Rigter_Handboek ontwikkelingspsychopathologie bij kinderen en jeugdigen HD2

2.3 Diagnostiek

ingenomenheid van de hulpverlener speelt dan bij het classificeren een minder grote rol. Als derde argument noemt Achenbach dat in de handleiding van de dsm (de toenmalige dsm-iv) niet staat wie moet beoordelen of een persoon aan een stoornis lijdt, maar dat het in de praktijk altijd de hulp- verlener zal zijn die op grond van informatie uit obser- vaties en interviews tot een conclusie komt. Een sterke kant van de cbcl is daarentegen dat er vragenlijsten zijn ontwikkeld voor verschillende informanten: de ouders (beide kunnen het invullen), het kind zelf (als het oud genoeg is) en de leerkracht. Gegevens van deze drie bronnen worden gecombineerd, en het uitgangspunt daarbij is dat deze verschillende gegevens als aanvullend beschouwd worden en dat niet een van de informanten de beste is of het meest weet (zie paragraaf 2.4.3). Naast voordelen kent de cbcl ook nadelen ten opzich- te van dsm-5. Allereerst is dsm-5 over de hele wereld verbreid, wat de communicatie tussen hulpverleners een stuk gemakkelijker maakt, omdat men overal over hetzelfde praat. cbcl werkt met genormeerde vragen- lijsten die voor elk land weer verschillend zijn. Hoewel er nog steeds vertalingen en aangepaste normeringen verschijnen (Wild et al. 2012), is de mondiale sprei- ding van de cbcl veel lager dan die van dsm. Een tweede verschil is dat met de cbcl vooral veelvoorkomende psychische problemen met veel symptomen goed opgespoord kunnen worden. Dat zijn vooral de externaliserende en internaliserende problemen. Zeldzame stoornissen, zoals stoornissen met slechts één symptoom, bijvoorbeeld encopresis (broekpoepen) of selectief mutisme (niet willen pra- ten met vreemden en/of in een vreemde omgeving), zijn minder goed op te sporen met de cbcl en beter met de dsm-systematiek (Carr 1999; Grietens 2000). In tabel 2.4 zijn enkele kenmerkende beoordelings- manieren van beide systemen naast elkaar gezet. Tabel 2.5 geeft een overzicht van de voor- en nadelen van dsm-iv en de cbcl. Tabel 2.4 Verschil tussen categoriaal en dimensionaal indelen (Krae- mer 2007) . categoriaal dimensionaal ja of nee ja, soms, nee (driepuntsschaal) plus of min heel vaak, vaak, een enkele keer, nooit wel of geen alcoholmisbruik het aantal genuttigde glazen alcohol per week wel of geen obesitas uitslag op body mass index ijs of water aantal graden Celsius van H 2 O

2.2.5 Classificatie in dit boek Dit boek bespreekt de belangrijkste (ontwikkelings)-gebieden waarop kinderen kunnen stagneren of moei- lijkheden ondervinden. De problemen zijn geordend naar de ontwikkelingsleeftijd waarop de problematiek zich voornamelijk voordoet (zie hoofdstuk 1). Een belangrijk uitgangspunt is dat er, op een enke- le uitzondering na, gesproken wordt van ‘problemen’ en ‘stoornissen’. Bij het behandelen van een ontwik- kelingsgebied zal de normale ontwikkeling bespro- ken worden met de ‘gewone’ problematiek die hoort bij opgroeien. In elk hoofdstuk wordt uitgewerkt hoe gewone problemen kunnen uitgroeien tot stoornissen. De stoornissen, enkele uitzonderingen daargelaten, worden beschreven aan de hand van de systematiek van dsm-5. Psychische stoornissen worden opgevat als extreme ontsporingen in de ontwikkeling. We zagen al dat een juiste classificatie kan bij- dragen aan een goede hulpverlening en goed begrip. Maar dat is nog maar een begin, het is ‘algemene’ ken- nis. Bij diagnostiek proberen we op individueel niveau antwoord te vinden op vragen als Hoe is dit bij dit kind zo gekomen? , Waarom blijven de problemen bestaan? en Wat betekent het voor dit kind en zijn gezin dat deze problemen er zijn? Een diagnose houdt dus meer in dan het beschrijven van wat de hulpverlener waar- neemt en waar de classificatie op gestoeld is. De diag- nose is (een aanzet tot) het verklaren en begrijpen van wat de hulpverlener waarneemt bij een uniek kind. Bij de diagnose wordt gebruikgemaakt van (weten- schappelijke) inzichten. Zo kunnen het biopsychoso- ciale model (zie paragraaf 3.2) en het model van risico- en beschermingsfactoren (zie paragraaf 3.4) gebruikt worden, maar ook specifieke kennis uit de psycholo- gie, pedagogiek, psychiatrie of andere relevante we- tenschappen. Een hulpverlener die kennis heeft opge- daan over slaapprocessen kan deze kennis gebruiken bij het begrijpen en verklaren van het ontstaan van een slaapstoornis. En kennis over conditionerings- processen, zoals klassiek en operant conditioneren , kunnen gebruikt worden bij het verklaren van het ont- staan en blijven voortbestaan van een tandartsfobie (zie hoofdstuk 13). Terwijl classificatie een eerste aan- zet kan geven tot behandeling (door bijvoorbeeld alge- 2.3 Diagnostiek Naast vaststellen wat er met een kind aan de hand is, zal een hulpverlener ook altijd willen achterhalen hoe de stoornis is ontstaan en waarom die niet voorbij- gaat. Dit laatste noemen we ‘diagnostiek’, wat letterlijk ‘door-kennen’ betekent.

45

Made with FlippingBook Annual report