Spoko spoko tekstboek - Katarzyna Wiercińska

Katarzyna WierciŃska

A1- A2-min

Spoko spoko

S s p p o o k k o o Basiscursus pools t e k s t b o e k

u i t g e v e r ij

c

c o u t i n h o

Spoko spoko Tekstboek

Spoko spoko – Basiscursus Pools bestaat uit: ■ Tekstboek ■ Oefenboek ■ Online materiaal ( www.coutinho.nl/spokospoko )

Spoko spoko Basiscursus Pools tekstboek

Katarzyna Wiercińska

c u i t g e v e r ij c o u t i n h o

bussum 2021

www.coutinho.nl/spokospoko Je kunt aan de slag met het online studiemateriaal bij dit boek. Dit materiaal bestaat uit extra oefeningen, audiomateriaal, toetsen, woordenlijsten, antwoorden en links.

© 2021 Uitgeverij Coutinho bv Alle rechten voorbehouden.

Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elek- tronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van reprografische verveelvoudigingen uit deze uitgave is toe - gestaan op grond van artikel 16h Auteurswet 1912 dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Reprorecht (www.reprorecht.nl). Voor de readerregeling kan men zich wenden tot Stichting UvO (Uitgeversorganisatie voor Onderwijslicenties, www.stichting-uvo.nl). Voor het gebruik van auteursrechtelijk beschermd materiaal in knipselkranten dient men contact op te nemen met Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie, www.stichting-pro.nl).

Uitgeverij Coutinho Postbus 333 1400 AH Bussum info@coutinho.nl www.coutinho.nl

Omslag: Buro Brouns, Utrecht Geluid: KlankTank, Utrecht Stemmen: Magdalena Sechagen, Martyna America, Piotr Czarnecki en Tomasz Węgrzyn Wetenschappelijk advies: Kris Van Heuckelom Noot van de uitgever Wij hebben alle moeite gedaan om rechthebbenden van copyright te achterhalen. Personen of instanties die aanspraak maken op bepaalde rechten, wordt vriendelijk verzocht contact op te nemen met de uitgever. De personen op de foto’s komen niet in de tekst voor en hebben geen relatie met het- geen in de tekst wordt beschreven, tenzij het anders vermeld is.

ISBN: 978 90 469 0729 0 NUR: 630

Voorwoord

ʻIk wil gewoon meedoen aan het gesprek maar ik heb de indruk dat ik de hele tijd verschillende uitgangen aan het leren ben die ik dan snel weer vergeet’, zei ooit een Nederlandstalige vriend van mij. Na een paar maanden cursus Pools raakte hij steeds meer teleurgesteld, temeer omdat hij Pools om persoonlijke redenen wilde leren. Zijn teleurstelling was heel begrijpelijk: het maakt niet uit om welke redenen je een vreemde taal leert, je wilt gewoon zo snel mogelijk in deze taal kunnen communiceren. In sommige talen lukt dit sneller dan in an- dere. Slavische talen staan bekend om hun complexe grammatica, waardoor communiceren in een Slavische taal voor veel mensen knap lastig is. Maar … spoko, wees niet bang, het komt goed! Het uitgangspunt van Spoko spoko is een evenwicht tussen grammatica en spreekvaardigheid. De dagelijkse communicatie staat in deze methode cen- traal en de grammaticale onderwerpen worden stap voor stap opgebouwd. Alle uitleg krijg je in het Nederlands. Maar de taal is altijd meer dan alleen woordenschat en grammatica. Daarom besteden we ook veel aandacht aan de Poolse cultuur en de subtiele verschillen tussen het dagelijks leven in Polen en Nederland/België. Deze taalcursus was niet tot stand gekomen zonder de waardevolle steun van de medewerkers van Uitgeverij Coutinho die altijd klaar stonden met ad- viezen. Bedankt dat jullie open waren voor verschillende ideeën en voor de creatieve sfeer die zonder twijfel veel heeft bijgedragen tot het eindproduct. Ook de drie meelezers wil ik van harte bedanken voor hun inzet: prof. dr. Kris Van Heuckelom van de KU Leuven voor al zijn advies – vooral rond de gram- matica –, Michiel Van de Gucht voor zijn scherpe blik – zowel wat betreft taal als potentiële gebruiker – en Maria Krawczyk-van Es, die als docente Pools in Nederland heeft meegekeken hoe verschillende oefeningen in de les zouden werken (of niet). Tot slot bedank ik nog mijn familie en vrienden, met name Bas, die de allereerste lezer was, voor al hun steun en geduld.

Katarzyna Wiercińska Voorjaar 2021

Inhoudsopgave

Hoe gebruik je Spoko spoko ?

13

Klassentaal

18

Gotowi do startu... start!

21

Alfabet i wymowa – Het alfabet en de uitspraak

21 21 22 22 24 24 28 29 32 33 34 35 35 36 40 41 42 43 43 47 49 51 52 31

De letters van het Poolse alfabet

Schrijfwijzen

Alfabetoverzicht

Klinkers

Medeklinkers

Klankencombinaties

Klemtoon

1

Kto to jest? Co to jest? – Wie is dat? Wat is dat?

1.1 Paweł en Karolina

1.1.1 Zeggen hoe je heet (1)

1.1.2 Persoonlijke voornaamwoorden

1.1.3 Werkwoorden: mieć (hebben) en być (zijn)

1.1.4 Voornaamwoorden weglaten

1.1.5 Anderen voorstellen

1.1.6 Mannelijke, vrouwelijke en onzijdige woorden

1.2 Pawełs werkkamer

1.2.1 Objecten aanwijzen en beschrijven

1.2.2 Bezittelijk voornaamwoord: czyj?/czyja?/czyje? (van wie?) 1.2.3 Aanwijzend voornaamwoord in het enkelvoud: ten czy tamten? (deze of die?) 1.2.4 Bijvoeglijk naamwoord: jaki?/jaka?/jakie? (wat voor een?)

1.3 Hoe zien zij eruit? 1.4 Uitspraak: s, sz, ś

1.5 Cultuur: Tutoyeren of niet?

2

Cześć, co słychać? – Hoi, hoe gaat het?

55

2.1 Ontmoeting op straat

56 57 58 59 61 62 64 65 69 70 74 75 77 80 83 84 89 90 73

2.1.1 Begroeten en afscheid nemen 2.1.2 Zeggen hoe je heet (2) 2.1.3 Werkwoorden type -m, -sz

2.2 Optimist en pessimist

2.2.1 Vragen hoe het gaat

2.3 Formulieren invullen

2.3.1 Vragen naar de woonplaats, herkomst en leeftijd

2.4 Uitspraak: r, l

2.5 Cultuur: Poolse voor- en achternamen

3

Czym się zajmujesz? – Wat doe jij voor werk?

3.1 Wat doe jij?

3.1.1 Vragen en zeggen wat voor werk je doet

3.1.2 Naamvallen: instrumentalis

3.2 Solliciteren

3.2.1 Vertellen welke talen je kunt spreken en wat je kunt

3.2.2 Werkwoorden type -ę , -esz en -ę , -isz/-ysz

3.3 Uitspraak: c, cz, ć

3.4 Cultuur: De werkcultuur in Polen

4

Co lubisz robić? – Wat doe je graag?

93

4.1 Het weekend

94 95 98

4.1.1 Praten over voorkeur 4.1.2 Naamvallen: accusatief

4.2 Wat doe je in je vrije tijd?

103 104 107 108

4.2.1 Frequentie uitdrukken

4.3 Uitspraak: c, s, z

4.4 Cultuur: Volkstuintjes ( działki )

5

Zwykły dzień. – Een gewone dag.

111

5.1 Een volle agenda

112 114 120

5.1.1 Plannen maken

5.1.2 Modale werkwoorden (moeten en kunnen)

5.2 Afspreken

123 124 127 128

5.2.1 Klokkijken (de formele stijl) 5.3 Uitspraak: stemhebbend/stemloos 5.4 Cultuur: Wie is er nu directer?

6

Spieszę się …Mam spotkanie. – Ik moet opschieten … Ik heb een afspraak.

131

6.1 Karolina in Poznań

132 133 136 143 144 147 148 152 154 157 161 162 165 166 170 173 175 176 178 180 182 185 186 151 169

6.1.1 De weg vragen en wijzen 6.1.2 Naamvallen: genitief

6.2 Met het openbaar vervoer

6.2.1 Instructies geven over openbaar vervoer

6.3 Uitspraak: stemhebbend/stemloos 6.4 Cultuur: Het openbaar vervoer in Polen

7

Idę na zakupy. – Ik ga boodschappen doen.

7.1 Wat eten we vandaag?

7.1.1 Een boodschappenlijstje maken

7.1.2 Het meervoud (1)

7.2 In de winkel

7.2.1 Gesprek in een winkel

7.3 Uitspraak: hard/verzacht

7.4 Cultuur: De Poolse markten (targowiska)

8

Smaczny posiłek. – Een lekkere maaltijd .

8.1 Koken

8.1.1 In de keuken

8.1.2 Meervoud: adjectief uitgangen (1)

8.1.3 Nodig hebben / nodig zijn

8.2 In het restaurant

8.2.1 Uit eten

8.2.2 Klankalternaties

8.3 Uitspraak: cz, ć , c

8.4 Cultuur: De Poolse keuken

9

Jak on wygląda? – Hoe ziet hij eruit?

189

9.1 Afspraak met onbekenden

190 193 195 200 203 206 207 208 212 215 217 220 221 224 226 226 230 234 236 238 239 242 245 246 211 229

9.1.1 Het uiterlijk

9.1.2 Het meervoud (2)

9.2 Winkelen

9.2.1 Kleren kopen 9.2.2 Bijwoorden

9.3 Uitspraak: sz, ś , s

9.4 Cultuur: Hoe formeel zijn Polen qua kleding?

10

Weekendowa wycieczka! – Een weekenduitstapje!

10.1 Een weekendje weg

10.1.1 Plannen maken voor een weekend buiten de stad

10.1.2 Werkwoorden van beweging

10.2 Plannen maken

10.2.1 Klokkijken (de informele stijl) 10.2.2 Meervoud: adjectief uitgangen (2)

10.3 Uitspraak: cz, ć , c

10.4 Cultuur: Parawaning, een vreemde vakantiegewoonte in Polen

11

Szukammieszkania. – Ik zoek een appartement.

11.1 Huizenjacht

11.1.1 Een woning zoeken 11.1.2 Naamvallen: locatief

11.1.3 Klankalternaties a ↔ e, o ↔ e en ó ↔ e

11.2 Gesprek met de makelaar

11.2.1 Positiewerkwoorden en preposities

11.3 Uitspraak: cz, ć en sz, ś

11.4 Cultuur: Wooncultuur in Polen

12

Jaka pogoda będzie jutro? – Wat voor weer wordt het morgen? 249 12.1 Het weer in Londen 250 12.1.1 Het weer 252 12.1.2 Toekomende tijd (1) 256 12.1.3 Locatief : meervoudsuitgangen en adjectieven 258

12.2 Het weerbericht

260 261 263 268 269

12.2.1 De windrichtingen 12.2.2 Werkwoordsaspect

12.3 Uitspraak: c, z

12.4 Cultuur: Microklimaat: een redding voor je gezondheid?

13

U lekarza. – Bij de dokter.

273

13.1 Ziek 274 13.1.1 Je symptomen beschrijven en een afspraak bij de dokter maken 277 13.2 Bij de dokter 280 13.2.1 Zieke mensen advies geven 281 13.2.2 Verleden tijd 283 13.2.3 Toekomende tijd (2) 288 13.3 Uitspraak: ś , ź , ć , dź en sz, rz ( ż ), cz, dż 289 13.4 Cultuur: De gezondheidszorg in Polen 290

14

To było dawno temu! – Dat was lang geleden!

293

14.1 Foto’s kijken

294 298 299 301 302 304 305 310 313 314 316 317 317 322 323 309

14.1.1 Praten over het verleden

14.1.2 Onregelmatige werkwoorden in de verleden tijd

14.2 In welk jaar was dat?

14.2.1 Jaartallen

14.3 Uitspraak: dz, dż en dź (dzi)

14.4 Cultuur: Het verleden en familiebanden in Polen

15

Wszystkiego najlepszego! – Het allerbeste!

15.1 Jarig

15.1.1 Wensen bij verschillende gelegenheden

15.1.2 Persoonlijke voornaamwoorden: andere naamvallen

15.2 Een mooi cadeau

15.2.1 Een vergelijking maken

15.2.2 Adjectieven : trappen van vergelijking

15.3 Uitspraak: alle klanken

15.4 Cultuur: De feestdagen in Polen

Lijst met grammaticale termen

325

Illustratieverantwoording

329

Over de auteur

331

Hoe gebruik je Spoko spoko ?

Beste cursist,

Witaj, welkom bij je cursus Pools. Misschien wil je Pools om persoonlijke of professionele redenen leren of misschien vind je Polen een mooie reisbestem- ming. Wat de reden van je interesse voor het Pools ook is, je begint aan een van de grootste talen van de Europese Unie! Spoko spoko : Tekstboek Deze basiscursus Pools brengt je halverwege niveau A2. In de vijftien hoofd - stukken, die per onderwerp zijn geordend, leer je de woordenschat en gram- matica die je kunt gebruiken in dagelijkse situaties. De grammatica staat in dienst van de spreekvaardigheid en de bedoeling is dat je zo snel mogelijk communicatief kunt spreken en schrijven. Je begint met basisonderwerpen (zoals jezelf voorstellen) en geleidelijk aan ga je naar meer specifieke en moeilijkere onderwerpen (zoals een appartement huren of doktersbezoek). Daarnaast krijg je ook veel informatie over het dagelijks leven in Polen. In alle hoofdstukken volg je vier Poolse personages: Paweł en Karolina en hun vrien - den Piotr en Marlena.

Het tekstboek begint met uitleg over het alfabet en de uitspraak.

De hoofdstukken hebben een vrij vaste opbouw. Per hoofdstuk zijn er twee tot drie leesteksten die ook te beluisteren zijn, gevolgd door een woordenlijst.

trzynaście 13

Spoko spoko

Daarna volgt een onderdeel taalfuncties en/of grammatica.

Bizon Overal waar je de bizon tegenkomt krijg je een tip, extra informatie of aanvul- lende uitleg bij een grammaticaonderdeel of woordenschat.

Tussendoor ga je aan de slag met de taalfuncties en de grammatica in diverse oefeningen. Van invuloefeningen tot spreekoefeningen. Bij sommige (spreek)-­ oefeningen moet je informatie vergaren bij je medecursist. Het materiaal dat je daarvoor nodig hebt vind je achter in het oefenboek.

Na de taalfuncties en grammatica volgt een paragraaf over de uitspraak van lastige klanken. Een cartoon, die ook te beluisteren is, laat je zien hoe mak- kelijk er spraakverwarring kan ontstaan. Op de website vind je vervolgens telkens twee oefeningen waarin je met de klanken aan de slag gaat.

14 czternaście

Hoe gebruik je Spoko spoko ?

Elk hoofdstuk sluit af met een onderdeel over de Poolse cultuur.

Aan het eind van het boek vind je een lijst met grammaticale termen. Bij Spoko spoko is een handige inlegger die je kunt gebruiken als geheugen- steuntje bij de grammatica. Daarop staat een beknopt overzicht van de gram- maticale uitgangen.

piętnaście 15

Spoko spoko

Pictogrammen In dit boek worden de volgende pictogrammen gebruikt:

een luisteroefening (de audio vind je op de website)

een spreekoefening

materiaal of een link online

woordenschat (woorden of taalfuncties)

uitleg van de grammatica

Naast dit tekstboek bestaat deze cursus nog uit twee andere delen.

Spoko spoko : Oefenboek In het oefenboek vind je veel open en gesloten oefeningen waarmee je de woordenschat en zinsconstructies die je in het tekstboek hebt geleerd, schrif- telijk kunt oefenen. Misschien kiest je docent ervoor om een aantal oefeningen ook in de les door te werken, maar je kunt ze ook zelfstandig doorwerken. Bij twijfel kun je terugvallen op de uitleg in het tekstboek. Achter in het oefenboek vind je een uitgebreid grammaticaoverzicht en diverse woordenlijsten. Daarnaast vind je er het materiaal voor cursist A en B, horende bij het tekstboek. Spoko spoko : Website Op de website bij deze cursus vind je vooral gesloten grammaticaoefeningen waar je je kennis van de grammaticale regels kunt oefenen. Je krijgt direct dui- delijkheid of je antwoord goed is of niet. De oefeningen voor elk hoofdstuk variëren in vorm. Naast invuloefeningen zijn er ook meerkeuzeopdrachten. De oefeningen zijn zo gemaakt dat de gramma- ticale onderwerpen steeds terugkomen, zodat je ook regels moet toepassen die je in eerdere hoofdstukken hebt geleerd. Als je bijvoorbeeld in het ene hoofdstuk de instrumentalis leert kennen en de accusatief in het hoofdstuk daarna, dan krijg je niet alleen oefeningen rond de accusatief , maar ook de oefeningen waar de twee naamvallen door elkaar staan. In het begin zul je waarschijnlijk vaak de inlegger (of het boek) erbij pakken en in de tabel de juis- te naamval opzoeken, maar na een tijdje heb je dat steeds minder nodig.

16 szesnaście

Hoe gebruik je Spoko spoko ?

Bij elk hoofdstuk vind je ook lexicale oefeningen en luisteroefeningen op de website. Daarnaast zijn er ook per hoofdstuk uitspraakoefeningen waarmee je de moeilijkere Poolse klanken kunt oefenen, zoals s, ś , sz; z, ź , ż ; c, ć , cz of dz, dź , dż . Het vereist namelijk oefening om het verschil tussen deze klanken te kunnen horen. Tot slot vind je op de website de audiobestanden, drie toetsen, de antwoorden bij opdrachten uit het tekst- en oefenboek en de toetsen, en enkele leuke en nuttige links.

Veel succes! Powodzenia!

siedemnaście 17

Klassentaal

Mam pytanie. Ik heb een vraag.

Nie wiem. Ik weet het niet.

pszestraszoni przestraszoni przestraszony??

Jestem zmęczony.

Zmęczony?

Co znaczy ‘zmęczony’? Wat betekent ‘zmęczony’?

Jak to się pisze? Hoe schrijf je dat?

???

…więc jut … pszzz o dzie … pszz … tej pszzzzzzz …

Nie rozumiem. Ik versta/begrijp het niet.

Proszę powtórzyć. Kun je dat herhalen?

18 osiemnaście

Klassentaal

Jak się mówi ‘de stoel’ po polsku? Hoe zeg je ‘de stoel’ in het Pools?

Jak się wymawia ‘mąka’? Hoe spreek je ‘mąka’ uit?

Czy wszystko jasne? Is alles duidelijk?

Czy coś powtórzyć? Kan ik iets herhalen?

dziewiętnaście 19

Gotowi do startu … start!

Alfabet i wymowa – Het alfabet en de uitspraak

Een overvaller staat in de winkel en wil geld van de kassière … – Dawaj kasz ę! – Proszę! (De kassière geeft hem een pakje boekweit) – Co ty mi dajesz?! – Przecież powiedziałeś ‘ka sz ę’? – Kas ę! Dawaj ka s ę! – Geef me boekweit! – Hier! – Wat geef jij me nou?! – Je zei toch ‘boekweit’? – Geld! Geef me geld!

kasza (boekweit)

kasa (poen, geld)

De letters van het Poolse alfabet Het Poolse alfabet bestaat uit 32 letters, waarvan er negen diakritische tekens hebben in de vorm van een staartje, puntje of streepje. De functie van deze staartjes, puntjes en streepjes is om de uitspraak aan te duiden: dit zijn andere klanken dan dezelfde letters zonder diakritische tekens. In het Pools schrijf je de woorden in grote mate zoals je ze uitspreekt. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Engels of het Frans, waar de uitspraak vaak anders is dan je zou verwachten op basis van de spelling. Als je de Poolse letters eenmaal kent, weet je dus van bijna alle woorden ook hoe je ze moet uitspreken.

dwadzieścia jeden 21

Spoko spoko

Schrijfwijzen Sommige Poolse klanken hebben meerdere schrijfwijzen, net zoals we in het Nederlands ‘ei’ en ‘ij’ hebben voor dezelfde klank. In het schema zie je bij die klanken de extra schrijfwijze in de kolom ‘andere schrijfwijze’.

Alfabetoverzicht

Voorbeeldwoorden

Klinkt als

Spel je als

Andere schrijf- wijze

A a

/a/: zoals in het Nederland- se woord ‘m a n’ /on/: een nasale klank zoals in het Nederlandse woord ‘champign on ’ of in het Franse woord ‘b on ’ /ts/: zoals in het Neder- landse woord ‘fie ts ’ /tsj/: een zachte ‘c’, zoals in de Nederlandse woorden ‘ tj onge’ of ‘ka tj e’ /e/: zoals in de Nederland- se woorden ‘m e t’, ‘z e s’ /en/: een nasale klank zoals in de Franse woorden ‘bi en ’ of in ‘f in ’ /g/: zoals in het Engelse woord ‘ g ood’ /h/: de klank ligt tussen de Nederlandse /h/ en /ch/ zoals in ‘na ch t’ /ie/: zoals in de Nederland- se woorden ‘d ie p’ of ‘l ie d’ /b/ /d/ /f/

[a]

ale, dwa, sala

ząb, mają, idą

[ ą ] of [a z ogonkiem] (letterlijk a met een staartje)

Ą ą

B b C c

[be] [tse]

brat, bo, dobry co, miejsce, noc

ć = ci

ciekawy, ojciec, dosyć, lecieć

[tsje ] of [c z kreską] (letterlijk c met een streepje)

Ć ć

D d E e

[de]

dom, kiedy, nigdy Ewa, jego, panie

[e]

ręka, idę, trochę

[ ę ] of [e z ogonkiem] (letterlijk e met een staartje)

Ę ę

F f

[ef]

film , telefon, fotograf gdy, dlatego, drogi

G g

[gje]

[ha]

h = ch

herbata, chwila, kocham, ruch

H h

I i

[ie]

inny, kino, polski

J j

/j/

[ jot] [ka]

ja, moja, kraj kot, tylko, jak

K k

/k/

22 dwadzieścia dwa

Gotowi do startu … start!

L l Ł ł

/l/

[el]

lato, dla, bal

[ew]

ławka, zły, miał

/w/: zoals in het Neder- landse woord ‘ee uw ’ of in het Engelse woord ‘ w ater’

M m /m/

[em]

mama, chcemy, wieczorem nos, ładny, pan

N n Ń ń

/n/

[en]

ń = ni

nie, koniec, słońce, koń

[enj ] of [n z kreską] (letterlijk n met een streepje)

/nj/: een zachte ‘n’, zoals in het Nederlandse woord ‘ora nj e’ /o/: zoals in de Nederlandse woorden ‘b o s’ en ‘ o nder’ /oe/: zoals in de Neder- landse woorden ‘st oe l’ en ‘d oe n’

O o

[o]

okno, lot, Maroko

ó = u

lód, ósmy, samochód

[oe] of [o/oe z kres- ką] (letterlijk o/oe met een streepje)

Ó ó

P p R r

/p/

[pe] [er]

praca, kapitan, laptop

/r/

rower, teraz, komputer

S s Ś ś

/s/

[es]

stół , prosty, sos

ś = si

świetnie, myśli, tysiąc, coś

[esj ] of [s z kreską] (letterlijk s met een streepje)

een zachte /sj/: zoals in de Nederlandse woorden ‘ sj aal’ of ‘mui sj e’

T t

/t/

[te]

tutaj, stary, nawet lud, ucho, musimy, rozumiem

u = ó

[oe ] of [oe zwykłe] (letterlijk een gewo- ne oe)

U u

/oe/: zoals in de Neder- landse woorden ‘st oe l’ en ‘m oe ’ landse woorden ‘ v orst’ en ‘ v enster’ /i/: lijkt op een korte ‘i’ zoals in de Nederlandse woorden ‘d i k’ en ‘k i p’

[voe]

woda , naprawdę, mówić

W w /v/: zoals in de Neder-

[igrek]

my, brudny, pytanie

Y y

Z z

/z/

[zet]

zero , rozmawiać, zaraz źle, ziemia, groźny

ź = zi

Ź ź

een zachte [zj]

[zjet] of [zet z kres- ką] (letterlijk zet met een staartje) [zjet] of [zet z krop- ką] (letterlijk zet met een puntje)

ż = rz

żeby, żubr, może, rzeka, otworzyć

Ż ż

een harde [zj] zoals in het Nederlandse woord ‘ j our- naal’

dwadzieścia trzy 23

Spoko spoko

Let op het verschil tussen de geschreven ‘t’, ‘l’ en ‘ł’.

‘T, t’ is

, ‘L, l’ is

en ‘Ł, ł’ is

.

Klinkers De Poolse klinkers spreek je in de regel kort uit. ‘Y’ spreek je bijvoorbeeld uit als de Nederlandse ‘i’ zoals in het woord ‘dit’. En als je een Pool het woord ‘los’ (het lot) hoort uitspreken, dan klinkt het als het Nederlandse woord ‘los’ en niet ‘loos’. Alleen de ‘i ’ heeft een lange uitspraak, zoals de Nederlandse ‘ie’ in het woord ‘fiets’.

Op een paar leenwoorden (zoals ‘zoo’) na kent het Pools geen woorden met dubbele klinkers zoals ‘kaas’ of ‘boot’ in het Nederlands. In het woordje ‘zoo’ hoor je in het Pools een korte ‘o’ aan het einde.

Medeklinkers Poolse medeklinkers zijn onder te verdelen in zachte, functioneel zachte en harde medeklinkers. Het is de moeite waard om deze verdeling te onthouden, omdat het van belang is bij het leren van verbuigingsuitgangen. Je zult merken dat sommige uitgangen combineren met bepaalde soorten klanken. Zachte medeklinkers ■ j, l, ś, ź, ć, dź, ń ■ alle andere medeklinkers die worden gevolgd door -i, bijvoorbeeld: ki, pi

Als je een zachte medeklinker uitspreekt, dan gaat het middelste gedeelte van je tong omhoog richting je gehemelte.

Voor de zachte medeklinkers zijn er twee schrijfwijzen: 1 met een streepje, zoals: ś, ź, ć, dź, ń 2 met een ’i’, zoals: si, zi, ci, dzi, ni

24 dwadzieścia cztery

Gotowi do startu … start!

Een streepje gebruik je altijd aan het einde van het woord zoals in słoń , of łoś . Een ’i’ gebruik je voor een klinker zoals in koniec, ciekawy of ciasto. Als een zachte medeklinker voor een andere medeklinker staat, dan krijg je bij sommige woorden een streepje (zoals słońce of miłość ) en bij andere woorden een ‘i’ (zoals zima of cicho). De schrijfwijze moet je onthouden.

Functioneel zachte medeklinkers ■ c, dz, cz, dż, sz en rz/ż

De functioneel zachte medeklinkers vormen een bijzondere groep. In heden- daags Pools worden ze hard uitgesproken, maar in het verleden waren ze zacht. Daarom noemen we deze medeklinkers ‘verharde’ of ‘functioneel zach- te’ medeklinkers. Ze worden functioneel zacht genoemd, omdat ze fungeren als zachte medeklinkers als je bijvoorbeeld verschillende uitgangen aan het woord toevoegt.

Harde medeklinkers ■ alle overige medeklinkers

Als je een harde medeklinker wil uitspreken, dan blijft het middelste gedeelte van je tong liggen in je mond.

Letters die niet in het Pools voorkomen (behalve in een paar leenwoorden) maar handig kunnen zijn om je naam te kunnen spellen, zijn: v [faw], x [ieks] en q [koe].

1 Luister naar de opname en zeg de volgende woorden na. Let erop hoe je tong beweegt.

1 siano 2 samo 3 zięby 4 zęby 5 ciemny

6 cenny 7 Kasia 8 kasa

9 koś 10 kos

dwadzieścia pięć 25

Spoko spoko

2 Spel je voor- en achternaam in het Pools voor je medecursisten.

3 Werk in tweetallen. Hoe spreek je deze afkortingen in het Pools uit? Probeer ze om de beurt voor te lezen. 1 ING

4 USB 5 EU 6 BMW

2 H&M 3 KLM

4 Werk in tweetallen. Hoe heten de voorwerpen in het Pools? Cursist A leest een woord voor en spelt het voor cursist B. Daarna ruil je om en schrijft cur- sist A een woord op dat cursist B spelt. Werk zo alle woorden af. Het materiaal voor cursist A en cursist B vind je achter in het oefenboek.

5 Klankenzeeslag! Zet in de tabel één schip van drie hokjes lang, twee sche- pen van twee hokjes en drie schepen van één hokje. Om te mikken op het veld van je medecursist moet je de hele klankencombi- natie maken en voorlezen. Kies eerst een van de verticale klanken, bijvoor- beeld ‘b’, en dan een van de horizontale klanken, bijvoorbeeld ‘u’. Jouw klan- kencombinatie is dan ‘bu’.

26 dwadzieścia sześć

Gotowi do startu … start!

naammedecursist:

ik

a e o u y

a e o u y

b

b

c d f g h k ł n r

c d f g h k ł n r

s w z

s w z

dwadzieścia siedem 27

Spoko spoko

Klankencombinaties In tegenstelling tot het Nederlands heeft het Pools geen tweeklanken (zoals ‘au’ of ‘ui’), maar in het Pools komen wel een paar klankencombinaties voor:

Klank Uitspraak

Andere schrijfwijze

Voorbeelden

cz

een harde /tsj/, harder dan in het Nederlandse woord ‘ Tsj echië’ of in het Engelse woord ‘ ch eddar’ een harde /dz/ wordt uitgesproken als één klank een zachte /dzj/, zachter dan bijvoor- beeld in het Engelse woord ‘ g enius’ een harde /dzj/, zoals in het Engelse woord ‘ J ohn’ of ‘ j ungle’ een harde /sj/, zoals in het Engelse woord ‘ sh ould’ of in het Nederlandse woord ‘ ch anteren’

czarny, rzeczywiście, klucz

dz

dzwonić, rodzaj, władza

dź = dzi

dźwig, dzisiaj, dziecko, prowadzić dżem, dżungla, drożdże

sz

szukać , jeszcze, robisz

Bij het uitspreken van ‘sz’, ‘cz’, ‘ dż ’ en van ‘rz/ ż ’ gaat het puntje van je tong omhoog richting het voorste gedeelte van je gehemelte.

6 Luister naar de opname en zeg de volgende woorden na. Let erop hoe je tong beweegt.

1 cieszę 2 czeszę 3 prosię 4 proszę 5 kasza

6 kasa 7 paczki 8 packi 9 walcz 10 walc

7 Werk in tweetallen. Welke woorden hoor je? Kruis de woorden aan die je medecursist voorleest. Lees daarna jouw woorden voor aan je medecursist. Het materiaal voor cursist A en cursist B vind je achter in het oefenboek.

28 dwadzieścia osiem

Gotowi do startu … start!

Klemtoon De klemtoon ligt in het Pools meestal op de voorlaatste lettergreep. Bijvoor- beeld: ro -wer (de fiets) zmę- czo-ny (moe) au-to-stra-da (de snelweg) In sommige leenwoorden wordt de op twee na laatste lettergreep beklem- toond. Bijvoorbeeld: pre-zy-dent (de president)

gra-ma - ty-ka (de grammatica) u-ni-wer-sy-tet (de universiteit) ma-te-ma-ty-ka (de wiskunde)

Ga naar de website om de uitspraakoefeningen bij dit hoofdstuk te maken.

dwadzieścia dziewięć 29

hoofdstuk 1 Kto to jest? Co to jest?

30 trzydzieści

hoofdstuk 1 Wie is dat? Wat is dat? 1

Kto to jest? Co to jest? Wie is dat? Wat is dat?

In dit hoofdstuk leer je:

■ zeggen hoe je heet ■ objecten uit je naaste omgeving benoemen ■ objecten uit je naaste omgeving aanwijzen en eigendom uitdrukken ■ eigenschappen benoemen van objecten en personen uit je naaste omgeving

trzydzieści 31

hoofdstuk 1 Kto to jest? Co to jest?

1.1

P aweł en Karolina

Paweł en Karolina stellen zichzelf en hun gezin voor. Luister naar hun verhaal.

Cześć! Mam na imię Paweł. Moje nazwisko to Kowalski. A to (jest) * moja rodzina. Moja żona ma na imię Karolina. Nasza córka to Hania, a nasz syn ma na imię Marcin.

Dzień dobry! Mam na imię Karolina. Moja rodzina nie jest duża. Kto to (jest), ten wysoki pan?

To (jest) mój mąż, Paweł. A ta mała dziewczynka? To (jest) Hania, nasza córka. A ten mały chłopiec? To (jest) nasz syn, Marcin.

* In de constructies ‘To jest …’ (Dit is …) en ‘ To są … ’ (Dit zijn …) kun je het werkwoord być (zijn) weglaten. ‘To jest moja rodzina’ betekent dus hetzelfde als ‘To moja rodzina’, beide zinnen zijn correct.

32 trzydzieści dwa

hoofdstuk 1 Wie is dat? Wat is dat?

woordenlijst

a chł opak chłopiec

en de jongen* de kleine jongen* de dochter dag! goedemorgen! goedendag! groot het meisje* het kleine meisje* de voornaam klein ik heb

mąż mój/moja nasz/nasza nazwisko nie pan rodzina syn ten/ta to wysoki/wysoka żona

de man (echtgenoot) mijn onze de achternaam niet de meneer de familie, het gezin de zoon deze dit hier: lang de vrouw (echtgenote)

córka cześć! dzień dobry! duży/duża dziewczyna dziewczynka imię mały/mała mam

Het Pools heeft in tegenstelling tot het Nederlands geen lidwoorden. Chłopak kan dus zowel ‘een jongen’ als ‘de jongen’ betekenen.

* De woorden dziewczynka en chłopiec worden in het Pools gebruikt met betrekking tot kinderen. Als je verwijst naar een jonge vrouw of een jonge man, dan moet je dziewczyna of chłopak zeggen. In het Nederlands gebruik je respectievelijk ‘meisje’ en ‘jongen’ in beide gevallen.

1.1.1 Zeggen hoe je heet (1) Om iemands voornaam te vragen kun je deze constructies gebruiken. Letterlijk betekent ‘ Jak masz ma imię? ’ ongeveer ‘Wat voor een voornaam heb je?’.

Wat is jouw voornaam? Ik heet Paweł. Ik ben Paweł. Aangenaam. / Leuk om je te leren kennen.

Jak masz na imię? Mam na imię Paweł. Jestem Paweł. Miło mi. / Miło cię poznać. (Czy) masz na imię Paweł? Tak, mam na imię Paweł Nie, nie mam na imię Paweł.

Heet je Paweł? Ja, ik heet Paweł. Nee, ik ben Paweł niet.

trzydzieści trzy 33

hoofdstuk 1 Kto to jest? Co to jest?

Ontkenning – nie Kijk even naar de allerlaatste zin. Om een ontkennend antwoord te geven, is het genoeg om het woordje nie (niet) voor het werkwoord te plaatsen.

1 Stel jezelf voor aan je medecursisten en aan je docent Pools. a Vraag je medecursisten in het Pools hoe zij heten.

Gebruik: A: Cześć! Mam na imię … A ty? Jak masz na imię? B: Mam na imię …Miło cię poznać.

b Stel daarna twee cursisten aan de rest van de groep. Begin je zin met: ‘To ( jest) …’

1.1.2 Persoonlijke voornaamwoorden

enkelvoud

meervoud

ja ty on

my wy oni one

ik jij hij zij het

wij julllie zij (mannen/gemengd) zij (vrouwen)

ona ono

formeel: pan pani

formeel: panowie panie państwo

u (man) u (vrouw)

u (mannen) u (vrouwen) u (gemengd)

In vergelijking met het Nederlands zijn er twee verschillen: 1 Het voornaamwoord in de derde persoon meervoud (in het Nederlands zij ) heeft geslachtsafhankelijke vormen. 2 Het formele voornaamwoord u beschikt in het Pools over geslachts­ afhankelijke vormen voor het enkelvoud en meervoud.

Als een voornaamwoord een directe aanspreekvorm is (ty, wy, pan, pani, państwo , panowie, panie), dan schrijf je ze in brieven, e-mails enzovoort met een hoofdletter. Dat is beleefder.

34 trzydzieści cztery

hoofdstuk 1 Wie is dat? Wat is dat?

1.1.3 Werkwoorden: mieć (hebben) en być (zijn)

mieć (hebben) enkelvoud

meervoud

(ik) ja ( jij) ty (hij) on (zij) ona (het) ono

mam masz

(wij) my ( jullie) wy (zij: mannen/gemengd) oni (zij: vrouwen) one

mamy macie ma ją

}

}

ma

formeel: (u) pan/pani

formeel: (u) panowie/panie/państwo

ma

ma ją

być (zijn) enkelvoud (ik) ja ( jij) ty (hij) on (zij) ona (het) ono formeel: (u) pan/pani }

meervoud

jestem jest eś

(wij) my ( jullie) wy (zij: mannen/gemengd) oni (zij: vrouwen) one

jest eśmy jest eście są

}

jest

formeel: (u) panowie/panie/państwo są

jest

1.1.4 Voornaamwoorden weglaten De voornaamwoorden ja en ty en ook my en wy kun je meestal weglaten uit de zin. Aan de uitgang van het werkwoord kun je immers zien welke persoon dat is.

Jak (ty ) masz na imię? (Ja ) Mam na imię Paweł.

Wat is je voornaam? Mijn voornaam is Paweł.

Jak (wy ) macie na imię? (My ) Mamy na imię Karolina i Hania.

Wat is jullie voornaam? We heten Karolina en Hania.

trzydzieści pięć 35

hoofdstuk 1 Kto to jest? Co to jest?

De voornaamwoorden van de derde persoon worden meestal niet weggelaten. Als je de u-vorm weglaat, dan heb je geen beleefdheidsvormmeer. De zinnen Jak ma na imię? en Jak mają na imię? betekenen ‘Hoe heet hij/zij/het?’ en ‘Hoe heten zij?’.

Jak on/ona/ono ma na imię? Jak oni/one mają na imię? Jak pan/pani ma na imię?

Wat is zijn/haar/zijn voornaam? Wat is hun voornaam? Wat is uw voornaam? (formeel, enkelvoud) Wat is uw voornaam? (formeel, meervoud)

Jak panowie/panie/państwo mają na imię?

2 Vul de juiste vorm in van mieć (hebben) en być (zijn). 1 Czy to Maria? 2 Jak ona na imię? 3 (Ja) na imię Karolina. 4 Czy to Filip i Igor? 5 Nie, on nie na imię Marek. 6 Czy to Magda? 7 Ona na imię Irena. 8 Jak oni na imię? 9 Czy ona na imię Marlena? 10 To Paweł.

1.1.5 Anderen voorstellen Kto to jest? To jest Paweł, mój mąż. Mój mąż ma na imię Paweł. To jest Karolina, moja żona. Moja żona ma na imię Karolina. To są Paweł i Karolina.

Wie is dat? Dit is Paweł, mijn man. Mijn man heet Paweł. Dit is Karolina, mijn vrouw. Mijn vrouw heet Karolina. Dit zijn Paweł en Karolina.

36 trzydzieści sześć

hoofdstuk 1 Wie is dat? Wat is dat?

Jak on/ona ma na imię? On ma na imię Piotr. To jest Piotr. Ona ma na imię Karolina. To jest Karolina. (Czy) to jest Paweł? Tak, to jest Paweł. Nie, to nie jest Paweł.

Hoe heet hij/zij? Hij heet Piotr. Dit is Piotr. Zij heet Karolina. Dit is Karolina.

Is dit Paweł? Ja, dit is Paweł. Nee, dit is Paweł niet.

(Czy) to twoja żona/twoja córka/twój syn? Tak, to jest moja żona/moja córka/mój syn. Nie, to nie jest moja żona/moja córka/ mój syn. (Czy) to jej mąż/syn? Tak, to jest jej mąż/syn.

Is dit jouw vrouw/dochter/zoon?

Ja, dit is mijn vrouw/dochter/zoon.

Nee, dit is mijn vrouw/dochter/zoon niet. Is dit haar man/zoon? Ja, dit is haar man/zoon. Nee, dit is haar man/zoon niet. Is dit zijn vrouw/dochter? Ja, dit is zijn vrouw/dochter. Nee, dit is zijn vrouw/dochter niet.

Nie, to nie jest jej mąż/syn. (Czy) to jego żona/córka? Tak, to jest jego żona/córka. Nie, to nie jest jego żona/córka.

Czy Het woord czy heeft drie functies in het Pools:

1 Het verbindt twee zinsdelen of zinnen met elkaar en dan betekent het ‘of’, bijvoorbeeld: To jej mąż czy jej syn? (Is dit haar man of haar zoon?) 2 Het luidt een indirecte vraag in. Het betekent dan ook ‘of’, maar met een andere functie, bijvoorbeeld: Nie wiem, czy to jest Maria. (Ik weet niet of dit Maria is.) 3 Het luidt een gesloten vraag in (een ja-neevraag) en is dan eigenlijk on- vertaalbaar in het Nederlands. In vragen kun je czy ook weglaten.

trzydzieści siedem 37

hoofdstuk 1 Kto to jest? Co to jest?

3 Hoe noem je je familieleden? Sommige woorden ben je al eerder tegengeko- men in dit hoofdstuk. Zet het juiste nummer bij de vertaling. Vraag de onbekende woorden aan je docent of zoek ze op.

neef* oma vader man dochter oom nicht* tante vrouw moeder

1 matka (mama) 2 ojciec (tato) 3 babcia 4 dziadek 5 syn 6 córka 7 brat

8 siostra 9 kuzyn 10 kuzynka

opa zus

11 ciocia 12 wujek 13 żona 14 mąż

zoon broer

* Met kuzyn (neef) en kuzynka (nicht) bedoel je de kinderen van je oom en tante. De kinderen van je zus noem je siostrzenica (nicht) en siostrzeniec (neef) en de kinderen van je broer noem je bratanica (nicht) en bratanek (neef).

38 trzydzieści osiem

hoofdstuk 1 Wie is dat? Wat is dat?

4 Werk in tweetallen. Kijk naar de stamboom en kies een van de personages. Ieder stelt over zijn personage vijf vragen en beantwoordt de vragen van de ander. Let op of jullie in je antwoorden de juiste woorden voor familieleden gebruiken.

Voorbeeld: Personage: Hania Czy Olga to jej babcia? – Nie, Olga to nie jej babcia. To jej ciocia.

Irena

Ludwik

Olga

Filip

Karolina

Paweł

Michał

Magda

Dawid

Marcin

Hania

Jouw vragen: 1 2 3 4 5

trzydzieści dziewięć 39

hoofdstuk 1 Kto to jest? Co to jest?

1.1.6 Mannelijke, vrouwelijke en onzijdige woorden In het Pools zijn er mannelijke, vrouwelijke en onzijdige woorden. Om te bepa- len wat voor geslacht het woord in kwestie heeft, is het genoeg dat je naar de laatste letter van elk woord kijkt:

mannelijk: een medeklinker dziadek (de opa) kuzyn (de neef)

vrouwelijk: -a

onzijdig: -o , -e , -ę

matka (de moeder) ciocia (de tante)

imi ę (de voornaam) nazwisko (de achternaam)

stó ł (de tafel) czajnik (de waterkoker) długopi s (de pen) plecak (de rugzak) rower (de fiets) sweter (de trui) dom (het huis) telefon (de telefoon)

lampa (de lamp) herbata (de thee) szklanka (het glas) torba (de tas) rodzina (de familie) gazeta (de krant) książk a (het boek) żon a (de vrouw, echtgenote)

dziecko (het kind) mleko (de melk)

biurko (het bureau) ciastko (het koekje) krzesł o (de stoel) niebo (de lucht, de hemel)

słońc e (de zon) serce (het hart)

Het geslacht van een woord bepaalt de uitgang van de woorden die erbij horen. Zo zie je in de zinnen van 1.1.5 verschillende vormen van de woorden voor ‘mijn’ en ‘jouw’: soms zie je mój (mijn) of twój ( jouw) en soms is het moja (mijn) of twoja ( jouw). Mój en twój gebruik je met mannelijke woorden, moja en twoja met vrouwelijke woorden en moje en twoje met onzijdige woorden. Let op! Sommige woorden zijn uitzonderingen. Er is een kleine groep mannelijke woorden die op -a eindigt. Het gaat dan ommensen:

■ mężczyzn a (de man) ■ turysta (de toerist) ■ kolega (de collega) ■ artysta (de kunstenaar) ■ dentysta (de tandarts)

40 czterdzieści

hoofdstuk 1 Wie is dat? Wat is dat?

Sommige woorden die op een medeklinker of een -i eindigen zijn vrouwe- lijk: ■ noc (nacht) ■ miłość (liefde)

■ rzecz (ding) ■ pani (vrouw)

Bij deze uitzonderingen wordt het geslacht aangegeven in de woordenlijsten.

5 Werk in tweetallen en bepaal of de voornamen mannelijk of vrouwelijk zijn. Ken je misschien nog andere Poolse voornamen? Zet ze in de tabel. Kies uit: Piotr ■ Kamila ■ Ola ■ Mirek ■ Tomek ■ Antoni ■ Jola ■ Kasia ■ Filip ■ Justyna

Imię męskie – een mannelijke voornaam

Imię żeńskie – een vrouwelijke voornaam

Paweł Marcin

Karolina Hania

1.2

Pawełs werkkamer

Pa weł vertelt over zijn werkkamer.

To moje biuro. Jest bardzo ładne, ale trochę za małe. Mój komputer jest za stary i dlatego jest bardzo wolny. Ale moje krzesło jest bardzo wygodne i to moja ulubiona rzecz tutaj. Moje biurko też jest bardzo ładne. A moja lampa? Nie, moja lampa nie jest ładna. I jest za mała. A mój obraz też jest brzydki. Ale okno ... moje okno jest bardzo duże i to mi się podoba.

czterdzieści jeden 41

hoofdstuk 1 Kto to jest? Co to jest?

woordenlijst

rzecz (vr.)

ale bardzo biurko biuro

maar heel

het object, het ding

het bureau (tafel) het kantoor, het bureau (ruimte) lelijk

stary/stara też to mi się podoba trochę tutaj ulubiony/ulubiona wolny/wolna za

oud ook ik vind het leuk een beetje hier favoriet langzaam, traag te (bijvoorbeeld za mały - te klein)

brzydki dlatego krzesło lampa ładny/ładna obraz okno

daarom de stoel de lamp mooi het schilderij het raam

1.2.1 Objecten aanwijzen en beschrijven Co to jest? To jest komputer.

Wat is dit? Dit is een computer. Dit is mijn computer. Deze computer is van hem. Die computer is van mij.

To jest mój komputer. Ten komputer jest jego. Tamten komputer jest mój. To ( jest) książka. To ( jest) moja książka. Ta książka jest moja. Tamta książka jest nasza. Czyje to jest? Czy to ( jest) twoja książka? Tak, to ( jest) moja książka. Nie, to nie ( jest) moja książka. To jego książka. Czy ta książka jest jego? Tak, to ( jest) jego książka. Czy to ( jest) jego biurko? Tak, to ( jest) jego biurko. Czy to biurko jest jego? Czy tamto biurko jest jej?

Dit is een boek. Dit is mijn boek.

Dit boek is van mij. Dat boek is van ons.

Van wie is dit? Is dit jouw boek? Ja, dit is mijn boek. Nee, dit is mijn boek niet. Dit is zijn boek. Is dit boek is van hem? Ja, dit boek is van hem. Is dit zijn bureau? Ja, dit is zijn bureau. Is dit bureau van hem? Is dat bureau van haar?

42 czterdzieści dwa

hoofdstuk 1 Wie is dat? Wat is dat?

Ten komputer jest stary, a tamten nowy. Ten komputer nie jest stary. Ta lampa jest ładna, a tamta jest brzydka. Ta lampa nie jest ładna. To biurko jest duże, a tamto jest małe. To biurko nie jest duże.

Deze computer is oud en die is nieuw. Deze computer is niet oud. Deze lamp is mooi en die is lelijk. Deze lamp is niet mooi. Dit bureau is groot en dat is klein. Dit bureau is niet groot.

1.2.2 Bezittelijk voornaamwoord: czyj? / czyja? / czyje? (van wie?) Bezittelijke voornaamwoorden in de eerste en tweede persoon (ik, jij, wij, jul- lie) passen zich aan aan het geslacht van de woorden waar ze bij horen. In de derde persoon gebeurt dit niet, zowel in het enkelvoud als in het meervoud: de vormen jego, jej en ich blijven altijd onveranderd. Ook de formele vormen (pana, pani in het enkelvoud en panów, pań en państwa in het meervoud) blij- ven onveranderd.

bij mannelijke woorden: czyj?

bij vrouwelijke woorden: czyja?

bij onzijdige woorden: czyje?

ik → mijn jij → jouw hij → zijn zij → haar het → zijn

ja → mój ty → twój

ja → moja ty → twoja

ja → moje ty → twoje

on → jego ona → jej ono → jego u → uw (formeel) bij een mannelijke eigenaar: pan → pana (formeel) bij een vrouwelijke eigenaar: pani → pani wij → ons jullie → jullie my → nasz wy → wasz my → nasza wy → wasza my → nasze wy → wasze oni → ich (mannelijke/gemengde eigenaren) one → ich (vrouwelijke eigenaren) u → uw (formeel) bij mannelijke eigenaren: panowie → panów (formeel) bij vrouwelijke eigenaren: panie → pań zij → hun

(formeel) bij gemengde groep eigenaren: państwo → państwa

1.2.3 Aanwijzend voornaamwoord in het enkelvoud: ten czy tamten? (deze of die?) Ook de uitgang van het aanwijzende voornaamwoord wordt bepaald door het woord waar het bij hoort. Er zijn dus drie vormen voor beide aanwijzende voornaamwoorden.

czterdzieści trzy 43

hoofdstuk 1 Kto to jest? Co to jest?

 (dit/deze)

 (die/dat)

mannelijk vrouwelijk

ten

tamten tamta tamto

ta to

onzijdig

Het woorddeel tam- betekent ‘daar’. Om naar verder gelegen objecten te wij- zen zeg je dus letterlijk ‘daar dit’.

6 Van wie zijn deze dingen? Werk in tweetallen en maak een vraag en een ant- woord bij elke set afbeeldingen. Gebruik bezittelijke voornaamwoorden.

Voorbeeld:

+

Czyj jest ten stół? Stół jest ich.

+

+

44 czterdzieści cztery

hoofdstuk 1 Wie is dat? Wat is dat?

+

+

+

+

czterdzieści pięć 45

Made with FlippingBook Learn more on our blog