Anja Valk, Martijn Baalman, Mariken van der Laan en Vita Olijhoek - Actief met taal in de zaakvakken

Anja Valk, Martijn Baalman, Mariken van der Laan en Vita Olijhoek

Actief met taal

Didactische werkvormen voor het basisonderwijs in de zaakvakken

Actief met taal in de zaakvakken

Actief met taal in de zaakvakken Didactische werkvormen voor het basisonderwijs

Anja Valk Martijn Baalman Mariken van der Laan Vita Olijhoek

c u i t g e v e r ij

c o u t i n h o

bussum 2016

Inhoud

9

Inleiding

11 14 16

Leeswijzer in woord Leeswijzer in beeld

Werkvormen zoeken op eigenschappen

1 Mondelinge taalvaardigheid

19

1 Bingo

20 22 24 26 28 30 32 34 36 38 40 42 44 46 48 52 54 56 58 60 62 64 66 68 70 72 74 76 78 80 51

2 Luisteren in ronden

3 Dit is de goede volgorde 4 Is deze samenvatting goed? 5 Heb je weleens gehoord van …? 6 Voorspelling doen 7 Spiekbrief spreekbeurt 8 Vragen bij de dobbelsteen 9 Binnen- en buitenkring

10 Wat weet je nog? 11 De minispreekbeurt

12 Iedereen een keer de juf of meester

13 Wat zie je op het plaatje? 14 De placematmethode

15 De sorteertaak

2 Woordenschat

1 Zoek de woorden 2 Waar of niet waar?

3 Mimedictee

4 Wat betekent het woord?

5 Woordspin 6 De rivier over 7 Woorden flitsen

8 Rendictee

9 Gemixte letters

10 Rondom mijn woord

11 Ik een vraag, jij een antwoord

12 Woorddictee

13 Woordenboekspel 14 Welk woord? 15 Zoek je partner

3 Begrijpend lezen

83

1 Startvragen

84 86 88 90 92 94 96 98

2 Een tekst skimmen

3 Veelvoorkomende woorden

4 Scannen

5 Wat weet ik al?

6 Een samenvatting cadeau

7 Fluisterwoord

8 Vul het schema in

9 Ik zie, ik zie …

100 102 104 106 108 110 112 114 116 118 120 122 126 128 130 132 134 136 138 140 142 144 146 148 150 152 154 125

10 Adopteer een deel van de tekst

11 In de goede volgorde

12 Eindvraag

13 Wie, wat, waar?

14 Vragen maken bij een tekst 15 Wat wil je weten over …? 16 Het antwoord op de vraag

17 Zoek de fout

18 Ieder een opdracht 19 Nieuwe woorden

20 Hoe heb ik eigenlijk geleerd?

4 Stellen

1 Wat vind jij?

2 Contact met je lezer 3 Maak een spandoek 4 Dat is niet waar! 5 Heb je nog een tip? 6 Alles in een schema 7 Kernwoorden gebruiken

8 Beginzinnen

9 Oefenen voor de toets

10 Plaatjes

11 De A van …

12 Begeleid schrijven 13 Vandaag ben ik … 14 Gekleurde teksten 15 Karel de Grote zei …

157 159

Literatuur

Over de auteurs

Inleiding

Wat staat er in dit boek? Heel kort gezegd: in dit boek vind je 65 werkvormen die je bij de lessen in de zaakvak- ken in het basisonderwijs kunt gebruiken. Ze hebben gemeen dat ze allemaal de focus leggen op het leren van taal in de zaakvakken. Daar zijn verschillende termen voor: taalontwikkelend vakonderwijs, taal in de zaakvakken, taalgericht vakonderwijs et cetera. Voor je met een tekst uit een methode voor natuur, geschiedenis of aardrijkskunde begint kun je de aanwezige voorkennis bij de leerlingen activeren. We bieden je veel mogelijkheden om bijvoorbeeld de voorkennis met de groep te bespreken of de nieuwe woorden alvast kort aan te stippen. Tijdens de methodeles zelf, dus als je de teksten leest, de filmpjes bekijkt of de opdrachten maakt, kun je ook werken aan taalontwik- keling. Door een andere vraag te stellen, een ‘spelletje’ te doen of iets te laten schrijven kun je leerlingen helpen de nieuwe kennis en woorden te gebruiken en hun gedachten onder woorden te brengen. In dit boek staan ook werkvormen die je kunt inzetten als je de methodeles al klaar hebt. Dan herhaal je de begrippen, concepten en woorden die daarbij horen. We maken bij de beschrijving van de werkvormen gebruik van de Kennisbasis Neder- landse taal voor de pabo (Otten, 2009), en wel de onderdelen Mondelinge taalvaardig- heid, Woordenschat, Begrijpend lezen en Stellen. Deze vier domeinen koppelen we aan de zaakvakken. Hoe we dat uitgewerkt hebben, lees je in de Leeswijzer in woord . Wat je hopelijk uit de beschrijvingen van de werkvormen in dit boek haalt, is dat het vooral heel erg leuk is om dit soort activiteiten met je groep te doen. Je hebt er niet veel voor nodig behalve je (digi)bord, ze kosten weinig voorbereidingstijd en ze helpen allemaal om de nieuwe taal actief te verwerken. In de klas merk je vooral dat leerlingen praten of schrijven over het vak, met elkaar van gedachten wisselen en dat je telkens een korte nabespreking hebt waarin je de belangrijkste taal ook weer gebruikt. Veel leerkrachten hebben de activiteiten al uitgeprobeerd. We hopen dat de voorbeel- den en hun reacties (bij de activiteiten onder het kopje Uit de praktijk ) je zin geven om de activiteiten met jouw groep en jouw methode ook te gaan doen. We weten trou- wens dat leerkrachten dit soort taalactiviteiten ook gebruiken bij taal, bij bewegings- onderwijs of bij verkeer. Dat kan natuurlijk ook. We beperken ons in dit boek tot de zaakvakken om het doel heel duidelijk te maken. Maar de werkvormen zijn uiteraard bij veel meer vakken in te zetten. En wat staat er niet in? Het boek gaat niet in op de andere onderdelen van de Kennisbasis Nederlandse taal voor de pabo . We besteden maar marginaal aandacht aan spelling. Naar ons idee is spel-

9

Actief met taal in de zaakvakken

ling van ondergeschikt belang bij de zaakvakken, waar het voornamelijk om de inhoud van het vak gaat. We bieden vanzelfsprekend ook geen werkvormen voor taalbeschou- wing of jeugdliteratuur. Omdat het boek gericht is op de midden- en bovenbouw vind je geen werkvormen die zich bezighouden met beginnende geletterdheid. Voortgezet technisch lezen valt ook buiten het kader van het boek. Voor al deze onderdelen is het namelijk minder vanzelfsprekend (of soms onmogelijk) om een verbinding te leggen met de zaakvakken. Voor wie is dit boek? Dit boek is voor studenten aan de pabo (met als specialisatie de leerlingen van groep 4 tot en met 8) en leerkrachten van de midden- en bovenbouw in het basisonderwijs. Met dit boek willen we elke (aankomende) leerkracht genoeg ideeën geven om de lessen van de zaakvakken net iets anders in te vullen dan in de methode beschreven is. Daarom noemen we de leerlingen ‘leerling’ in dit boek en degene die de les geeft ‘leerkracht’. We gaan ervan uit dat je de algemene didactiek al wel (enigszins) onder de knie hebt. We schrijven bijvoorbeeld ‘Bespreek x of y na met je groep’ en geven daar dan meestal een tip bij. Je moet dus wel al weten hoe je zo’n nabespreking leidt en wat daarbij belangrijk is. Andere docenten kunnen ook inspiratie uit dit boek halen om hun taal- of vakles een talige insteek te geven, bijvoorbeeld vakdocenten in het mbo of het voortgezet onder- wijs, of taaldocenten die ondersteuning bieden bij de vaklessen.

10

Leeswijzer in woord

In elk hoofdstuk Dit boek is volgens een vast stramien opgebouwd, zoals een receptenboek. Zo kun je makkelijk vinden wat je zoekt. Elk hoofdstuk kent een eigen indeling. De indeling is zichtbaar in de tabs aan de rechterbladzijden. Daarin zie je bij iedere werkvorm voor welke vaardigheid die werkvorm bedoeld is. Ook zie je in welke fase je binnen deze vaardigheid aan welke strategie of tekstsoort werkt. Als ervaren leerkracht kies je de werkvormen vaak op intuïtie of ervaring, maar voor beginnende leerkrachten kan dit een handig middel zijn om een werkvorm te selecteren. Hoe zijn de vier hoofdstukken opgebouwd? Hoofdstuk 1 gaat over mondelinge taalvaardigheid. Op de tabs staat luisteren, spreken of gespreksvaardigheid. Dit zijn de vaardigheden die binnen mondelinge taalvaardig- heid onderscheiden worden. Deze indeling komt uit de Kennisbasis Nederlandse taal voor de pabo (Otten, 2009). Hoofdstuk 2 heeft woordenschat als onderwerp. We gebruiken als onderverdeling hiervoor de bekende viertakt, zoals beschreven in Van den Nulft en Verhallen (2009). De viertakt bestaat uit de onderdelen voorbewerken, semantiseren, consolideren en controleren. Deze woorden zijn ook terug te vinden op de tabs op de rechterbladzijde. De meeste nadruk ligt in dit hoofdstuk op consolideren en controleren. De viertakt wordt ook in de Kennisbasis Nederlandse taal voor de pabo uitgebreid be- schreven (zie nummer 2.2.5). Elke werkvorm begint met het selecteren van woorden die je wilt herhalen of oefenen. We willen benadrukken dat je bij de selectie van die woorden niet alleen de vaktaalwoorden, maar ook de schooltaalwoorden in het oog moet houden. Voor een goede woordenschatopbouw en een hogere mate van gelet- terdheid zijn ook de schooltaalwoorden belangrijk. Betrek die dus ook bij de werkvor- men. We doen daar regelmatig suggesties voor bij de afzonderlijke werkvormen. Hoofdstuk 3 gaat over begrijpend lezen. Dit is het grootste hoofdstuk, met twintig werkvormen. Je vindt zes strategieën met de volgende woorden terug op de tabs: lees- doel bepalen, voorspellen, voorstelling maken, hoofdgedachte vinden, vragen stellen en reflecteren. Het hoofdstuk heeft dus een onderverdeling in zes categorieën. Door deze indeling kun je makkelijk een werkvorm of leesstrategie uitkiezen die ook in de les bij begrijpend lezen centraal staat en krijg je een mooie koppeling met de zaakvakken. Deze indeling hebben we gekozen op basis van de Kennisbasis Nederlandse taal voor de pabo in combinatie met de bevindingen van Joop Stoeldraijer en Kees Vernooy (2007). De Kennisbasis benoemt veel leesstrategieën, maar nader onderzoek van Stoeldraijer en Vernooy wijst uit dat lang niet alle aangeboden leesstrategieën effectief zijn. Zij advise- ren om de volgende ‘evidence-based leesstrategieën’ aan te leren:

11

Actief met taal in de zaakvakken

1 het leesdoel bepalen; 2 informatie voorspellen en gebruikmaken van voorkennis over het onderwerp; 3 een voorstelling maken (visualiseren); 4 het thema of de hoofdgedachte vinden en de tekst samenvatten; 5 jezelf vragen stellen en de vragen beantwoorden (tijdens en na het lezen van een tekst); 6 op je eigen leesactiviteiten reflecteren. Het toepassen van deze leesstrategieën gebeurt uiteraard tijdens de lessen begrijpend lezen, maar is ook zeker zinvol op andere momenten waarop teksten gelezen worden, zoals tijdens lessen in de zaakvakken. Zo zien de leerlingen dat wat je leert bij begrij- pend lezen ook bij andere vakken te gebruiken is. In hoofdstuk 4 ten slotte behandelen we stellen. Op de tabs is dit onderverdeeld in stellen om te communiceren, om te conceptualiseren en voor expressie. Bij stellen gaat het in dit boek niet alleen om het leren schrijven van een langere tekst met een vrije schrijfopdracht, maar ook om het ontwikkelen van de vaardigheid om je gedachten en ideeën op papier te zetten. Bij de indeling gaan we uit van de Kennisbasis Nederlandse taal voor de pabo . De Kennisbasis onderscheidt drie doelen om een tekst te schrijven: 1 teksten om te communiceren; 2 teksten om te conceptualiseren (om greep te krijgen op de werkelijkheid); 3 teksten voor expressie. De eerste en derde functie, communiceren en expressie, staan in dit boek ten dienste van de tweede functie, waarbij leerlingen de inhoud van het vak leren doorgronden. Het gaat erom dat leerlingen zich de inhoud van de zaakvakken eigen maken. Door te schrijven, aantekeningen te maken, de informatie in een schema te zetten of zich bijvoorbeeld te verplaatsen in een hoofdpersoon die in een tekst voorkomt, begrijpen leerlingen beter waarover de tekst gaat en krijgen ze greep op de inhoud van die tekst. Sommige werkvor- men hebben een andere insteek. Daarbij staat het plezier in schrijven voorop. Vinden wat je zoekt Om snel door het boek te kunnen navigeren, maken we gebruik van verschillende ma- nieren van indelen. Op de tabs aan de rechterkant vind je de vaardigheid en de strate- gie, het onderdeel of de fase die de werkvorm behandelt. Dit pictogram geeft aan hoe lang de werkvorm gemiddeld duurt. De voorbereidingstijd is hier niet bij inbegrepen. Die staat in het vak Voorbereiding en bedraagt ongeveer vijf tot tien minuten. Door middel van dit pictogram kun je zien hoe de leerlingen werken: individueel, in twee- tallen, in kleine groepjes (bijvoorbeeld hun tafelgroepje) of met de hele groep. Ook als de leerlingen in tweetallen werken, is er meestal wel een nabespreking met de hele groep. Daarnaast zijn er drie pictogrammen.

20 min.

12

leeswijzer in woord

Bij een aantal werkvormen hebben we een invulbare pdf gemaakt die je via de website kunt downloaden. Je kunt die pdf’s invullen met de inhoud die past bij je lessen en op- slaan zodat je ze vaker kunt gebruiken.

pdf

Je kunt de werkvormen ook zoeken op deze drie pictogrammen. Kijk daarvoor naar het schema Werkvormen zoeken op eigenschappen, op pagina 16-17.

De beschrijving van de werkvormen Elke werkvorm is op dezelfde manier opgebouwd. Op de linkerbladzijde staan de ach- tergronden en de voorbereiding en op de rechterbladzijde vind je de beschrijving van de werkvorm in de les. In de tabel linksboven staat het doel van de werkvorm. In de bovenste rij staat het doel zoals je het aan de leerling kunt voorleggen (doel van de werkvorm). In de tweede rij staat het doel voor jou als leerkracht. Het gaat hierbij om het doel dat de werkvorm beoogt. Dit is dus niet het doel van de les. Bij een les over stroom kun je bijvoorbeeld de werkvorm Gemixte letters doen. Het doel van de werkvorm voor de leerlingen is: ‘Je herhaalt de nieuwe woorden die je geleerd hebt. Zo leer je de woorden heel goed ken- nen.’ Het doel van de les gaat op de lesstof zelf in: je wilt dat de leerlingen de woorden turbine, dynamo, afstoten en afwisseling nog eens goed in hun geheugen prenten. Het doel voor jou als leerkracht is dus het consolideren of controleren van de woorden- schat. In de derde rij van dezelfde tabel vind je beknopt beschreven wat je moet doen ter voorbereiding. Dit staat uitgebreider uitgelegd onder het kopje Voorbereiding . Onder de tabel staat een korte tekst waarin we telkens de relatie leggen met de Kennis- basis (een korte uitstap naar de theoretische achtergrond). Een of meerdere onderdelen van de Kennisbasis worden beschreven en we leggen uit hoe die in die specifieke werk- vorm zijn terug te vinden. Op de rechterpagina vind je de stappen die je in de les kunt zetten. We hebben gepro- beerd dit zo kort en concreet mogelijk te doen. In de tekstballonnen staat een tekst die als voorbeeld kan dienen voor de instructie die je geeft aan de leerlingen.

Ook vind je bij veel werkvormen een voorbeeld. Dit kan een ingevulde pdf zijn, een leerlingproduct of een voorbeeld op het digibord.

Als een werkvorm in de praktijk is uitgeprobeerd, dan vind je aan het eind van de rechterpagina onder het kopje ‘Uit de praktijk’ een korte tekst van de desbetreffende leerkracht. Hiermee krijg je een goed inzicht in hoe de werkvorm er in je les uit kan gaan zien.

Website

www.coutinho.nl/amt_zaakvakken

Bij dit boek hoort online materiaal dat bestaat uit: ■ invulbare pdf’s bij de werkvormen, zoals hierboven aangegeven; ■ al het beeldmateriaal uit het boek.

13

7

Spiekbrief spreekbeurt

Doel van de werkvorm

‘Je houdt een minispreekbeurt. Zo kun je de les beter onthou- den.’

Doel voor de leerkracht een monoloog houden Voorbereiding ■■ 5 minuten

■■ een nieuwe tekst uit een zaakvakmethode kiezen ■■ het blad Spiekbrief spreekbeurt eventueel nog aanpassen en voor elke leerling kopiëren

Leerlingen vinden het meestal ontzettend spannend om een spreekbeurt te houden. Als ze ge- regeld en al spiekend iets aan een andere leerling vertellen, kunnen ze daar op een veilige manier mee oefenen. Jij vertelt eerst een verhaal, de leerlingen maken aantekeningen op het blad Spiek- brief spreekbeurt. Daarna vertellen ze het in tweetallen na, als een minispreekbeurt. Je kunt gerust twee keer achter elkaar het verhaal vertellen. Leerlingen kunnen dan in twee ronden aantekenin- gen maken, waardoor ze echt veel hulp (taalsteun) krijgen voor het navertellen van het verhaal. Door het navertellen van de informatie onthouden de leerlingen de inhoud ook beter.

Kennisbasis: 1.1.7 Mondeling presenteren – 1.1.12 Relaties in teksten

Voorbereiding 1 Neem een tekst, bijvoorbeeld een nieuwe tekst voor aardrijkskunde of geschiedenis. Bestu- deer de tekst zo dat je de tekst als verhaal aan de leerlingen kunt vertellen. 2 Vul op de website het blad Spiekbrief spreekbeurt in. Er staat al een standaardtekst, die je naar je eigen smaak kunt veranderen. 3 Kopieer voor elke leerling het blad Spiekbrief spreekbeurt of projecteer de spiekbrief op het digibord. In het laatste geval maken de leerlingen hun aantekeningen in een schrift.

32

hoofdstuk 1

Werkvorm in stappen 1 Geef iedere leerling het blad Spiekbrief spreekbeurt . Bespreek het blad kort. 2 Zeg:

Mondelinge taalvaardigheid luisteren ■ spreken

‘Ik vertel jullie een verhaal over … en jullie vullen het blad in. Dan kun je het verhaal straks aan je buurman navertellen.’

3 Vertel je verhaal. Als het nodig is, vertel je het verhaal twee keer achter elkaar. 4 De leerlingen vullen hun blad Spiekbrief spreekbeurt in. 5 Zeg:

‘Vertel het verhaal dat ik je net verteld heb nu na. Je mag je spiekbrief gebruiken.’

6 Laat een of enkele leerlingen hun verhaal vertellen voor de hele klas. 7 Geef de leerlingen feedback op de inhoud en op de structuur. De spiekbrief geeft namelijk een heldere structuur.

Voorbeeld

Spiekbrief spreekbeurt • Over het onderwerp wist ik al • Wat leuk is om over dit onderwerp te weten is dat • Ook heb ik gehoord dat

• Iets anders wat ik te weten ben gekomen is dat

15 min.

pdf

33

4

Wat betekent het woord?

Doel van de werkvorm ‘Je leert hoe je achter de betekenis van nieuwe woorden kunt komen. Zo kun je een tekst beter begrijpen.’ Doel voor de leerkracht het voorbewerken/semantiseren van nieuwe woorden Voorbereiding ■■ 5 minuten ■■ 5 tot 7 woorden die je belangrijk vindt uit een zaakvaktekst selecteren en onderstrepen ■■ een zaakvaktekst kopiëren, leerlingen krijgen per tweetal één tekst Een leerkracht moet leerlingen niet alleen woorden leren, maar hun ook strategieën laten zien om achter de betekenis van een woord te komen. Er zijn verschillende woordleerstrategieën. In deze werkvorm ligt het accent op het gebruiken van de context en het analyseren van een woord. Bij het gebruiken van de context gaat het om de zinnen die om het nieuwe woord heen staan en die aanwijzingen kunnen geven over de betekenis van een woord. Bij langere woorden kun je achter de betekenis komen door na te gaan uit welke bekende woorden het nieuwe woord is opge- bouwd (in stukjes hakken) of te letten op bekende voor- en achtervoegsels.

Kennisbasis: 2.1.1 Woordenschatuitbreiding – 2.1.4 Woordleerstrategieën – 2.1.5 Woordbetekenis

Voorbereiding 1

Kopieer de zaakvaktekst die je gaat behandelen. Onderstreep vijf tot zeven woorden uit deze tekst die je belangrijk vindt. Het moeten woorden zijn waarvan de betekenis te achterhalen is. Bijvoorbeeld omdat de betekenis wordt uitgelegd in de tekst of omdat het een woord is dat bestaat uit delen die al bekend zijn bij de leerlingen, zoals het woord verwoestijning. Je kunt een of twee woorden als voorbeeld gebruiken, met de andere woorden gaan de leerlin- gen zelf oefenen. 2 Maak kopieën van de tekst. Zorg voor genoeg kopieën zodat de leerlingen per tweetal een exemplaar hebben.

58

hoofdstuk 2

Werkvorm in stappen 1 Deel de tekst uit en laat de leerlingen allemaal een blaadje en een pen voor zich nemen. Maak alvast tweetallen. Zeg: ‘Dit is een tekst uit het …boek. Ik heb in deze tekst een aantal belangrijke woorden onderstreept. Jullie gaan straks met z’n tweeën proberen erachter te komen wat deze woorden betekenen. Ik doe eerst een woord voor, daarna doen we er eentje samen.’ Als je deze werkvorm voor de eerste keer doet, is het wellicht zinvol om meerdere woorden samen te doen. 2 Kies een woord dat je voor gaat doen (modelen). Lees het woord voor. Lees daarna de zin voor waarin het woord voorkomt. Vertel of je nu al voldoende informatie hebt om achter de betekenis van het woord te komen. Lees als dat nodig is de zinnen die voor en achter het woord staan. Staan daar aanwijzingen voor de betekenis van het woord? Analyseer als dat mogelijk is het woord. Staan er bekende delen in het woord waardoor de betekenis te ach- terhalen is? Doe ook een woord samen met de leerlingen. Gebruik hierbij de inbreng van de leerlingen. 3 Laat de leerlingen nu zelf aan de gang gaan. Vertel dat ze de betekenis van de woorden moe- ten opschrijven op hun blaadje. 4 Loop langs en geef aanwijzingen waar nodig. 5 Bespreek de betekenis van de woorden na. Besteed hierbij vooral aandacht aan de manier waarop de leerlingen de betekenis gevonden hebben.

voorbewerken ■ semantiseren

Woordenschat

Voorbeeld

Engelse en Ierse monniken De Franken zijn christen. Maar veel andere stammen in hun rijk geloven nog in de Germaanse goden. Daarom komen er monniken naar het Frankische Rijk. Zij zijn missionaris. Ze proberen de heidenen over te halen christen te worden. De monniken komen uit Engeland en Ierland. Een van hen is Willibrord. Hij komt naar ons land om de Friezen te bekeren. Maar ook om kerken en kloosters te stichten.

Bron: Mortel e.a., 2013

20 min. 15

59

13

Wie, wat, waar?

Doel van de werkvorm

‘Je beantwoordt vragen over de tekst. Zo vind je de hoofdge- dachte van de tekst.’

Doel voor de leerkracht het vinden van de hoofdgedachte van een tekst Voorbereiding ■■ 10 minuten

■■ een al behandelde tekst uit een zaakvakmethode kiezen ■■ 5 vragen maken op het blad Wie, wat, waar? ■■ het blad kopiëren voor elke leerling

De teksten van de zaakvakken dienen allemaal om informatie over te brengen, zodat de leerling meer te weten komt over de wereld om hem heen. Die informatie toegankelijk maken is soms nog niet zo eenvoudig. Hoe kom je erachter wat je wel van een tekst moet onthouden en wat je mag vergeten? Wat is belangrijk voor de toets om te weten? De meeste methodes bieden hier zelf hulpmiddelen voor in de vorm van gearceerde woorden in de tekst of een samenvatting van een hoofdstuk. Maar zelf leren zien wat de hoofdgedachte is, dus wat het belangrijkste van de tekst is, is nog veel nuttiger. Deze werkvorm helpt om de hoofdgedachte te vinden.

Kennisbasis: 5.1.3 Technieken voor informatieverwerking

Voorbereiding 1 Kies een tekst die de leerlingen al gelezen hebben of die je al besproken hebt. 2 Maak bij deze tekst ongeveer vijf vragen. Met het antwoord op deze vragen moeten de leer- lingen de hoofdgedachte uit de tekst kunnen halen. Je kunt hiervoor goed de w-vragen (en de hoe-vraag) gebruiken. 3 Typ de vragen in het blad Wie, wat, waar? De vragen staan links, de antwoorden komen in de rechterkolom onder elkaar. 4 Zet het blad klaar op het digibord. 5 Kopieer het blad voor elke leerling of laat ze de vragen overschrijven op een blaadje of in een schrift.

108

hoofdstuk 3

Werkvorm in stappen 1 Vraag de leerlingen om het boek op de goede bladzijde open te slaan. Laat je vragen op het digibord zien. Deel ze ook uit op papier of laat ze overschrijven. Zeg:

‘Lees de vragen eens door. Als we het antwoord vinden op alle vragen, wat hebben we dan gedaan?’

2 Vertel dat je met de wie-wat-waar-vragen een korte samenvatting van de tekst maakt, en dus het belangrijkste van de tekst (de hoofdgedachte) kunt vinden. 3 Beantwoord samen de eerste vraag en schrijf het antwoord op het digibord in de rechterko- lom. Zeg:

‘Beantwoord de andere vragen nu zelf. Schrijf de antwoorden aan de rechterkant, zo- dat ze allemaal onder elkaar staan.’

4 Bespreek de antwoorden met de hele groep. Vraag waar de leerlingen het antwoord hebben gevonden. Bespreek ook of ze nu genoeg weten voor een eventuele toets.

Voorbeeld

Begrijpend lezen

hoofdgedachte vinden

20 min. 15

pdf

109

10

Plaatjes

Doel van de werkvorm ‘Je schrijft bij de plaatjes wat je geleerd hebt. Zo kun je de infor- matie beter onthouden.’ Doel voor de leerkracht het schriftelijk onder woorden brengen van de inhoud van een tekst aan de hand van plaatjes Voorbereiding ■■ 10 minuten ■■ 3-5 plaatjes die aansluiten bij een onderwerp dat je aan het behandelen bent ■■ eventueel het blad Plaatjes ; kopieer dit dan voor elke leerling Onder geschreven teksten verstaat een leerling vaak alleen expressieve teksten als het opstel. We gebruiken schrijven echter veel vaker om nieuwe informatie te begrijpen en onder woorden te brengen, om de nieuwe concepten die je leert goed te bevatten. In deze werkvorm schrijven de leerlingen een aantal zinnen of een korte tekst over plaatjes. De plaatjes horen bij het onderwerp dat je met de groep aan het behandelen bent. Dit biedt ook mogelijkheden voor taalzwakke leer- lingen: ze hoeven maar een korte tekst te schrijven, ze kunnen gebruikmaken van plaatjes om te komen tot het schrijven en het doel is duidelijk: ze schrijven om de inhoud beter te begrijpen. Wil je eens wat anders bij de afsluitende toets van een thema? Dan kun je deze werkvorm daarvoor goed gebruiken.

Kennisbasis: 6.1.8 Geschreven tekst – 6.4.6 Stelonderwijs aan taalzwakke leerlingen

Voorbereiding 1

Zoek drie tot vijf plaatjes die betrekking hebben op het onderwerp van de zaakvakles. Dit kunnen foto’s of afbeeldingen uit de methode zijn. Maar je kunt de plaatjes ook van het in- ternet halen. 2 Zet de plaatjes op een blad en zorg voor voldoende schrijfruimte onder elk plaatje. Gebruik hier eventueel het blad Plaatjes voor. Het kan zijn dat de plaatjes een relatie met elkaar heb- ben (bijvoorbeeld een goede volgorde). Zet ze dan in willekeurige volgorde op het blad en laat de leerlingen in de les zelf de plaatjes in de goede volgorde zetten door ze te nummeren (deze stap is niet beschreven bij de werkvorm in stappen). 3 Kopieer het blad voor elke leerling en zet het ook klaar op het digibord.

144

hoofdstuk 4

Werkvorm in stappen 1 Geef elke leerling een blad met de plaatjes. Zorg ervoor dat elke leerling een pen bij de hand heeft. Laat het blad ook op het digibord zien. Zeg:

‘Deze plaatjes horen bij het onderwerp van … Je gaat straks iets schrijven bij elk plaatje.’

2 Inventariseer met de leerlingen wat ze kunnen opschrijven. Bijvoorbeeld: een beschrijving ge- ven van het plaatje zelf, iemand op het plaatje iets laten zeggen dat verband houdt met het plaatje, een zin met een nieuw geleerd woord maken, de goede volgorde kiezen en daar iets over laten schrijven. 3 Laat de leerlingen bij elk plaatje iets schrijven. 4 In tweetallen laten de leerlingen hun zinnen aan elkaar lezen. 5 Bespreek na door een paar leerlingen hun zinnen te laten voorlezen.

Voorbeeld

Stellen

om te conceptualiseren

20 min.

pdf

145

Made with