 Onderwijsdiscussies 136 6.12 Scholen op islamitische grondslag 137 6.13 Isk’s 139 6.14 Nogmaals zwarte en witte scholen 140 6.15 Aandacht voor intercultureel onderwijs (ico) 140

Deel 3 De leraar, de klas en de praktijk 141

7 Intercultureel onderwijs in de praktijk 143 7.1 Inleiding 143 7.2 Maar nu de praktijk 144

7.3 De leraren 144 7.4 De school 145

7.5 De inrichting van het klaslokaal 146 7.6 De samenstelling van de klas (1) 146 7.7 De samenstelling van de klas (2) 147 7.8 Beoordeling van lesmateriaal 149 7.9 De leraar als normsteller en normhandhaver 152 7.10 De leraar als rechter 154 7.11 De leraar als beoordelaar 155 7.12 De leraar als begeleider 157 7.13 De leraar als contactpersoon 159 8 Leren door te spelen en door te observeren 161

8.1 Inleiding 161 8.2 Simulaties 161 8.3 Simulatie Motto 162

8.4 De simulatiespelen StarPower en BaFa’ BaFa’ 165 8.5 De incidentmethode: waar leg jij de grens? 168 8.6 Observatieopdrachten 170 8.7 Werkplekleren, maar waar? 173

Literatuur 174

Illustratieverantwoording 176

Register 177

Over de auteurs 181

Inleiding

De multiculturele samenleving als vloeibaar begrip Tradities, folklore, taal en dialecten variëren sterk per Nederlandse landstreek: Nederland kent, net als de samenleving van vrijwel elk land, een grote culturele diversiteit. Beneden de grote rivieren kent het jaarlijkse carnaval een lange tra- ditie, boven de rivieren is dat alleen zo in gebieden met een bevolking die een katholieke geschiedenis deelt; carnaval is immers verbonden met de katholieke vastenperiode. In Friesland is het Fries voor een deel van de bevolking de eerste taal, en in Twente geldt dat voor het Twentse Nedersaksisch. Toch is het niet deze culturele diversiteit waar we aan denken zodra het be- grip ‘multiculturele samenleving’ valt. Dat begrip associëren we met de culturele diversiteit die samenhangt met de vestiging in Nederland van groepen mensen afkomstig uit andere landen. En dat moet verder worden ingeperkt tot groepen die zich tamelijk recent in Nederland hebben gevestigd en die degenen wier wor- tels dieper in Nederland steken op grond van bepaalde kenmerken – naam, re- ligie, accent, uiterlijke kenmerken, zoals huidskleur – als ‘anders’ menen te her- kennen. Met ‘anders’ wordt dan zoiets bedoeld als ‘niet (helemaal) Nederlands’. Maar eigenlijk moeten we schrijven ‘nóg als “anders” menen te herkennen’, want mensen met bijvoorbeeld een Frans, Duits of Indonesisch (Indisch) klinkende achternaam, die kan duiden op migratie naar Nederland van voorouders, wor- den zelden nog als ‘anders’ en ‘anderen’ aangemerkt. Dat maakt het begrip ‘multiculturele samenleving’ tot een moeilijk grijpbaar, bijna vloeibaar begrip. En hetzelfde geldt eigenlijk voor alle begrippen die er in het publieke debat mee in verband worden gebracht, zoals ‘autochtoon’, ‘alloch- toon’, ‘immigratie’, ‘integratie’, ‘inburgering’, ‘aanpassing’ en ‘dé Nederlandse cul- tuur’. Maar ze mogen dan vloeibaar en ongrijpbaar zijn, velen tonen grote gevoe- ligheid als daar publiekelijk de conclusie aan wordt verbonden dat je er dus niet zoveel mee kunt en dat het bijvoorbeeld onmogelijk is om dé Nederlander cul- tureel te typeren. Dat ondervond (toen nog prinses) Máxima toen zij in 2007 bij de presentatie van een onderzoeksrapport daarover zei dat in elk geval één ding haar duidelijk was geworden: dé Nederlander bestaat niet. Daar had ze na- tuurlijk groot gelijk in, want zou die Nederlander bestaan, dan is die zo uniek dat Madame Tussauds deze onmiddellijk een plek moet geven in haar wassen- beeldenkabinet. Maar veel Nederlanders zagen zichzelf kennelijk wel degelijk als dé typische Nederlander, voelden zich tekortgedaan, toonden zich beledigd en

11

  Culturele diversiteit in de klas

eisten dat Máxima haar conclusie introk. Wat ze met zoveel woorden inderdaad deed, want als lid van het Koninklijk Huis en als aanstaand koningin kon ze het zich niet permitteren in opspraak te raken. Waar we dan weer de conclusie uit kunnen trekken dat veel Nederlanders liever leven met een onwaarheid waar ze zich goed bij voelen, dan met een waarheid waarvan ze denken dat die hun eigenwaarde aantast. De opbouw van dit boek Dit boek gaat over de culturele diversiteit van de Nederlandse samenleving en wat die betekent – behoort te betekenen – voor het Nederlandse onderwijs, in het bijzonder de school en de leraren. Het probeert antwoord te geven op de vraag wat leraren behoren te weten en te kunnen om recht te doen aan de (cul- turele) diversiteit van hun klassen of groepen, de schoolpopulatie en de samen- leving als geheel. Dat is een lastige vraag, niet het minst omdat zo’n beetje alles wat met cul- turele diversiteit te maken heeft, maatschappelijk en politiek hevig ter discussie staat. Die discussie wordt in dit boek niet uit de weg gegaan. Sterker, we menen dat schoolleiders en leraren en eigenlijk iedereen die met onderwijs te maken heeft, goed op de hoogte moeten zijn van die discussie, daarin feiten van menin- gen moeten kunnen onderscheiden, en vooral ook in staat zijn de soms wijdver- breide misverstanden als zodanig te identificeren. Tot de vereiste feitelijke kennis behoort enig inzicht in de (recente) migratiege- schiedenis van Nederland, in demografische ontwikkelingen, en in de proble- men en knelpunten die migratie en culturele diversiteit nu eenmaal met zich meebrengen – en, zoals gezegd, in het maatschappelijke debat daarover. Die ken- niselementen zijn merendeels vervat in de hoofdstukken 1 en 2, die samen het eerste deel van dit boek vormen. Tot de vereiste kennis voor leraren behoren ook inzichten ontleend aan de sociologie en de sociale psychologie, met name waar die betrekking hebben op het handelen van leraren. Deze kennis, die we beschouwen als niets minder dan een theoretisch fundament onder goed onderwijs – dat wil zeggen: onderwijs dat recht doet aan culturele diversiteit – is het onderwerp van deel 2, bestaande uit de hoofdstukken 3, 4 en 5. In hoofdstuk 6, een intermezzo, gaan we in op het debat over de multicultu- rele samenleving en bespreken we hoe dat debat gedurende pakweg de laatste twintig jaar van karakter is veranderd. In deel 3 staat de leraar centraal. Hoofdstuk 7 behandeltmet name de rollen die we kunnen onderscheiden bij de vervulling van het leraarschap, en hoofdstuk 8

12

  Inleiding

beschrijft aan de dagelijkse onderwijspraktijk ontleende situaties en manieren waarop daarmee geoefend kan worden. In alle hoofdstukken zijn vragen en opdrachten opgenomen. Een deel daar- van heeft een praktisch karakter: om ze te kunnen beantwoorden respectievelijk uitvoeren moet de onderwijspraktijk worden bestudeerd. Voor studenten aan lerarenopleidingen en pabo’s betekent dit dat ze zijn aangewezen op perioden van leren op de werkplek. Sommige lezers zullen zeggen dat voor een boek dat zich richt op de vraag hoe zuiver moet worden omgegaan met culturele diversiteit in de klas, het met drie hoofdstukken over sociologische en sociaalpsychologische inzichten wel erg veel theorie bevat. Dat zullen we niet ontkennen, maar ten eerste achten we die theo- retische inzichten onontbeerlijk voor leraren, en ten tweede hebben we ons best gedaan ze zonder omwegen met de onderwijspraktijk te verbinden. Bij alles wat dit boek aandraagt moet steeds worden beseft dat de samenleving dynamisch is en dus permanent verandert. Zij die nu nog nieuwkomers of al- lochtonen worden genoemd zijn binnen afzienbare tijd geen nieuwkomers meer. Het denken over de samenleving en het onderwijs verandert, evenals wat de overheid aan beleid loslaat op de samenleving, in het bijzonder op het onderwijs. De belangrijkste doelstelling van dit boek is het denken daarover te stimuleren en inzichten aan te dragen die ertoe bijdragen dat dat op een zuivere wijze gebeurt. Mensen verschillen van elkaar, maar op basis van hun overeenkomsten laten zij zich soms bijeennemen tot groepen, die dan wel weer van elkaar verschillen. Steeds moet vooropstaan dat in het denken over die verschillen en in het hande- len dat daarop gebaseerd wordt zuiver met die verschillen wordt omgegaan. Met zuiver wordt hier vooral bedoeld: de verschillen niet groter maken dan ze zijn, individuen niet reduceren tot hun veronderstelde cultuur, en stereotypen niet voor absolute waarheden aanzien. Problemen die voortvloeien uit het multiculturele karakter van de samenle- ving mogen niet worden gebagatelliseerd, menen wij. Maar het idee dat je die problemen simpel oplost door een eind te maken aan dat multiculturele karakter, is even ridicuul als onmogelijk. Wij citeren in dit verband graag de Amerikaanse journalist H.L. Mencken: ‘Voor alle complexe maatschappelijke problemen be- staan oplossingen die helder, voor de hand liggend en eenvoudig zijn. En fout.’

13

Deel 1 De Nederlandse samenleving en culturele diversiteit

1

1  Verkenning

Verkenning

1.1 Inleiding

Het begrip ‘multiculturele samenleving’ deed pas in de jaren zeventig van de vo- rige eeuw zijn intrede in de Nederlandse taal. Dat wil echter niet zeggen dat cul- turele diversiteit pas toen een kenmerk van de Nederlandse samenleving werd en dus een relatief nieuw verschijnsel is. Net als nu waren op elk willekeurig moment in de geschiedenis grote groepen mensen in beweging, huis en haard achterlatend om elders in de wereld een plek te vinden die een betere toekomst bood dan de plek waar ze vandaan kwamen. Veel van die migratiebewegingen beïnvloedden ook de Nederlandse samenleving: vele migranten vestigden zich hier en brachten hun culturele bagage met zich mee. Overigens vertrokken ook veel Nederlanders om zich elders te vestigen. Zo bekeken is de Nederlandse samenleving – net als die van andere landen – altijd een multiculturele samenleving geweest. Dat wordt in dit hoofdstuk geïl- lustreerd met een korte geschiedenis in vogelvlucht van de migratiebewegingen die Nederland hebben beïnvloed. Hoe groot die invloed is geweest valt zelfs na te gaan in familiestambomen: in de vertakkingen van veel daarvan duiken im- migranten op. Deze geschiedenis – in dit boek weergegeven om te tonen dat er altijd sprake is geweest van maatschappelijke, culturele dynamiek ten gevolge van migratie – biedt talrijke aangrijpingspunten voor lespraktijken over culturele diversiteit; zie daarvoor ook de vragen en opdrachten in dit hoofdstuk. Het hoofdstuk besluit met een korte rondgang langs begrippen en aandui- dingen met betrekking tot immigratie en migranten en met, heel in het alge- meen gesteld, opdrachten die het onderwijs tot de zijne behoort te rekenen in een samenleving die gekenmerkt wordt door culturele diversiteit en migratiedy- namiek.

1.2 De migratiegeschiedenis van Nederland in vogelvlucht

Gedurende de hele menselijke geschiedenis is de wereld, en dus ook het gebied dat we Nederland noemen, waartoe we ons hier beperken, beïnvloed door mi- gratieprocessen. In oude geschiedenisboekjes voor wat toen nog het lager on- derwijs heette werd dat pregnant uitgedrukt met de volgende zin: ‘Bij Lobith

17

Deel 1  De Nederlandse samenleving en culturele diversiteit

kwamen de Batavieren ons land binnen.’ Een rare zin trouwens, want wat zou dat bezittelijke voornaamwoord ‘ons’ in dit verband kunnen betekenen? Van de Batavieren maken we een reuzenstap naar Nederland als zelfstandige staat; naar de zestiende en zeventiende eeuw dus, toen Nederland zich mani- festeerde als een economische grootmacht, vooral dankzij de voc, die schatten verdiende met de import van specerijen uit ‘de Oost’. Anno nu houden sommige politici Nederland voor dat het die innovatieve en daadkrachtige voc-menta- liteit, typerend geacht voor de Nederlanders van toen, zou moeten hervinden. Het zou overigens kunnen dat ze daar in de naaste toekomst minder graag aan refereren, nu historici steeds meer materiaal vinden waaruit blijkt dat de voc, in tegenstelling tot wat tot voor kort werd aangenomen, ook veel geld verdiende aan de slavenhandel. Uit bewaard gebleven lijsten van bemanningsleden van de voc-schepen blijkt dat ongeveer de helft van de mannen die aanmonsterden uit het buitenland kwam en dus, om een woord te gebruiken dat pas in de twintigste eeuw in zwang kwam, gastarbeiders waren. Gedurende de late zestiende en de zeventiende eeuw was Nederland een van de weinige landen waar een betrekkelijk grote mate van geloofsvrijheid bestond. Veel mensen die in hun geboorteland vanwege hun geloof werden vervolgd zoch- ten daarom een veilig heenkomen in Nederland. In de vroege zestiende eeuw kwamen er met name joden uit Spanje en Portugal, waar Nederland een van de belangrijkste filosofen uit zijn geschiedenis aan heeft te danken: Baruch de Spinoza. Het werd deze joden toegestaan hun geloof te belijden en synagogen in te richten, maar toetreden tot de gilden van ambachtslieden werd hun verboden. Later trokken ook joden uit Centraal- en Oost-Europa naar Nederland, omdat ze in hun land van herkomst blootstonden aan bloedige pogroms. Ze werden weliswaar niet aan de grens tegengehouden, maar ook voor hen gold dat ze geen lid mochten worden van de gilden, terwijl veel steden en gewesten allerlei be- perkende bepalingen voor hun verblijf hanteerden. Wie zich weleens afvraagt waarom joden in bepaalde economische sectoren in Nederland (en elders) over- vertegenwoordigd waren, maar nauwelijks te vinden in andere sectoren, vindt in die beperkende bepalingen ten minste een deel van het antwoord. Uit Engeland kwamen in de late zestiende en vroege zeventiende eeuw puri- teinen (orthodoxe protestanten) naar Nederland, vooral naar Zeeland en Zuid- Holland. Sommigen vertrokken na enkele jaren al weer, omdat ze vonden dat het Nederlandse protestantisme te rekkelijk was en het Nederland van toen te weinig (protestants) normbesef had. Liever vestigden ze zich op een plek waar ze een nieuwe samenleving konden inrichten, geheel naar hun eigen principes: de nieuwe wereld van Amerika. Het verhaal van de Mayflower, het schip waarmee Engelse puriteinen in 1620 de oversteek naar de Amerikaanse noordoostkust waagden, begint in Leiden.

18

1  Verkenning

Veel indruk maakte de komst van hugenoten, Franse protestanten, aan het einde van de zeventiende eeuw. In 1685 verklaarde de Franse koning het Edict van Nantes nietig, een edict dat Franse protestanten tot dat moment een zekere mate van geloofsvrijheid had geschonken. Ze kwamen nu echter bloot te staan aan vervolging en velen kozen voor een vlucht naar Nederland, dat zijn grenzen voor hen openstelde. Dat gebeurde niet geheel en al uit menslievende overwegingen, maar zeker ook omdat Nederland een flinke economische impuls verwachtte van hun komst. Binnen enkele jaren vestigden zich zo’n 75.000 hugenoten in Nederland, dat toen anderhalf tot hooguit twee miljoen inwoners telde. Volledig geassimileerd als zij in de loop van de geschiedenis zijn geraakt, herinneren nu alleen nog vele Franse achternamen en bewaard gebleven Waalse kerken – ker- ken waar hugenoten hun Franstalige diensten bijwoonden – aan deze immigra- tiegolf. In de (late) achttiende en negentiende eeuw trokken elk jaar duizenden arme Duitse landarbeiders, spottend ‘poepen’ of ‘hannekemaaiers’ genoemd, naar de nieuwe, door indijking verkregen vruchtbare landbouwgronden in Noord- Nederland, om bij de boeren daar als seizoenarbeiders de rijke oogsten binnen te halen. Onderweg kwamen ze aan de kost door als marskramers deur aan deur ga- ren, band en andere thuis vervaardigde textielgoederen te verkopen. Velen keer- den niet naar huis terug, maar bleven. Sommigen ontpopten zich in Nederland tot succesvolle textielhandelaren, zoals Clemens en August Brenninkmeyer, die in 1841 in Sneek het aloude C&A oprichtten. In de negentiende en vroege twintigste eeuw kwamen daar Duitse dienstbo- den bij: een Nederlands gezin uit de betere middenklasse telde niet mee als het niet ten minste één Duitse dienstmeid in de huishouding tewerkstelde. Een deel keerde na verloop van jaren terug, anderen bleven, trouwden en vormden in Nederland een eigen gezin. Aan het einde van de negentiende eeuw industrialiseerde Nederland, met als gevolg een snel urbanisatieproces: de steden waar de nieuwe fabrieken zich ves- tigden zagen hun bevolking in korte tijd verveelvoudigen door de aanzuiging van menselijke arbeidskracht. Dan gaat het weliswaar niet om een migratieproces waarbij staatsgrenzen werden gepasseerd, maar de massale trek van het platte- land naar de steden was wel degelijk een ingrijpend migratieverschijnsel. In ste- den als Rotterdam en Amsterdam, maar ook in de textielindustrie in de Twentse steden en de steden in de Limburgse mijngebieden, vestigden zich velen uit alle delen van het land, op zoek naar werk. Dergelijke industriesteden werden meng- vaten van bevolkingsgroepen van uiteenlopende herkomst en dus verschillende dialecten en gebruiken.

19

Deel 1  De Nederlandse samenleving en culturele diversiteit

Bestaat de ‘echte Leidenaar’? In 1989 verrichtte het gemeentearchief van Leiden onderzoek naar de stambomen van tien ‘echte Leidse’ families. Wat bleek? Veel van deze stambomen wortelden in het geheel niet in Leiden. Op grond van de onderzoeksresultaten kwam men tot de conclusie dat driekwart van de Leidse bevolking voorouders heeft die van elders kwamen. Die nieuwkomers kwamen uit alle windstreken. Sommigen woonden in de Leidse regio maar vertrokken op zeker moment naar de stad, anderen lieten de Drentse zandgronden of de Limburgse löss achter zich, en weer anderen moesten vele grenzen passeren voor zij in Leiden arriveerden. (naar: De Baar, 1995) Daarmee komen we aan in de twintigste eeuw, een tijd die niet ver meer van de onze af staat. Deze eeuw bespreken we in paragraaf 1.3. Hoewel we hiervoor maar een greep hebben gedaan uit de migratiegeschiedenis tot dan toe, zal toch al duidelijk zijn hoe uiteenlopend de motieven van de diverse migranten waren om huis en haard te verlaten en naar Nederland te trekken. Sommigen vestigden zich hier om te ontkomen aan vervolging en oorlogsellende, anderen in de hoop uitzichtloze armoede achter zich te laten en een betere toekomst voor zichzelf en hun kinderen te vinden, en nog weer anderen gaven toe aan een zucht naar avontuur. Wat ook duidelijk zal zijn geworden, is dat deze vreemdelingen geen vreem- delingen bleven en dat al binnen enkele generaties hun nakomelingen zichzelf identificeerden als Nederlanders en – misschien wel belangrijker – dat zij door andere Nederlanders ook als zodanig werden geïdentificeerd. Verder kan alvast worden geconcludeerd dat de inwoners van Nederland al eeuwenlang een samenleving vormden die we tegenwoordig als ‘multicultureel’ betitelen. Naarmate we dichterbij komen in de tijd kunnen we beter waarnemen welke invloeden migratie heeft op de samenleving. Eerst geven we een overzicht van de pieken in die migratie in de twintigste eeuw. Gedurende de Eerste Wereldoorlog bood Nederland onderdak aan tiendui- zenden Belgen die gevlucht waren voor het oorlogsgeweld, zolang dat nog kon. Verreweg de meesten keerden na de oorlog terug naar België, maar ze lieten wel iets na: bossen. Velen waren tijdens hun verblijf ingezet in de bosbouw: gronden die niet voor landbouw of veeteelt geschikt werden geacht, werden met bomen beplant om het vrijwel ontboste Nederland wat bosrijker te maken. Toen in 1933 in Duitsland de nazi’s aan de macht kwamen, vluchtten velen vanwege het antisemitisme of omdat ze om politieke redenen vervolgd werden

1.3 De twintigste eeuw

20

1  Verkenning

naar Nederland. Althans als dat lukte, want de Nederlandse overheid, bang dat het Nederlandse neutraliteitsstreven geschaad kon worden door het opnemen van vluchtelingen uit Duitsland, schrok er niet voor terug velen aan de grenzen tegen te houden. Na de Tweede Wereldoorlog kwam er een eind aan de Nederlandse status van grote koloniale mogendheid: Nederlands-Indië werd na vier jaar strijd in 1949 het zelfstandige Indonesië. Vrijwel alle ‘kolonialen’ en veel Indiërs die zich verbonden hadden aan het koloniale gezag of die getrouwd waren met vrouwen of mannen met Nederlandse wortels, zagen zich gedwongen naar Nederland te emigreren: in korte tijd kwamen ongeveer 300.000 ‘Indo’s’ naar Nederland. Ze werden niet bepaald met open armen ontvangen, en werden geacht zich zonder protest neer te leggen bij de regels die de Nederlandse overheid voor hen in petto had. Die overheid eiste dat ze zich zo snel mogelijk aanpasten en hun Indische verleden en Indische identiteit aflegden. Dat verleden was vaak gekenmerkt door een geprivilegieerde positie, maar eenmaal in Nederland dienden ze te aanvaar- den wat hun aan werk werd aangeboden, wat veelal een flinke duikeling op de maatschappelijke ladder inhield. De overheid hanteerde bovendien een streng vestigingsbeleid gericht op zo veel mogelijk spreiding over Nederland, ook als daardoor familieleden van elkaar gescheiden werden: concentratie van Indo’s zou alleen maar bijdragen tot langduriger vasthouden aan hun Indische identi- teit, zo was de gedachte. Anno nu is het nauwelijks voorstelbaar dat al deze mensen hun frustraties over de bejegening door Nederland inslikten en niet luidkeels protesteerden. Bedenk dat de gezagsverhoudingen in de jaren vijftig en aan het begin van de jaren zestig anders waren dan nu: naar wat en wie officieel gezag had diende te worden geluisterd, zonder protest. Pas aan het einde van de jaren zestig kwam daarin, maar toen ook snel, verandering. Voor de Indo’s duurde het echter toch nog lang voor zij zich vrij genoeg voelden weer wat meer zichzelf te zijn. Pas in de jaren tachtig durfden zij weer iets te laten zien van hun verleden, bijvoorbeeld door het organiseren van pasar malams, massale bijeenkomsten rond marktfees- ten waar de oude tradities werden getoond. Achteraf kan worden vastgesteld dat al de tweede generatie van deze Indo’s – de nakomelingen van die 300.000 nieuwkomers dus – vrijwel geheel geassimi- leerd was, dat wil zeggen: zich nauwelijks nog onderscheidde van het overgrote merendeel van de Nederlandse bevolking. Of dat het gevolg was van het hiervoor geschetste beleid van de overheid, of dat het eerder moet worden toegeschreven aan de wens van de eerste en tweede generatie om in de Nederlandse bevolking op te gaan en zich niet als aparte, in allerlei opzichten als ‘anders’ herkenbare groep te onderscheiden, is een kwestie waarover verschillend wordt gedacht. Binnen de grote groep immigranten uit het voormalig Nederlands-Indië nemen de Molukkers een aparte positie in. Het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger

21

Deel 1  De Nederlandse samenleving en culturele diversiteit

(knil) rekruteerde veel manschappen uit de bevolking van de eilandengroep de Molukken. Toen het knil in 1949 de wapens moest neerleggen, kwamen de Molukse troepen in een precaire positie terecht. Ze werden, vaak met hun gezin- nen, overgebracht naar Nederland. Op grond van een Nederlandse belofte dat de Molukken een zelfstandige status zouden krijgen binnen een Indonesische federatie, gingen deze soldaten ervan uit dat ze binnen korte tijd zouden terug- keren naar een eigen staat. Hoe hard die Nederlandse toezegging was – kon Nederland eigenlijk wel toezeggingen doen met betrekking tot gebieden waar het zijn gezag over verloren had? – is nog steeds onderwerp van debat, maar feit is dat Nederland niet erg zijn best deed om die Molukse verwachtingen te relativeren. Zo’n 15.000 Molukkers werden ondergebracht in barakkenkampen, waarvan bijvoorbeeld Westerbork en Vught tijdens de bezetting door de nazi’s waren gebruikt om joden en politieke gevangenen vast te zetten. Pogingen in later jaren om de Molukkers te verhuizen en te integreren in de Nederlandse samenleving stuitten op hevige Molukse protesten: zij wilden immers niet integreren, zij wilden naar de Molukken, naar een Vrije Molukse Republiek ( Republik Maluku Selatan , rms) welteverstaan. Toen Nederland in de jaren zeventig de banden aantrok met Indonesië, destijds een militaire dic- tatuur onder leiding van generaal Soeharto, werd dat door veel Molukkers als verraad en de doodsteek van hun politieke ideaal beschouwd. Radicalisering was het gevolg: radicale Molukse jongeren gingen over tot geweld, resulterend in enkele schokkende terroristische gijzelingsacties. Sindsdien leidt het rms-ideaal een steeds stiller leven; latere generaties Molukse nakomelingen hebben zich geïntegreerd in Nederland. Tussen 1945 en het begin van de jaren zestig was soberheid troef in Nederland. De wederopbouw na de bezetting eiste veel middelen op. De overheid hield het consumptieniveau laag om zich te kunnen concentreren op het scheppen van volledige werkgelegenheid en het neutraliseren van tegenstellingen tussen werk- gevers en werknemers. De angst voor grote werkloosheid, mede ingegeven door de snelle bevolkingsgroei, zette de overheid ertoe aan om met behulp van pro- pagandafilmpjes, advies en financiële ondersteuning om de overtocht te bekosti- gen, emigratie van Nederlanders te stimuleren, vooral naar de Verenigde Staten, Canada, Nieuw-Zeeland en Australië, waar welvaart lonkte. Op een totale bevol- king van 11 miljoen emigreerden in die periode 500.000 Nederlanders. Vrijwel elke Nederlandse familie heeft wel verwanten in de genoemde landen. Kortom, denk bij migratie niet alleen aan immigratie, maar ook aan emigratie. Aan die massale emigratie kwam een tamelijk abrupt einde toen vanaf het begin van de jaren zestig de Nederlandse economie spectaculair ging groeien, de lonen stegen en het welvaartsniveau met sprongen vooruitging. Opeens was er sprake van een tekort aan arbeidskrachten, vooral in de industrie – een ont- wikkeling die heel Noordwest-Europa kenmerkte overigens. Grote industriële

22

1  Verkenning

ondernemingen eisten import van arbeidskracht, om de tekorten te compense- ren en om de loonstijging die daarvan het gevolg was af te remmen. De vakbon- den en linkse partijen, met name de PvdA, voerden weliswaar oppositie tegen het importeren van arbeidskrachten, maar desondanks gingen de grenzen open. Eerst in Italië en Spanje, wat later in Joegoslavië, en nog weer later in Marokko en Turkije werden mannen gecontracteerd die als zogenoemde ‘gastarbeiders’ naar Nederland kwamen en in de fabrieken aan het werk gingen. De houding van de Nederlandse bevolking en tot op zekere hoogte ook die van de Nederlandse overheid tegenover deze gastarbeiders kenmerkte zich in de eerste jaren door onverschilligheid als het ging om hun maatschappelijke wel- zijn en door nogal eens geïrriteerde verbazing over het feit dat wat in abstracte termen ‘import van arbeidskracht’ heette, in concreto de komst van mensen be- tekende. De woorden van de Zwitserse auteur Max Frisch zijn veelzeggend: ‘We wilden handen, maar kregen mensen.’ Van de Italiaanse en Spaanse gastarbeiders keerde het merendeel naar hun land van herkomst terug nadat ook daar de toekomstperspectieven verbeterden; in het geval van Spanje zal ook de dood van Franco en het einde van diens fascis- tische regime (in 1975) een belangrijke rol hebben gespeeld bij het besluit terug te keren. Veel Turkse en Marokkaanse gastarbeiders besloten echter te blijven, omdat de perspectieven in hun landen van herkomst veel minder gunstig bleven. In de hoop hun kinderen in Nederland een betere toekomst te kunnen bieden lieten ze hun gezinnen overkomen. Aan de komst van gastarbeiders kwam een eind in 1975. De economische groei stokte, mede als gevolg van een mondiale oliecrisis. Hele bedrijfstakken, zoals de scheepsbouw en de textielnijverheid, verdwenen uit Nederland, om zich te vestigen in zogenoemde lagelonenlanden. Massaontslagen deden de werk- loosheid snel oplopen. In 1975 sloot de Nederlandse overheid de grenzen voor gastarbeiders uit landen die geen lid waren van wat tegenwoordig de Europese Unie heet. Die sluiting is tot op heden van kracht. In 1975 verkreeg Suriname, tot dan een van de Nederlandse ‘overzeese gebieds- delen’, de status van zelfstandige staat. Overeengekomen was dat Surinamers nog vijf jaar de mogelijkheid behielden om zich vrijelijk in Nederland te vestigen, een periode die daarna nog enkele jaren is verlengd. Gedurende zijn koloniale geschiedenis was Suriname een plek geworden met een veelheid aan bevolkingsgroepen, waarvan de oorspronkelijke bewoners, de indianen, nog maar een kleine minderheid vormden. Tijdens de periode van de slavernij werden Afrikanen als slaven op de plantages tewerkgesteld. Een deel wist te vluchten naar het oerwoud van het Surinaamse achterland en vestigde zich daar, levend in betrekkelijke vrijheid omdat de plantagehouders zich daar niet waagden. Zij werden ‘bosnegers’ of ‘marrons’ genoemd. Na de afschaffing van de slavernij werden in India Hindoestanen en in Nederlands-Indië Javaanse

23

Deel 1  De Nederlandse samenleving en culturele diversiteit

en Chinese koelies gerekruteerd, die het vrijwel onmogelijk werd gemaakt terug te keren. Marrons, creolen (afstammelingen van de slaven), Hindoestanen en Javanen vormden in 1975 de grootste bevolkingsgroepen. Al in de aanloop naar de Surinaamse onafhankelijkheid bleek dat de onder- linge verhoudingen tussen die groepen gespannen waren. Angst voor het toe- nemen van die spanningen en voor het politieke geweld dat daarop kon volgen voegde zich bij de verwachting dat de economische toekomst van Suriname niet erg rooskleurig was, maar niemand zal hebben verwacht dat de helft van de toenmalige Surinaamse bevolking naar Nederland zou emigreren: ruim 150.000 mensen. In 1980 bleek dat de angst voor politiek geweld terecht was geweest. Een groep onderofficieren pleegde onder leiding van (huidig president) Desi Bouterse een staatsgreep en in 1982 gingen de coupplegers over tot een brute moordpartij op politieke tegenstanders: de zogenoemde Decembermoorden. Ook uit de laatste resten van het koloniale rijk dat Nederland ooit was, de zes eilanden van de Antillen, migreren mensen naar Nederland. Veel Antillianen beschouwen dat echter als een tijdelijk verblijf en keren, na bijvoorbeeld het vol- tooien van een opleiding die het Antilliaanse onderwijs niet kan bieden, weer terug. 1 Hoe diep steken jouw wortels en die van je van voorouders in de bodem van de plaats waar je bent gevestigd? • Ben je op die plek geboren en opgegroeid? • Waar komen je ouders vandaan? • Waar komen je grootouders, en als je dat kunt achterhalen, hun voor- ouders vandaan? • Doen in je familie verhalen de ronde over waar voorouders oorspron- kelijk vandaan kwamen? Vergelijk je antwoorden met die van je klas- of groepsgenoten. 2 Inventariseer aan de hand van de antwoorden op de vorige vraag in hoe- verre migratie je familiegeschiedenis heeft beïnvloed; betrek ook even- tuele emigratie van familieleden uit Nederland naar andere landen in je inventarisatie. Welke motieven lagen ten grondslag aan besluiten om te migreren? 3 De migratiegeschiedenis van Nederland en de sociale diversiteit die daar- van het gevolg was, hebben hun sporen nagelaten, bijvoorbeeld in het stadsbeeld. Zet in de plaats waar je opleiding is gevestigd een wandeling uit langs plekken die dat zichtbaar maken. Denk ook aan gebouwen die een religieuze functie hebben of hadden.

24

1  Verkenning

1.4 Vluchtelingen en asielzoekers

Nederland behoort, zoals de meeste staten, tot de ondertekenaars van het Vluchtelingenverdrag van de Verenigde Naties. Daarmee stelt Nederland zich garant voor hulp aan en zo nodig opvang van vluchtelingen uit gebieden waar ze worden vervolgd of die door oorlog worden geteisterd. Voorwaarde is dat deze mensen door de unhcr (het Hoge Commissariaat voor Vluchtelingen van de vn) ook inderdaad als vluchtelingen worden aangemerkt oftewel, een beetje cynisch gezegd, een unhcr-keurmerk dragen. Overigens heeft de unhcr grote moeite om de verdragsstaten, inclusief Nederland, hun garantstelling na te laten komen. In veel gevallen voeren Europese staten in de praktijk een ontmoedi- gingsbeleid als het gaat om de toelating van vluchtelingen. ‘Vluchteling’ is dus niet alleen een woord om iemand aan te duiden die op de vlucht is geslagen; in dit kader is het ook een begrip met internationale juri- dische betekenis. Als zodanig wordt het onderscheiden van ‘asielzoeker’. Ook asielzoekers zijn vluchtelingen, maar zij dragen niet dat unhcr-keurmerk en kunnen dus aan de grenzen worden tegengehouden, dan wel worden uitgezet als zij die grenzen toch hebben weten te passeren. In het algemeen geldt – ook in Nederland – de regel dat een asielzoeker een (voorlopige) vergunning voor verblijf krijgt als omstandigheden en redenen van humanitaire aard daartoe aanleiding geven. Is het aannemelijk dat een asielzoe- ker indien hij of zij wordt teruggestuurd naar het land van herkomst, daar moet vrezen voor vervolging en mogelijk lijf en leden, dan kan dat gelden als zo’n hu- manitaire reden om een verblijfsvergunning toe te kennen. Het voorlopige karakter van zo’n verblijfsvergunning kan betekenen dat ie- mand, ook na jaren in Nederland te hebben gewoond, alsnog wordt terugge- stuurd. De neiging daartoe van de overheid is de laatste tien, vijftien jaar onder maatschappelijke druk toegenomen. De zekerheid dat toelating zal worden geweigerd of dat, eenmaal toch de grens gepasseerd, uitzetting waarschijnlijk is, brengt sommigen ertoe het dan maar zonder verblijfsvergunning te proberen. Zij vormen de diffuse groep ‘ille- galen’, waarvan de precieze omvang vanzelfsprekend onbekend is. In veel geval- len blijken deze mensen een makkelijke prooi voor commerciële sectoren waarin men het niet erg nauw neemt met wetten en regels: het risico van uitbuiting is groot. De afgelopen twintig, vijfentwintig jaar laten een duidelijke verharding van het Nederlandse asielbeleid zien: er worden veel minder asielzoekers toegelaten dan voorheen, en zij die wel worden toegelaten maar uiteindelijk geen verblijfsver- gunning krijgen, worden sneller uitgezet. Kijken we wat verder terug, naar 1956, toen Sovjet-Russische troepen in het toen nog communistische Hongarije een opstand neersloegen, dan zien we een heel ander beeld. Nederland ving enkele

25

Deel 1  De Nederlandse samenleving en culturele diversiteit

duizenden Hongaarse vluchtelingen op. Langs de spoorbaan waarover de treinen met vluchtelingen Nederland binnenreden, stonden duizenden Nederlanders te zwaaien om ze te verwelkomen. En op de stations werden allerlei lekkernijen toegestopt aan de Hongaren die uit de raampjes hingen. Maar we moeten daar onmiddellijk aan toevoegen dat deze vluchtelingen voor hun vertrek uit de op- vangkampen in Oostenrijk van Nederlandse ambtenaren te horen hadden ge- kregen dat het wel de bedoeling was dat ze niet te lang zouden blijven en snel zouden doorreizen naar bijvoorbeeld Amerika; ze konden mee met de oceaan- stomers waarmee Nederlandse emigranten de oversteek waagden … Watertaal Immigratiegolf, stromen asielzoekers, toevloed van nieuwkomers: de woorden die gebruikt worden om de huidige immigratieverschijnselen aan te duiden zijn vaak ontleend aan de waterloop. Zozeer dat de geograaf Muus, in zijn analyse van die terminologie, spreekt van ‘watertaal’ (Muus, 1995). Die watertaal mag dan onbewust tot stand zijn gekomen en bijvoorbeeld via de massamedia ingeburgerd zijn geraakt, toevallig is de keuze voor die woorden en woorddelen allerminst. Golven en vloeden kunnen ons overspoelen en stro- men kunnen buiten hun oevers treden en van alles meesleuren. Ze vormen een bedreiging en dus wordt met die woordkeuze bewust of onbewust een zekere dreiging uitgedrukt. Impliciet wijst de woordkeuze ook in de richting waarin gezocht moet worden om die dreiging weg te nemen. Om je tegen de kracht van het water te beschermen, moet je immers dammen en dijken opwerpen en stromen kanaliseren. Natuurlijk is niet iedereen die deze terminologie gebruikt ook bang, en evenmin vinden alle gebruikers dat je dammen en dijken moet opwerpen om degenen die zich aan de grenzen melden tegen te houden; aan een eenmaal ingeburgerd spraakgebruik kun je nu eenmaal moeilijk ontsnappen. Je dient echter wel te be- seffen dat de woorden die je gebruikt, soms verborgen ladingen kunnen hebben die je ze misschien helemaal niet had willen meegeven. Sommigen vinden woorden als ‘stroom’, ‘golf’ en ‘vloed’ nog lang niet dreigend genoeg. Baas boven baas als het gaat omhet oproepen van gevoelens van bedrei- ging met betrekking tot immigratie is Tweede Kamerlid en pvv-fractievoorzitter Geert Wilders, die aan natuurrampen in Azië een overtreffende trap ontleen- de: hij sprak in 2007 van een ‘dreigende tsunami van islamisering’ in Nederland, waarmee de immigratie van mensen die de islam aanhangen gepaard zou gaan en gebruikte dat woord in 2015 opnieuw toen grote aantallen vluchtelingen uit met name het door oorlog verscheurde Syrië naar West-Europa trokken. We besluiten dit overzicht met de effecten van de Europese eenwording. De Europese Unie hanteert het uitgangspunt dat verkeer van goederen, diensten en burgers tussen de lidstaten vrij behoort te zijn, dus niet mag worden gehinderd

26

1  Verkenning

door of geblokkeerd met in- en uitvoerbelastingen, beperkende visumverplich- tingen en verblijfs- en arbeidsvergunningen. Elke burger van een eu-lidstaat mag zich vestigen in elke andere eu-lidstaat en heeft daar geen speciale arbeidsver- gunning nodig om te kunnen werken. Nederlanders kunnen zich overal in de eu vestigen en daar werken en doen dat ook, net zoals burgers uit andere eu-lid- staten in Nederland werken en zich hier vestigen. Zo wonen en werken naar schatting zo’n 40.000 Duitsers in Nederland; iets meer Nederlanders doen dat in Duitsland. Migratie sluit immigratie en emigratie in. Beide doen zich voor in Nederland. In dit boek gaat het vooral om immigratie en de sociaal-culturele en andere ver- anderingen die daarvan het gevolg zijn, plus de problemen en knelpunten die deze met zich meebrengen, in het bijzonder in het onderwijs. Die problemen en knelpunten maken overheidsbeleid noodzakelijk. Hierbij moeten de doelgroe- pen van dat beleid zorgvuldig worden onderscheiden. Nadat eerder het begrip ‘culturele minderheden’ als beleidsterm werd gehan- teerd, werden begin jaren tachtig op voorspraak van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (wrr) de aanduidingen ‘allochtonen’ ( allos (Grieks) = andere; chtoon = wereld; ‘van een andere wereld’ dus) en ‘autochtonen’ ( autos = zelf; ‘van de eigen wereld’) geïntroduceerd (wrr, 1989). De wrr hoopte en veronderstelde dat de negatieve connotaties die verbonden waren geraakt aan het begrip ‘culturele minderheden’ (samen te vatten als ‘rare mensen met hier te lande ongewenste gewoonten die profiteren van de Nederlandse welvaart’) niet ook aan deze moeilijke woorden zouden gaan plakken. Die hoop is even naïef als ongerechtvaardigd gebleken. Terwijl de aanduidingen ‘allochtoon’ en ‘autochtoon’ ingeburgerd raakten, bleek het noodzakelijk daarbinnen nog nadere onderscheidingen te maken. Zo is een in Nederland gevestigde Duitser welbeschouwd een allochtoon, maar niet een ‘niet-westerse allochtoon’. Op die laatste groep richt het overheidsbeleid zich als het over allochtonen gaat. Vreemde woorden als ‘allochtoon’ en ‘autochtoon’ leiden nogal eens tot misverstanden. Zo meende ooit een student dat allochto- nen uit het land Allochtonistan komen en dat daar Allochtoons wordt gesproken (helaas weten we niet of hij dan ook dacht dat Nederland in het Allochtoons als Autochtonië wordt aangeduid …). De wrr kwam ook met criteria over het aantal generaties dat nog binnen de aanduiding ‘allochtoon’ valt. Dat zijn de eerste generatie (de feitelijke immigran- ten dus), de tweede generatie (hun in Nederland geboren kinderen) en de derde generatie (de kinderen van die kinderen), maar die laatste alleen indien die zich nog in sterke mate identificeren met het land en de cultuur van hun grootou-

1.5 Begrippen en aanduidingen

27

Deel 1  De Nederlandse samenleving en culturele diversiteit

ders. Dat voorbehoud is problematisch: wat als die derde generatie zich daar zelf nauwelijks nog mee identificeert, maar deze daar door autochtonen nu juist wel en zelfs uitsluitend mee wordt geïdentificeerd, en die autochtonen daarom wei- geren hen óók als autochtonen te beschouwen? In dit verband is het veelzeggend dat velen uiterlijke kenmerken (huidskleur met name) en voor- en achternamen als voldoende criteria hanteren voor het indelen van mensen bij allochtonen of autochtonen. Overigens kiest de Nederlandse overheid er tegenwoordig voor om in beleidsdocumenten de aanduidingen ‘allochtoon’ en ‘autochtoon’ zo veel mogelijk te vermijden. Zo ontstond in de zomer van 2015 in de Volkskrant een discussie over of deze aanduidingen nog wel in de krant gebruikt zouden moeten worden (Klok, 2015). Allochtonen: personen van wie ten minste één ouder in het buitenland is gebo- ren. Allochtonen die in het buitenland zijn geboren vormen de eerste generatie; allochtonen die in Nederland zijn geboren de tweede generatie. Allochtonen van de eerste generatie worden onderverdeeld in westers en niet-westers op grond van hun geboorteland. Ze worden tot de niet-westerse allochtonen gere- kend als ze zijn geboren in Turkije, Afrika, Latijns-Amerika of Azië, met uitzonde- ring van Japan en Indonesië. Op grond van hun sociaaleconomische positie (in Nederland) worden allochtonen uit Japan en Indonesië tot de westerse alloch- tonen gerekend. Wat Indonesië betreft gaat het vooral om mensen die in voor- malig Nederlands-Indië zijn geboren. De tweede generatie wordt onderverdeeld in westers en niet-westers op grond van het geboorteland van hun moeder. Als dat Nederland is, dan is het geboorteland van de vader bepalend. Voor de twee- de generatie geldt dezelfde landenindeling als voor de eerste generatie. (naar: cbs, 2001) Het lijkt voor de hand te liggen deze hele kwestie te vereenvoudigen door alleen de nationaliteit van de inwoners van Nederland als uitgangspunt en criterium te nemen. Was je ooit Turk, Marokkaan, Rus, Chinees enzovoort, maar ben je geëmigreerd naar Nederland en heb je je tot Nederlander laten naturaliseren, of ervoor gezorgd dat je kinderen de Nederlandse nationaliteit kregen? Dan ben je (of zijn je kinderen) Nederlander. Hier zitten voor beleidsmakers echter haken en ogen aan. Migranten uit de voormalige koloniën, zoals Suriname, bezaten de Nederlandse nationaliteit al, nog voordat ze naar Nederland migreerden. Sommige staten staan het hebben van twee nationaliteiten toe (op het moment van schrijven Nederland trouwens ook nog), en Marokko hanteert het principe dat de Marokkaanse nationaliteit niet kan worden afgelegd en ingeruild tegen een andere: ook al kiest een naar Nederland gemigreerde Marokkaan voor de Nederlandse nationaliteit, hij be- houdt zijn Marokkaanse nationaliteit.

28

1  Verkenning

Veel mensen zijn onbekend met het juridisch belangrijke onderscheid tussen ‘vluchtelingen’ en ‘asielzoekers’ en gooien beide groepen gemakzuchtig op één hoop. De lezer van dit boek niet (meer). 4 Zoek een antwoord op de volgende vragen: Mogen in Nederland verblij- vende asielzoekers betaald werk verrichten? Vallen in Nederland verblij- vende kinderen van asielzoekers onder de Nederlandse leerplichtwet? Is het leerrecht van toepassing voor (niet-leerplichtige kinderen van) asielzoekers? Welke voorzieningen treft het Nederlandse onderwijs voor schoolgaande kinderen van asielzoekers? Begripsmatig is het hele Nederlandse debat over de multiculturele samenleving een rommeltje. Verwarring en verwardheid zijn de troefkleuren, op elk niveau: aan de borreltafel, in het onderwijs en in de politiek. Wat werkelijk discriminatie is wordt maatschappelijk nauwelijks als zodanig herkend en erkend, maar wie een kwinkslag maakt die door een ander als kwetsend zou kunnen worden er- varen, loopt zomaar het risico van discriminatie te worden beticht. Wat precies wordt bedoeld met ‘integratie’ en ‘inburgering’ en hoe die begrippen zich ver- houden tot de principes van de rechtsstaat blijft volkomen onduidelijk, zelfs in de toelichting van toenmalig minister Verdonk, die in 2006 de Wet inburgering nieuwkomers van een aantal wijzigingen voorzag. Dit boek zal het eerdergenoemde rommeltje niet kunnen opruimen. Wel hebben we steeds geprobeerd zulke begrippen zo zuiver mogelijk te definiëren en de discrepanties aan te geven tussen die definities en de slordige wijze waarop die begrippen in het publieke debat vaak worden gebruikt. De veelheid aan aanduidingen en de veranderingen daarin leiden gemakkelijk tot misverstanden. Maar niet goed nadenken doet dat nog vaker. Een mooi voorbeeld daarvan liet een persbericht uit 2005 zien. In dit persbericht werd melding gemaakt van onderzoek naar de toekomstige demografische samen- stelling van Amsterdam. Volgens het stuk toonde dat onderzoek aan dat het bevolkingsaandeel van allochtonen in Amsterdam in 2040 gegroeid zou zijn naar zeker 60 procent. Voornaamste verklaringen voor die stijging: de hogere geboortecijfers onder allochtonen en het wegtrekken van autochtonen. Wat werd hier over het hoofd gezien? Dat een flink deel van de mensen die in 2005 nog allochtonen konden worden genoemd omdat ze tot de eerste, tweede en derde (de laatste onder voorwaarden) generatie immigranten behoorden, in 2040 nakomelingen zullen hebben die tot latere generaties behoren. Volgens de definitie zullen dat dus autochtonen zijn. En los van die definitie zullen zij zichzelf niet als allochtonen, maar als autochtonen beschouwen, en het zou best kunnen dat zij door anderen ook niet meer als allochtonen worden geïdentifi- ceerd.

29

Made with