De pabotoets Natuur & Techniek haal je zo - Hans van der Grind

Oefenbundel bij Natuuronderwijs inzichtelijk

GESLAAGD

De pabotoets Natuur & Techniek

haal je zo Hans van der Grind

De pabotoets Natuur & Techniek haal je zo

De pabotoets Natuur & Techniek haal je zo

Hans van der Grind

Tweede, herziene druk

bussum 2021

© 2015/2021 Uitgeverij Coutinho bv Alle rechten voorbehouden.

Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geauto- matiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van reprografische verveelvoudigingen uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16h Auteurswet 1912 dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Reprorecht (www. reprorecht.nl). Voor de readerregeling kan men zich wenden tot Stichting UvO (Uitgeversorganisatie voor Onderwijslicenties, www.stichting-uvo.nl). Voor het gebruik van auteursrechtelijk beschermd materiaal in knipselkranten dient men contact op te nemen met Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductie- rechten Organisatie, www.stichting-pro.nl).

Eerste druk 2015 Tweede, herziene druk 2021

Uitgeverij Coutinho Postbus 333 1400 AH Bussum info@coutinho.nl www.coutinho.nl

Omslag: Crisja Ran, Haarlem Cartoon omslag: © Tom Janssen, Amsterdam Opmaak binnenwerk: Yolande Verhoef, Amsterdam

Noot van de uitgever Wij hebben alle moeite gedaan om rechthebbenden van copyright te achter- halen. Personen of instanties die aanspraak maken op bepaalde rechten, wordt vriendelijk verzocht contact op te nemen met de uitgever. De personen op de foto’s komen niet in de tekst voor en hebben geen relatie met hetgeen in de tekst wordt beschreven.

ISBN 978 90 469 0773 3 NUR 840

Voorwoord

Waarom is de vacht van een ijsbeer wit, terwijl zijn huid pikzwart is? Waarom ontploft een diepzeevis als je hem te snel naar de oppervlakte brengt? Waarom legt een pinguïn zijn ei niet in het voorjaar maar in de winter? Waarom hebben mensen een blindedarm? Hoe komt het dat een eik, ondanks dat deze zijn hele leven vastgeworteld staat op dezelfde plek, wat voedsel betreft compleet selfsup- porting is? Wat gebeurt er als je een ballon opblaast op de maan? Waarom heeft een vlinder 12.000 ogen en wij maar twee? Is wit een echte kleur en zwart niet? Waarom krijgt een vogel die op een elektrische draad van een hoogspannings- mast zit geen stroomschok? Zomaar een greep uit een aantal vragen over natuur en techniek die een starten- de pabostudent zou moeten kunnen beantwoorden. Het is van belang dat er een stevige basis gelegd is voordat een student start met een pabo-opleiding. Sinds 1 september 2015 wordt deze kennis van natuur en techniek (op niveau havo 3/ vmbo-t) namelijk verplicht vooraf getoetst bij studenten die doorstromen vanuit mbo-4 en havisten die geen biologie of natuurkunde hebben gehad. Voor deze studenten biedt De pabotoets Natuur & Techniek haal je zo oefenmateriaal om zich op de toelatingstoets voor te bereiden. De ruim vijfhonderd losse vragen en de drie proeftoetsen in het boek geven een representatief beeld van het gevraag- de niveau. Daarnaast is dit boek geschikt als oefenmateriaal voor later te maken kennistoetsen Natuur & Techniek op de pabo. In deze tweede, herziene druk van het oefenboek zijn innovaties en actuele ont- wikkelingen verwerkt, onder meer op het gebied van technologie, duurzaamheid, klimaatveranderingen en virusbestrijding. Onmisbaar bij dit oefenboek is het bekende bronnenboek Natuuronderwijs inzichtelijk – een basis voor de vakinhoud van Natuur & Techniek (Uitgeverij Coutinho), dat al geruime tijd bij de meeste pabo’s op de literatuurlijst staat. De vakinhoud bij de kernthema’s van dit oefenboek is daarin uitgewerkt. Deze druk sluit aan bij de vijfde druk van Natuuronderwijs inzichtelijk (voorjaar 2021), maar kan ook met de vierde druk worden gebruikt Met de combinatie van deze twee boeken kun je effectief en gericht studeren. Dat is in de afgelopen jaren wel gebleken: veel juffen en meesters die nu voor de klas staan hebben ze met succes gebruikt.

Bij het samenstellen van de vragen in dit boek ben ik tijdens de ontwikkeling van de eerste druk ondersteund door meelezende en anderszins betrokken pabo- docenten Natuur & Techniek van verschillende hogescholen. Daarom bij dezen allereerst een speciaal dankwoord aan Georges Ledoux (vakcollega Natuur & Techniek van Fontys Hogeschool pabo Eindhoven) en Paul Feldbrugge (ex-pa- bodocent natuurkunde aan de pabo Groningen), die beiden heel actief inhoude- lijk betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van dit oefenboek. Daarnaast zeker ook dank aan een groot aantal andere meelezende pabocollega’s. Uiteraard bedank ik ook pabocollega Jan de Bas (auteur van De pabotoets aardrijkskun- de haal je zo en De pabotoets geschiedenis haal je zo ), die tevens de initiator is geweest van deze oefenbundels. Tot slot wil ik in het bijzonder de schrijvers van Natuuronderwijs inzichtelijk , Amito Haarhuis en Carla Kersbergen, bedanken voor het schrijven van het mooie bronnenboek, en het feit dat ik voor De pabotoets Natuur & Techniek haal je zo gebruik kon maken van illustraties uit hun boek. Ik wens je veel wijsheid en leesplezier toe bij de voorbereiding op de toela- tingstoets Natuur & Techniek, zodat je goed beslagen ten ijs kunt komen en dit spannende en mooie vakgebied met enthousiasme aan je toekomstige basis- schoolleerlingen zult kunnen overdragen.

Voorjaar 2021, Hans van der Grind

Inhoud

Inleiding

11

OEFENVRAGEN

1 Biologie

17

1.1 De biologische eenheid

17 17 19 21 29 36

1.1.1 Cellen

1.1.2 Vormen en functies van de organen van planten 1.1.3 Vormen en functies van de organen van dieren en mensen

1.1.4 De ordening van planten en dieren

1.1.5 Ecologie, ecosystemen, predator-prooirelatie

1.2 Instandhouding

44 44

1.2.1 Fotosynthese en verbranding

1.2.2 Ademhaling, transport, spijsvertering en uitscheiding van planten, dieren en mensen

49 54 56 57

1.2.3 De voeding van de mens

1.2.4 Spieren

1.2.5 De afweer van de mens

1.2.6 Ecologie, voedselkringlopen, verstoring en duurzaamheid

60

1.3 Gedrag en interactie

66

1.3.1 Zintuigen en hormonen in relatie tot voeding en voortplanting

66 68 70

1.3.2 Gedrag in relatie tot overleven

1.3.3 Aanpassingen bij planten, dieren en mensen

1.4 Voortplanting

73

1.4.1 De voortplanting bij planten, schimmels, dieren en mensen 1.4.2 Bestuivingsvormen, primaire en secundaire geslachtskenmerken, balts- en nestelgedrag

73

78 80

1.4.3 Erfelijkheid en meiose

1.5 Groei en ontwikkeling

83

1.5.1 Embryo, mitose, draagtijd, tweelingen, zogen, broeden en dergelijke 1.5.2 De ontwikkeling van planten, seizoensinvloeden 1.5.3 Metamorfose, de voortplanting van schimmels

83 85 88 91 94 96

1.5.4 Broedzorg bij gewervelden en insecten

1.5.5 Erfelijkheid, fenotype, genotype en erfelijke aanleg

1.5.6 Evolutie, natuurlijke selectie en mutatie

Biologie – antwoorden

99

2 Natuurkunde en techniek

125

2.1 Materie en techniek

125

2.1.1 Fysische eigenschappen, fasen, dichtheid, massa en geleiding

125 127 128 129 131 133 133 135 136 138 140 142 149 152 153 153 155 156 159 159 163

2.1.2 Materiaal: vorm en functie 2.1.3 Stoffen: faseveranderingen 2.1.4 Stoffen: moleculeveranderingen 2.1.5 Stoffen: scheidingstechnieken

2.2 Energie en techniek

2.2.1 Energiebronnen 2.2.2 Energieomzettingen

2.2.3 Warmte

2.2.4 Elektriciteit: elektrische huisinstallatie, o.a. berekenen

2.2.5 Elektriciteit: statische elektriciteit 2.2.6 Elektriciteit: stroomkringen

2.2.7 Magnetisme

2.2.8 Regel- en automatische stuursystemen

2.3 Licht, geluid en techniek

2.3.1 Licht: eigenschappen, schaduw 2.3.2 Licht: straling, spiegelbeeld 2.3.3 Licht: kleuren, absorptie, reflectie

2.3.4 Licht: breking

2.3.5 Licht: lenzen, beeldconstructie

2.3.6 Geluid

2.4 Kracht, beweging en techniek

167 167 169 172 173 176 178 180

2.4.1 Krachten herkennen

2.4.2 Rust, beweging, v-t- en s-t-diagram 2.4.3 Krachten: versnelling en vertraging

2.4.4 Krachten: zwaartekracht en opwaartse kracht

2.4.5 Krachten: overbrengingen

2.4.6 Constructies: stevigheid en stabiliteit

2.4.7 Verbindingen

2.5 De ruimte

180

2.5.1 Weersverschijnselen in relatie tot het ontstaan van de seizoenen

180 183 186

2.5.2 Het zonnestelsel

2.5.3 Bewegingen van de aarde

Natuurkunde en techniek – antwoorden

189

PROEFTOETSEN

Toets 1 Toets 2 Toets 3

213 231 247

Antwoorden

263

Normeringsschema toetsen

278 279 281 283

Literatuur

Illustratieverantwoording

Over de auteur

Inleiding

Hoe is dit boek opgebouwd? De leerstof is opgedeeld in tien kernthema’s op het gebied van natuur en tech- niek, waarvan er vijf betrekking hebben op biologie en vijf op natuurkunde en techniek. Elk van de kernthema’s is opgedeeld in subthema’s. De kernthema’s zijn samengesteld door Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) en vormen de leidraad voor de pabo-toelatingstoets Natuur & Techniek. De kernthema’s biologie staan elk voor een bepaalde blik waarmee naar levende organismen (planten, dieren en mensen) gekeken kan worden. Hieronder wordt toegelicht hoe de kernthema’s biologie worden omschreven in de Handreiking natuur en techniek. Toelichting bij de bijzondere nadere vooropleidingseisen pabo (2014) van de SLO. 1 De biologische eenheid Dit kernthema gaat over het vergelijken van organismen, waarbij wordt ge- keken naar overeenkomsten en verschillen op het niveau van ecosystemen, organismen, organen en cellen. 2 Instandhouding Bij dit kernthema staan processen centraal waarmee ecosystemen en organis- men zichzelf in stand houden. 3 Gedrag en interactie Dit kernthema behandelt de rol die zintuigen, gedrag en aanpassing van orga- nismen spelen om te overleven in een bepaalde omgeving. 4 Voortplanting Dit kernthema gaat over de voortplanting van organismen en de overdracht van erfelijke eigenschappen. 5 Groei en ontwikkeling Bij dit kernthema staan de ontwikkeling van organismen, levenscycli en de effecten van de omgeving op de ontwikkeling centraal. De kernthema’s natuur en techniek staan elk voor een bepaalde blik waarmee natuurkundige verschijnselen bekeken kunnen worden. Hieronder wordt toege- licht hoe de kernthema’s natuur en techniek worden omschreven door de SLO.

11

De pabotoets Natuur & Techniek haal je zo

1 Materie en techniek Dit kernthema gaat over bouw en eigenschappen van stoffen en materialen, hoe deze stoffen geordend kunnen worden en waarvoor ze gebruikt kunnen worden. 2 Energie en techniek Dit kernthema beschrijft de rol van energie in ons dagelijks leven, de ver- schijnselen die daarmee samenhangen en hoe we verstandig met energie kunnen omgaan. 3 Licht, geluid en techniek Bij dit kernthema gaat het over de aard van licht en geluid, verschijnselen, toepassingen en veiligheidsrisico’s. 4 Kracht, beweging en techniek Dit kernthema gaat over hoe bewegingen en constructies onderhevig zijn aan krachten, waarbij onderwerpen als verkeer, gereedschappen en bouwwerken aan de orde komen. 5 De ruimte Dit kernthema handelt over het weer en de factoren die het weer op aarde bepalen, en over de plaats en beweging van de aarde in ons zonnestelsel, waarmee verschillende verschijnselen op aarde uitgelegd kunnen worden. In dit boek vind je over elk kernthema een aantal oefenvragen. Binnen de kernthema’s zijn de vragen onderverdeeld in subthema’s. Van elk subthema wor- den de doelstelling en de bijbehorende vakinhoudelijke begrippen genoemd. Proeftoetsen Het boek bevat drie proeftoetsen, die elk uit zestig meerkeuzevragen bestaan, net als de toelatingstoets. De proeftoetsen vind je achter in het boek. In de eerste proeftoets staan de vragen op volgorde van de SLO-kernthema’s. De vragen in de laatste twee proeftoetsen staan, net als in de toelatingstoets, door elkaar. De proeftoetsen zijn samengesteld volgens de toetsmatrijs van het Cito, die ge- hanteerd wordt bij het samenstellen van de toelatingstoets Natuur & Techniek. Er worden dertig vragen gesteld die betrekking hebben op biologie en dertig die gaan over natuurkunde en techniek. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen beschrijvende vragen en toepassingsvragen. Bij de eerste soort vragen wordt een beroep gedaan op parate kennis. Bij het tweede type vragen moet de kennis wor- den toegepast in (praktische) situaties.

12

Inleiding

Toetsmatrijs Natuur & Techniek van het Cito Kernthema

Beschrijven Toepassen Totaal

1 De biologische eenheid

3 3 3 3 3 3 3 3

3 3 3 3 3 3 3 3 3 3

6 6 6 6 6 6 6 6 6 6

2 Instandhouding

3 Gedrag en interactie

4 Voortplanting

5 Groei en ontwikkeling

Totaal biologie

15

15

30

6 Materie en techniek 7 Energie en techniek 8 Licht, geluid en techniek

9 Kracht, beweging en techniek 3

10 De ruimte

3

Totaal natuurkunde en techniek 15

15 30

30 60

Totaal

30

Antwoordmodellen De antwoordmodellen van de vragen per subthema en van de proeftoetsen staan in de kenmerkende grijze katernen achter de betreffende onderdelen in het boek. Achter in het boek is een normeringstabel opgenomen voor het berekenen van de uitslag. Dit boek hangt samen met het bronnenboek Natuuronderwijs inzichtelijk van Carla Kersbergen en Amito Haarhuis, waarin de vakinhouden bij de kernthema’s worden uitgewerkt. In de antwoordmodellen wordt bij elke toetsvraag vermeld in welk hoofdstuk uit het bronnenboek de bijbehorende theorie te vinden is. Zowel de 4 e , herziene druk uit 2015 als de 5 e , herziene druk uit 2021 kan worden gebruikt: er wordt naar de betreffende hoofdstukken uit beide uitgaven van Na- tuuronderwijs inzichtelijk verwezen. Vragen die meer inzicht vereisen zijn voor- zien van extra uitleg onder de antwoordmodellen. Hoe gebruik je dit boek? Om een goed beeld te krijgen van wat je kunt verwachten, zou je kunnen starten met het maken en nakijken van de eerste proeftoets; een goede diagnostische test om jezelf vakinhoudelijk in te schatten. Wanneer je zicht hebt op de thema’s die extra aandacht vereisen, kun je een gerichte keuze maken door de vragen bij de betreffende subthema’s te maken en de daarbij behorende hoofdstukken uit Natuuronderwijs inzichtelijk te bestuderen. De twee laatste proeftoetsen kun je maken wanneer je je nieuw opgedane kennis wilt testen.

13

De pabotoets Natuur & Techniek haal je zo

Bij het beantwoorden van meerkeuzevragen kun je de volgende twee trucs in gedachten houden. De eerste truc: formuleer eerst zelf een antwoord. Zo maak je van een meerkeu- zevraag eigenlijk een open vraag. Met dit antwoord in het hoofd ga je na welke van de gegeven antwoorden het best overeenkomt met het antwoord van jouw eerste voorkeur. De tweede truc heeft te maken met de samenstelling van de vragen. Er is een min of meer algemene regel dat een van de vier antwoorden helemaal fout is. Deze afleider is vaak goed herkenbaar. Daarnaast wordt verondersteld dat je er niet altijd van uit moet gaan dat je het enige juiste antwoord eruit moet kunnen lichten, maar dat het om het meest volledige en het best kloppende antwoord gaat. Door op deze manier naar meerkeuzevragen te kijken, wordt de keuze voor het juiste antwoord vergemakkelijkt. Tot slot: het oefenen met dit boek is helaas geen garantie voor het behalen van een voldoende voor de toelatingstoets Natuur & Techniek. Maar door effectief te oefenen met gerichte oefenvragen die echt over de stof gaan, zul je inzicht en ervaring opbouwen die je nodig hebt om dit soort vragen te kunnen beantwoor- den.

14

Oefenvragen

1

Biologie

1.1 De biologische eenheid 1.1.1 Cellen

Je kunt een cel beschrijven als een zelfstandig functionerende eenheid, de on- derdelen van cellen benoemen en enkele functies daarvan toelichten. cel, weefsel, orgaan, eencellige, plantencel (bladgroenkorrel), dierlijke cel, celkern (chromosoom), celplasma, celmembraan, vacuole, celwand

1 Welke van de organismen hebben een celwand?

A

B

C

D

pijlinktvis

virus

bacil

spons

2 Chromosomen bevinden zich …

A alleen in de celkernen van plantaardige cellen en niet in de celkernen van dierlijke cellen. B los zwevend in het celplasma van zowel dierlij- ke als plantaardige cellen. C alleen in de celkernen van dierlijke cellen en niet in de celkernen van plantaardige cellen. D in de celkernen van zowel dierlijke als plant- aardige cellen.

17

1 BIOLOGIE

3 Welke bewering is juist? A In geslachtscellen komen genen in paren voor. B De genen in een bevruchte eicel komen enkelvoudig voor. C De genen in een witte bloedcel verschillen met de genen in een maagwandcel van dezelfde persoon. D De genen in een huidcel zijn gelijk aan de genen die in de bevruchte eicel voorkwamen. 4 De dierenarts in Diergaarde Blijdorp onderzoekt het braaksel van een zieke tijger en vindt hierin een vreemd stukje weefsel. Hij wil weten of dit van de tijger zelf is of van iets anders. Hij ontdekt geen celwand, alleen een celkern en een celmembraan. Is het mogelijk dat dit weefsel van de tijger zelf is? A Ja, want weefsels van de tijger bevatten altijd cellen zonder celkern en met een celmembraan. B Ja, want weefsels van de tijger bevatten altijd cellen met een celkern en een celmembraan. C Nee, want weefsels van de tijger bevatten altijd cellen zonder celmembraan. D Nee, want weefsels van de tijger bevatten alleen cellen met een celkern en een celwand. 5 Asha, een studente Biologische Wetenschappen, vergelijkt lichaamscellen van eenzelfde lichaamsdeel van een muis met die van een olifant. De monsters van deze lichaamscellen hebben dezelfde omvang. Zij ziet onder haar micro- scoop dat lichaamscellen van de muis in vergelijking tot die van de olifant … A kleiner in aantal zijn en celmembranen bevatten.

B kleiner in aantal zijn en geen celmembranen bevatten. C gelijk in aantal zijn en geen celmembranen bevatten. D gelijk in aantal zijn en celmembranen bevatten.

6 Waarvan vormen de longen, de luchtpijp, de bronchiën en het strottenhoofd gezamenlijk een voorbeeld? A een weefsel B een orgaanstelsel C een organisme D een orgaan

18

1.1 De biologische eenheid

7 Bij welke organismen treffen we cellen zonder een celwand aan? A bacteriën B planten C schimmels D dieren en mensen

8 Welk celonderdeel kan zowel worden aangetroffen in een niercel van de mens als in een bladcel van een boom? A bladgroenkorrel B celmembraan C celwand D zetmeelkorrels 9 Blauwalgen zijn eencellig en behoren niet tot de huidige algen-/wierengroep maar tot de groep van Cyanobacteriën, de oudste organismen op aarde. Er wordt geschat dat ze al 3,5 miljard jaar bestaan. Vermoedelijk waren zij de eerste organismen op aarde die zuurstof konden produceren en zo de evolutie van hogere organismen mogelijk hebben gemaakt. Dit betekent dat blauwal- gen moeten beschikken over …

A bladgroenkorrels. B een celmembraan. C een celwand. D trilharen.

1.1.2 Vormen en functies van de organen van planten

Je kunt organen van planten, dieren en mensen noemen en de relatie tussen vorm en functie toelichten. blad (huidmondje), stengel, wortel, bloem (kelk- en kroonblad, meeldraad, stamper, stempel, vruchtbeginsel), transportweefsel (hout- en bastvaten)

19

1 BIOLOGIE

1 In een paardenbloem vindt transport van beno- digde en overtollige stoffen plaats via de vaat- bundels (transportweefsel). Waar bevinden de vaatbundels zich? A in de wortel en de stengel B in de stengel C in de stengel en het blad D in de wortel, de stengel en het blad 2 In welke richting verloopt het transport van overtollige glucose, wat door fotosynthese is ge- vormd? A in opwaartse richting door de houtvaten B in neerwaartse richting door de bastvaten C in opwaartse richting door de bastvaten D in neerwaartse richting door de houtvaten 3 In welk deel van de vaatbundel worden nieuwe hout- en bastcellen gevormd? A in de cambiumcellen B in de schors C tussen de bestaande hout- en bastcellen D tussen de jaarringen 4 Alle wilgenkatjes aan deze wilgenboom zien er hetzelfde uit. We herkennen hierin duidelijk de voortplantingsorganen vanuit deze bloeiwijze (katje). Welke voortplantingsorganen zie je? Noemen we deze wilg dan éénhuizig of tweehui- zig? A stampers; éénhuizig B meeldraden; tweehuizig

C stampers; tweehuizig D meeldraden; éénhuizig

20

1.1 De biologische eenheid

5 De afgebeelde doorsnede van een tulp laat acht onderdelen zien van de bloem. Welke onderde- len vormen gezamenlijk de stamper van de bloem? A 3 – 4 – 5 – 6 B 1 – 7 – 8 C 2 – 3 – 4 – 5 D 6 – 7 – 8

6 Op de afbeelding staat een doorsnede van een stengel afgebeeld. Welk deel van de sten- gel is verantwoordelijk voor het transport van de overtollige glucose vanuit het blad naar de wortel? A I B II

C III D IV

Doorsnede van een stengel

1.1.3 V ormen en functies van de organen van dieren en mensen

Je kunt organen van planten, dieren en mensen noemen en de relatie tussen vorm en functie toelichten. • spijsverteringsstelsel (mond [gebit], slokdarm, maag, galblaas, alvleesklier, twaalfvingerige darm, dunne darm [darmvlokken], dikke darm, endeldarm, blindedarm, anus) • lever • uitscheidingsstelsel (nieren, blaas, huid) • bloedvatenstelsel (slagader, ader, haarvat, hart, kleine en grote bloedsomloop) • lymfevatenstelsel (milt, thymus/zwezerik) • ademhalingsstelsel (mond en neus, longen [luchtpijp, trilharen, bronchiën, longblaasje], middenrif, kieuwen, huidademhaling, tracheeën) • zenuwstelsel (grote en kleine hersenen, ruggenmerg, zenuwcellen, reflexen) • zintuigen (oor [trommelvlies, buis van Eustachius, gehoorbeentjes, slak- kenhuis met evenwichtsorgaan], oog [iris, pupil, lens, netvlies met staafjes, kegeltjes, blinde en gele vlek], neus, tong, gevoel) • hormoonstelsel (hypofyse, eilandjes van Langerhans, bijnieren, eierstokken en teelballen) • skelet (gewrichten, beenmerg), spierstelsel (gladde en gestreepte spieren, antagonisten) • voortplantingsstelsel (eierstokken, eileider, baarmoeder, vagina, grote en kleine schaamlippen, clitoris, teelballen, bijballen, zaadleider, prostaat, penis, zwellichaam, urinebuis, voorhuid, eikel)

21

1 BIOLOGIE

1 Samira maakt een foto van Johnny. Het is donker, daarom gebruikt ze flits- licht. De ogen van Johnny zien er op de foto gek uit. Hoe komt dat? De kring­ spieren in de iris van Johnny …

A ontspannen zich, waardoor de pupil groter wordt. B trekken zich samen, waardoor de pupil kleiner wordt. C ontspannen zich, waardoor de pupil kleiner wordt. D trekken zich samen, waardoor de pupil groter wordt.

2 Dankzij de aanwezigheid van kleurgevoelige zintuigcellen (de kegeltjes) in ons oog kunnen we kleuren zien. Waar bevinden deze kegeltjes zich? A in het glasachtig lichaam B in de iris

C in het netvlies D in het vaatvlies

3 Yannick mag serveren tijdens een tenniswed- strijd. Zijn opslag komt tot stand door samen- werking van diverse organen. Welk van de onderstaande organen is hier als eerste direct bij betrokken? A de darmen B de grote hersenen C de ogen D de spieren

4 Hieronder staan vier handelingen. Welke handeling is of welke handelingen zijn een reflex? I Direct nadat hij zijn hand op een gloeiende hete pan heeft gelegd trekt Joris zijn hand in een flits terug. II ‘Auuuuuuuw’, roept hij. III Hij kijkt met een pijnlijk gezicht naar zijn zus, die hij in tranen op de hoogte brengt van zijn pijnlijke ervaring. IV Hij toont haar daarna zijn pijnlijke hand.

A alleen handeling I B handeling I en II C handeling I, III en IV D geen van deze handelingen

22

1.1 De biologische eenheid

5 Hieronder staan drie bewegingsmodellen afgebeeld die overeenkomen met de bewegingsvormen van drie soorten gewrichten uit ons menselijk lichaam.

1

2

3

Welk van de reeksen is juist?

Afbeelding 1 is te vinden Afbeelding 2 is te vinden Afbeelding 3 is te vinden A in elleboog in schouder in voet B tussen vingerkootjes in heup in elleboog C in knie tussen vingerkootjes in heup D in schouder in knie tussen vingerkootjes 6 Het bloed van Jelte kan helaas niet op een natuurlijke manier afvalstoffen uit het lichaam zuiveren. Hij ondergaat hiervoor tweemaal per week een bloed- spoeling in het ziekenhuis. Op welke afdeling moet Jelte zich melden? A de afdeling darm-, maag- en leverziekten B de afdeling gynaecologie C de afdeling long- en vaatziekten D de afdeling nierdialyse 7 Onze bloedsomloop kunnen we verdelen in de kleine en de grote bloedsom- loop. De grote bloedsomloop begint in de … A linkerkamer en stroomt via de aorta en andere bloedvaten naar de rechter- boezem. B linkerkamer en stroomt via de longslagader en andere bloedvaten naar de rechterboezem. C rechterkamer en stroomt via de longslagader en andere bloedvaten naar de linkerboezem. D rechterkamer en stroomt via de aorta en andere bloedvaten naar de linker- boezem.

23

1 BIOLOGIE

8 Opa De Vries uit Groningen gaat voor een hoornvliestransplantatie naar het Martini Ziekenhuis. Op welke afdeling van het ziekenhuis moet hij zich mel- den?

A de afdeling dermatologie B de afdeling oogheelkunde C de afdeling long- en vaatziekten D de afdeling darm-, maag- en leverziekten

9 Tijdens de Franse Revolutie werden veel mensen op bijzonder snelle en (zo werd verondersteld) pijnloze manier onthoofd met de guillotine. Welke van de onderstaande afbeeldingen is de juiste weergave van de hals van de veroordeelde, als we ervan uitgaan dat de veroordeelde op zijn buik ligt?

I

II

III

IV

A I B II C III D IV

10 Welke organen liggen in hun geheel boven het middenrif? A de schildklier en het verlengde merg B de alvleesklier en de nier C de hypofyse en de slokdarm D de luchtpijp en de lever

24

1.1 De biologische eenheid

11 Milan heeft last van bronchitis. Welk orgaanstelsel van Milan functioneert niet optimaal? A het ademhalingsstelsel B het hormoonstelsel C het spijsverteringsstelsel D het zenuwstelsel

12 De stripfiguur Popeye staat bekend om zijn spierballen. Dit bekende stripfiguur verkrijgt zijn explosieve kracht uit spinazie. Wanneer Popeye zijn spierballen laat zien, buigt hij zijn arm. Wat gebeurt er op dat moment? A De biceps wordt gespannen en de triceps ont- spannen. B De triceps wordt gespannen en de biceps ont- spannen. C Zowel de biceps als de triceps wordt gespan- nen. D Zowel de biceps als de triceps wordt ontspan- nen.

13 Welke bewering over het gehoororgaan van de mens is juist? A Zowel het uitwendige als het inwendige deel van het oor bevat lucht, omdat dit zorgt voor een snellere geleiding van geluidstrillingen. B De evenwichtszintuigcellen bevinden zich in de drie halfcirkelvormige kana- len van het slakkenhuis. C Zowel het binnenoor als het slakkenhuis bevat lucht, omdat dit zorgt voor een snellere geleiding van geluidstrillingen. D De gehoorzintuigcellen bevinden zich in de buis van Eustachius. 14 Door melkproducten te drinken of kaas, donkere bladgroenten, noten en peulvruchten te eten krijg je veel calcium binnen. Dit is nodig voor de op- bouw en het onderhoud van je botten en je gebit. Hoe komt het mineraal calcium daar uiteindelijk terecht? A via de zenuwen

B via het bloed C via de darmen D via hormonen

25

1 BIOLOGIE

15 Om te kunnen overleven, moeten mensen soms snel kunnen reageren. Twee beweringen hierover: I Iemand zwaait plotseling gevaarlijk met een vork langs de ogen van Mark. Mark knippert met zijn oogleden. II Iemand gooit een bal hoog op in de richting van Eva. Eva strekt haar handen uit en vangt de bal op het nippertje.

Welke handeling noem je een reflex? A de handeling van Mark B de handeling van Eva C de handelingen van Mark en Eva D geen van beide handelingen

Het percentage lijmstof en kalk in je botten verandert als je ouder wordt

lijmstof kalk

percentage

leeftijd

16 De grafiek laat ons zien dat … A bij ouderen de kans op botbreuk groter wordt door de toename van lijmstof en de afname van kalk. B bij jongeren de botten meer flexibel worden door de toename van kalk en de afname van lijmstof. C bij ouderen de kans op botbreuk groter wordt door de toename van kalk en de afname van lijmstof. D jongeren vergeleken met ouderen dezelfde kans lopen op botbreuk.

26

1.1 De biologische eenheid

17 Fruittelers maken soms ringwonden in takken van fruitbomen. Ze krijgen daardoor grotere vruchten. Het overtollige zetmeel wordt nu extra opgenomen voor de vruchtvorming in plaats dat het voor opslag … A via de houtvaten naar de wortels wordt ver- voerd. B via de bastvaten naar de stengel en de wortels wordt vervoerd. C via de houtvaten naar het blad wordt ver- voerd. D via de bastvaten naar het blad wordt vervoerd.

18 Welk mineraal is belangrijk bij de aanmaak van rode bloedcellen? A calcium B fosfor C kalium D ijzer 19 In het middenoor wordt het geluidssignaal door de drie gehoorbeentjes … A versterkt en doorgegeven naar trillende vloeistof in het slakkenhuis. B omgezet in zenuwsignalen en doorgegeven naar de hersenen. C versterkt en direct doorgegeven naar de gehoorzenuw in het slakkenhuis. D omgezet in zenuwsignalen en doorgegeven naar het evenwichtsorgaan. 20 Janneke eet een zoet snoepje. In een bepaald deel van haar centrale zenuw- stelsel worden deze smaakprikkels omgezet in impulsen en verwerkt, zodat Janneke de gewaarwording van ‘zoet’ ervaart. In welk deel vindt dit plaats? A in het ruggenmerg B in de kleine hersenen C in de hypofyse D in de grote hersenen

27

1 BIOLOGIE

Bouwvakker bedolven onder betonnen balken Vrijdagochtend j.l. is bij een bedrijfsongeluk in Gorinchem een bouwvakker bedolven onder een aantal betonnen balken. De gewonde man is met de nodige schrik vrijgekomen en met de ambulance direct afgevoerd naar het Beatrixziekenhuis in Gorinchem. Daar aangekomen werd geconstateerd dat het vol- ledige onderbeen was gebroken.

21 Welk bot is of welke botten zijn bij de bouwvakker gebroken? A het dijbeen B het opperarmbeen C het scheenbeen en het kuitbeen D het spaakbeen en de ellepijp

22 Door stress gaan we vaak sneller en oppervlakkiger ademhalen, wat leidt tot een onbalans tussen zuurstof en koolstofdioxide in ons lichaam. Aanbevolen wordt dan vooral adem te halen vanuit de buik via de middenrifspieren (wat middenrifademhaling genoemd wordt). Tijdens het inademen bij middenrif­ ademhaling zullen de middenrifspieren … A ontspannen; zakt het middenrif naar beneden en veroorzaakt een lagere druk in de longen in vergelijking met de luchtdruk buiten, waardoor de longen volstromen. B samentrekken; zakt het middenrif naar beneden en veroorzaakt een lagere druk in de longen in vergelijking met de luchtdruk buiten, waardoor de lon- gen volstromen. C ontspannen; zakt het middenrif naar beneden en veroorzaakt een hogere druk in de longen in vergelijking met de luchtdruk buiten, waardoor de lon- gen volstromen. D samentrekken; zakt het middenrif naar beneden en veroorzaakt een hogere druk in de longen in vergelijking met de luchtdruk buiten, waardoor de lon- gen volstromen.

28

1.1 De biologische eenheid

buitenlucht

buitenlucht

2

3

1

4

long

middenrif

23 Deze proefopstelling toont de luchtdruk in de longen en die van de buiten- lucht, zoals die optreedt tijdens het in- en uitademen. Welke bewering is juist? A De luchtdruk in de longen bij 4 is hoger dan de luchtdruk 3 van de buiten- lucht. B De luchtdruk 3 van de buitenlucht is hoger dan de luchtdruk 4 in de longen. C De luchtdruk 2 van de buitenlucht is lager dan de luchtdruk 1 in de longen. D De luchtdruk 1 in de longen is hoger dan de luchtdruk 2 van de buitenlucht.

1.1.4 De ordening van planten en dieren

Je kunt kenmerken van planten en dieren gebruiken om ze te classificeren en daarbij het begrip ‘soort’ toepassen. soort, determineertabel, eencelligen, schimmels, planten (sporenplanten, mossen, korstmossen, vaatplanten [naaktzadigen, bedektzadigen]), dier, warm- en koudbloedig, gewervelde dieren (amfibie, vogel, reptiel, vis [kraak- beenvis], zoogdier [buideldier]), ongewervelde dieren (holtedieren [kwal, zeeanemoon], sponzen, wormen, weekdieren [schelpen, huisjes- en naakt- slakken, koppotigen zoals inktvis, octopus], stekelhuidigen [zeester], geleed- potigen [duizendpoten, kreeftachtigen zoals krabben, kreeften en garnalen, spinachtigen, insecten])

29

1 BIOLOGIE

1 Planten komen op verschillende plaatsen voor. Bij welk antwoord staat de juiste combinatie van hoofdgroep planten en de plaats waar ze groeien?

groep

plaats

A algen/wieren B korstmossen

alleen in het water

zowel in het water als op het land

C mossen

alleen in het water

D algen/wieren

zowel in het water als op het land

2 Dit is een …

A bedektzadige plant waar wel bestuiving maar geen vruchtvorming plaatsvindt. B naaktzadige plant waar wel bestuiving maar geen vruchtvorming plaatsvindt. C bedektzadige plant die zaden vormt vanuit bloemvorming, bestuiving en vruchtvorming. D naaktzadige plant die zaden vormt vanuit bloemvorming, bestuiving en vruchtvorming. 3 Jasmijn houdt een spreekbeurt over haar Siamese kat. Vanuit de taxonomie deelt ze de siamees in. In welke hoofdafdeling/stam moet Jasmijn de Siamese kat indelen? A gewervelde dieren B katachtigen C roofdieren (carnivoren) D zoogdieren

4 Harm ziet in zijn dierenboek over woestijndieren drie dieren afgebeeld: een schorpioen, een gilamonster (giftige hagedis) en een ratelslang. Welk van de onderstaande dieren is of welke zijn koudbloedig? A alleen de schorpioen B alleen het gilamonster en de ratelslang C alle drie de genoemde dieren D geen van de drie genoemde dieren

30

1.1 De biologische eenheid

5 Welk dier behoort tot dezelfde afdeling als de afgebeelde schelpdieren? A de inktvis

B de krab C de kwal D de zeester

6 Inra uit groep 6 maakt een werkstuk over een zoogdier. Over welke van de onderstaande soorten kan het werkstuk van Inra gaan?

A de krielkip B de oorkwal C de dolfijn D het zeepaardje

7 Welke van de onderstaande beweringen is juist? I Een pinguïn behoort tot dezelfde hoofdafdeling/stam als de huismus. II Pinguïns beschikken net als reptielen over longademhaling.

A Alleen I is juist. B Alleen II is juist. C I en II zijn juist. D I en II zijn onjuist.

Segment

Onderdeel

Rijk

Dieren

Stam

Gewervelde dieren

?

Zoogdieren Haasachtigen

Orde

Familie

Hazen en konijnen

8 Vanuit de taxonomie van het dierenrijk wordt het konijn volgens het afge- beelde schema ingedeeld. Wat moet er op de plaats van het vraagteken staan? A geslacht B hoofdafdeling

C klasse D soort

31

Made with FlippingBook - professional solution for displaying marketing and sales documents online