Jan de Bas & Frank Brinkman - Geschiedenis InZicht

InZicht Ge s ch i eden i s Vakkennis en didactiek voor het basisonderwijs Jan de Bas & Frank Brinkman

c u i t g e v e r ij c o u t i n h o

Geschiedenis InZicht

Geschiedenis InZicht

Vakkennis en didactiek voor het basisonderwijs

Jan de Bas & Frank Brinkman

c u i t g e v e r ij

c o u t i n h o

bussum 2019

www.coutinho.nl/geschiedenisinzicht Je kunt aan de slag met de antwoorden op de vragen uit het boek.

© 2019 Uitgeverij Coutinho bv Alle rechten voorbehouden.

Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geauto- matiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van reprografische verveelvoudigingen uit deze uitga- ve is toegestaan op grond van artikel 16h Auteurswet 1912 dient men de daar- voor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130 KB Hoofddorp, www.reprorecht.nl). Voor het overnemen van (een) gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere com- pilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie, Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.stichting-pro.nl).

Uitgeverij Coutinho Postbus 333 1400 AH Bussum info@coutinho.nl www.coutinho.nl

Omslag en foto’s omslag: Buro Gom, Arnhem

Noot van de uitgever Wij hebben alle moeite gedaan om rechthebbenden van copyright te achterha- len. Personen of instanties die aanspraak maken op bepaalde rechten, wordt vriendelijk verzocht contact op te nemen met de uitgever.

ISBN 978 90 469 0673 6 NUR 846

Voorwoord

‘Het leven kan alleen achterwaarts begrepen worden, maar het moet voorwaarts worden geleefd.’ Søren Kierkegaard (Thielt, 1994) Als leerkracht in het basisonderwijs is het niet noodzakelijk alles van geschiedenis te weten, iets wat immers onmogelijk is. Wel is het belangrijk over een goede basis te beschikken, zodat je de grote lijnen in het verleden voor ogen hebt en weet hoe je het historisch bewustzijn bij leerlingen kunt vergroten. Geschiedenis kan mensen houvast geven in de wereld om hen heen. Geschiedenis InZicht is een boek dat jou als groepsleerkracht kan hel- pen goed geschiedenisonderwijs te geven. Om de geschiedenis van Ne- derland zo toegankelijk mogelijk te maken, hebben wij geprobeerd om een compact, helder en goed leesbaar boek te schrijven. Geschiedenis InZicht is bestemd voor pabostudenten en groepsleerkrachten. Dit boek kwam tot stand met medewerking van een aantal meelezers, die uiterst waardevolle adviezen gaven: Renate Ammerlaan, Luuk de Bakker, Arie Bijl, Marten Douma, Paul Hilferink, Thije Hoekstra, Jilles de Kooker, Wesley van Meir, Marjolein Oud, Annemiek Schrader en Almut Sommer. Verder mogen de vele Saxion-studenten die een bijdrage leverden niet on- vermeld blijven. Zonder de feedback van al deze meelezers was dit boek er niet gekomen. We zijn ze daarom uiterst dankbaar voor hun bijdragen aan Geschiedenis InZicht . Jan de Bas en Frank Brinkman Voorjaar 2019

Inhoud

Inleiding

13

Deel I De tien tijdvakken

1

De tijd van jagers en boeren (tot 3000 voor Christus)

16

Inleiding

19 19 22 25 29 30 31 32 37 38 39 42 44 49 52 53 55 34

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7

De eerste mensen: jagers en verzamelaars De eerste nomadische en sedentaire samenlevingen

De hunebedbouwers

Cultuur en religie van jagers en verzamelaars en boeren

Terugblik

Meerkeuzevragen

Open vragen

2

De tijd van Grieken en Romeinen (3000 voor Christus-500)

Inleiding

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8

De Griekse stadstaat

De Romeinse Republiek en het Romeinse Rijk Ontwikkeling Romeinse godsdienst en christendom De Romeinse cultuur en de romanisering

De Romeinen in de Lage Landen

Terugblik

Meerkeuzevragen

Open vragen

3

De tijd van monniken en ridders (500-1000)

58

Inleiding

61 61 71 75 78 80 81

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6

Leen- en hofstelsel

Verspreiding van het christendom Ontstaan en verspreiding van de islam

Terugblik

Meerkeuzevragen

Open vragen

4

De tijd van steden en staten (1000-1500)

82

Inleiding

85 86 93 95

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7

Steden en handel Ridders en kastelen Kerk en kruistochten

Staatsvorming en centralisatie

100 103 104 105

Terugblik

Meerkeuzevragen

Open vragen

5

De tijd van ontdekkers en hervormers (1500-1600)

106

Inleiding

109

5.1

Rond 1500: de kritische mens en het ontstaan van vier culturele veranderingen

109 110 113 115 118 123 125 127 128

5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9

De ontdekkingsreizen Humanisme en Renaissance

Ontstaan, ontwikkeling en kenmerken van het protestantisme

De Nederlandse Opstand Ontstaan van de Republiek

Terugblik

Meerkeuzevragen

Open vragen

6

De tijd van regenten en vorsten (1600-1700)

130

Inleiding

133

6.1

Het Twaalfjarig Bestand en het einde van de Nederlandse Opstand Oorzaken van het ontstaan van de Gouden Eeuw De Gouden Eeuw: economische bloei De gevolgen van de economische bloei De bloei van de kunst, wetenschap en filosofie en het geloofsleven De VOC en WIC

133 136 139 141 146 148 152 153 155

6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8 6.9

Terugblik

Meerkeuzevragen

Open vragen

7

De tijd van pruiken en revoluties (1700-1800)

158

Inleiding

161 161

7.1 7.2

Een Zilveren Eeuw: de economie stagneert De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden: bestuur en politiek tot 1795 Patriotten, de Franse Revolutie (1789) en de Bataafse Republiek (1795-1806)

164

7.3

168 171 173 175 176

7.4 7.5 7.6 7.7

Het dagelijks leven en de slavenhandel

Terugblik

Meerkeuzevragen

Open vragen

8

De tijd van burgers en stoommachines (1800-1900)

178

Inleiding

181 181 185 187 190

8.1 8.2 8.3 8.4 8.5

Napoleon Bonaparte

Staatkundig Nederland 1815-1848 Van koning-koopman tot industrialisatie

Socialisme, feminisme, liberalisme en confessionalisme Culturele ontwikkelingen: onderwijs, verzuiling en Van Gogh

195

8.6

Imperialisme, het cultuurstelsel in Nederlands-Indië en de situatie in Suriname

198 201 202 204

8.7 8.8 8.9

Terugblik

Meerkeuzevragen

Open vragen

9

De tijd van de wereldoorlogen (1900-1950)

206

Inleiding

209

9.1

De periode 1900-1920: het dagelijkse en politieke leven in Nederland Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog en de gevolgen ervan De Eerste Wereldoorlog

210 213 217 218 222 225 230 232 233 234 235 241 242 248 251 254 255 261 262 264 266 267 238

9.2 9.3

9.4 9.5 9.6 9.7 9.8

Nederland tijdens het Interbellum De opkomst van nazi-Duitsland De Tweede Wereldoorlog De opstelling van de Nederlanders

De gevolgen van de Tweede Wereldoorlog: Nederland en Indonesië

9.9

Terugblik

9.10 Meerkeuzevragen 9.11 Open vragen

10

De tijd van televisie en computer (1950-heden)

Inleiding

10.1 De Koude Oorlog en de bewapening

10.2 Koloniën en apartheid 10.3 Het Midden-Oosten 10.4 Europese samenwerking

10.5 Nederland in de jaren 1950 en 1960 10.6 Nederland in de jaren 1970-2000

10.7 Nederland vanaf 2000

10.8 Terugblik

10.9 Meerkeuzevragen 10.10 Open vragen

Deel II Didactiek

11

Kind, school en geschiedenis

270

Inleiding

273 274 277 282 288 296 298 299 300

11.1 Historisch bewustzijn en historisch tijdsbesef

11.2 Historisch redeneren

11.3 Kerndoelen, tussendoelen en toetsing 11.4 Tijdvakken, tijdbalk en canon 11.5 Geschiedenis en het jonge kind

11.6 Terugblik

11.7 Meerkeuzevragen 11.8 Open vragen

12

Beeldgereedschappen

302

Inleiding

305 305 307 323 333 334 335

12.1 De betekenis van beeldgereedschappen 12.2 Beeldgereedschappen: media 12.3 Beeldgereedschappen: werkvormen

12.4 Terugblik

12.5 Meerkeuzevragen 12.6 Open vragen

13

Acht kenmerken van een goede geschiedenisles

338

Inleiding

341 342 348 361 362 363

13.1 De acht kenmerken van een goede geschiedenisles

13.2 Drie voorbeeldlessen

13.3 Terugblik

13.4 Meerkeuzevragen 13.5 Open vragen

14

Geschiedenis en andere vakken

364

Inleiding

367 367 371 373 374 376 382 384 387 388 389

14.1 Wereldoriëntatie en multiperspectivisch handelen

14.2 Vakintegratie

14.3 Maatschappelijke verhoudingen en staatsinrichting

14.4 Burgerschapsvorming

14.5 Educaties

14.6 Filosoferen met kinderen 14.7 21e-eeuwse vaardigheden 14.8 Terug- en vooruitblik 14.9 Meerkeuzevragen

14.10 Open vragen

Beeldverantwoording

391

Literatuur

393

Personenregister

398

Zakenregister

401

Over de auteurs

415

Inleiding

Wanneer verlieten de Romeinen ons land? Hoe begon de Nederlandse Op- stand? Wat kenmerkte het leven van gewone mensen rond 1900? Waarom brak de Tweede Wereldoorlog uit? Wie was Willem Drees? Wat zijn zui- len? Dit zijn geschiedenisvragen die afgestudeerde pabostudenten moeten kunnen beantwoorden. Geschiedenis InZicht heeft een dubbelfunctie: het biedt zowel de vak­ inhoud als de informatie, inzichten en handvatten die je als aanstaande groepsleerkracht nodig hebt om geschiedenisonderwijs te geven op de ba- sisschool. In dit boek worden niet alleen politieke en sociaal-economische onderwerpen besproken, maar ook de culturele, kunstzinnige en psycho- logische kanten van de geschiedenis. We besteden aandacht aan het da- gelijks leven in vroegere tijden om zo een schets te geven van de mensen achter de geschiedenis. Zo kan ‘InZicht’ worden verkregen in de achter- gronden van het handelen en denken van mensen in het verleden. Dit boek bestaat uit twee delen. In het eerste deel worden in tien hoofd- stukken de tien tijdvakken behandeld waarin de Nederlandse geschiedenis is opgedeeld. De tien tijdvakken worden beschreven aan de hand van vra- gen. Per tijdvak zijn dit andere vragen, maar ze hebben altijd iets te maken met twee grote historische vragen: wie was er in ‘Nederland’ de baas? En hoe kwamen ‘Nederlanders’ aan hun eten? We plaatsen de aanduiding ‘Ne- derland’ tussen aanhalingstekens, omdat er in de meeste tijdvakken geen sprake was van een staat of natie die Nederland werd genoemd: we schrij- ven dan ook over de ‘Lage Landen’. Bij elk tijdvak worden voor de periode kenmerkende aspecten genoemd. Deze aspecten keren geregeld terug in de tekst, bijvoorbeeld toegepast in voorbeelden met bijbehorende vragen. Verder worden bij elk tijdvak de vensters genoemd die samen de Canon van Nederland vormen. Aan het begin van elk tijdvakhoofdstuk worden voor het tijdvak belangrijke namen, begrippen en jaartallen opgesomd. Het tweede deel van Geschiedenis InZicht bestaat uit vier hoofdstuk- ken en gaat over de didactiek van het vak geschiedenis op de basisschool. Hierin is onder andere aandacht voor: historisch bewustzijn en tijdsbesef, periodiseren, historisch redeneren, de Canon van Nederland, doelen en kerndoelen van geschiedenis (tijd), beeldgereedschappen (werkvormen en media), de opbouw van een les aan de hand van acht kenmerken voor

| 13

Geschiedenis InZicht

een goede geschiedenisles, geschiedenis en multiperspectivisch denken en kijken, omgevingsonderwijs, geschiedenis en vakoverstijgend onderwijs, wereldoriëntatie, 21e-eeuwse vaardigheden, geschiedenis en maatschap- pelijke verhoudingen en burgerschapsvorming. Kortom: in deel II wordt aandacht besteed aan de didactiek waarover je als leerkracht tegenwoordig bij geschiedenis dient te beschikken. Alle veertien hoofdstukken in dit boek worden afgesloten met een terugblik, meerkeuzevragen en open vragen. In de terugblik worden de vragen die aan het begin van het hoofdstuk werden gesteld beknopt be- antwoord. Elk tijdvakhoofdstuk begint met een voorbeeld van een ken- merkend aspect, dat bij het tijdvak hoort. Er staan meer van deze voor- beelden in elk tijdvakhoofdstuk en het tweede deel van het boek bevat vergelijkbare uitgewerkte voorbeelden van didactische verschijnselen, ook met bijbehorende vragen. Deze vragen bezitten een kenniscomponent en zetten aan tot reflectie op het eigen didactische handelen. De antwoorden op de vragen staan op de website die bij dit boek hoort. Tevens staan in het boek afbeeldingen die de tekst ondersteunen en zo een bijdrage leveren aan de kennisverrijking en het historisch ‘InZicht’ van de lezer. Wanneer je je de inhoud van dit boek hebt eigen gemaakt, bezit je een goede ondergrond om op de basisschool met succes te werken aan het behalen van de kerndoelen over tijd die horen bij het leergebied ‘oriëntatie op jezelf en de wereld’. Online studiemateriaal Op www.coutinho.nl/geschiedenisinzicht vind je de antwoorden op de vragen uit het boek.

14 |

DEEL I De tien tijdvakken

1 De tijd van jagers en boeren (tot 3000 voor Christus) 1 De tijd van jagers en boeren (tot 3000 voor Christus)

Kenmerkende aspecten 1 Levenswijze van jager-verzamelaars 2 Ontstaan van landbouw en land- bouwsamenlevingen 3 Ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen

16 |

1.1  De eerste mensen: jagers en verzamelaars

tot 3000 vC 3000 vC-500 500-1000 1000-1500 1500-1600 1600-1700 1700-1800 1800-1900 1900-1950 1950-heden

Jaartallen 250.000 v.Chr.

jagers-verzamelaars laten sporen na bij Maastricht

14000-8500 v.Chr. rendierjagers 8000 v.Chr. einde laatste IJstijd 5300-4900 v.Chr. eerste boeren in de Lage Landen (bandkeramiekers) 3400-2500 v.Chr. hunebedbouwers (trechterbekercultuur) 2100 v.Chr. einde Steentijd (in de Lage Landen) 2100-700 v.Chr. gebruik brons (in de Lage Landen) 700-50 v.Chr. gebruik ijzer (in de Lage Landen) 50 v.Chr. Romeinen veroveren Gallië

Canonvensters ■ Hunebedbouwers, eerste landbouwers

| 17

1

De tijd van jagers en boeren (tot 3000 voor Christus)

kenmerkend aspect 1 Levenswijze van jager-verzamelaars

De mysteries van de prehistorische taakverdeling

Historica Nina Littel:

‘Waar ik me altijd over heb verbaasd, is de manier waarop lesgegeven wordt over de prehistorie op de basis- en middelbare school. Het mooie aan de prehistorie is dat we ontzettend veel niet weten. Prehistorie en historie worden vaak afgebakend door geschreven bronnen. De historie begint zodra er geschreven werd. De prehistorie heeft dus vanzelfspre- kend geen geschreven bronnen en wordt verteld vanuit de archeologi- sche vondsten. Veel ruimte voor interpretatie dus. Op de basisschool leerden wij echter over allerlei ‘feiten’ die kinderen vanzelfsprekend slikken als zoete koek. We leerden verhaaltjes met uitgebreide dialoog. Nog beruchter waren de nagespeelde films die we over deze spraakmakende periode zagen. Vaak werd piekfijn de taakver- deling aan ons uitgelegd. Over de dialoog kunnen wij nog heen kijken, wij begrijpen ook dat dit niet letterlijk zo heeft plaatsgevonden. De taak- verdeling wordt daarentegen doorgaans als feit aangenomen. Op muurtekeningen zien we wel dat de jacht een grote rol speelde in de samenleving. Ook in archeologische vondsten zien we dit terug. Maar hoe weten we dat het de mannen waren die jaagden? Het lijkt alsof er naar de bronnen is gekeken zoals men nu onderscheidt welk open- baar toilet bij welk geslacht hoort. Heeft het poppetje een rokje, dan is het poppetje een vrouwtje. Heeft het poppetje geen rokje? Dan is het poppetje een mannetje. Op de wandtekeningen zien wij geen rokjes, dus dan zijn de poppetjes mannetjes. Het kan echter heel goed zijn dat vrouwen ook gejaagd hebben, naast de mannen of in plaats van de mannen. Op 10 oktober 2013 is er door archeoloog Dean Snow aan het licht gebracht dat de grotschilderingen waarschijnlijk door vrouwen zijn gemaakt.’ Bron: Littel, 2014 Vragen bij dit voorbeeld 1 In de tekst komt de rolverdeling in de tijd van jagers en verzamelaars aan de orde. Hoe weten we welke rol vrouwen in die tijd hadden? 2 In de tekst wordt een situatie uit de Prehistorie geactualiseerd. Waar- uit blijkt dit? En mag je in een geschiedenisles ook actualiseren?

18 |

1.1  De eerste mensen: jagers en verzamelaars

tot 3000 vC 3000 vC-500 500-1000 1000-1500 1500-1600 1600-1700 1700-1800 1800-1900 1900-1950 1950-heden

Onderwerpen en begrippen

jagers verzamelaars homo erectus homo sapiens grotschilderingen goden hiernamaals kleitablet vuursteen toendraklimaat Steentijd

jacht op mammoeten nomaden rendier ritueel kamp boeren dorp boerderij

akkerbouw aardewerk hunebedbouwers (trechter- bekercultuur) in Drenthe bandkeramiekers in Limburg Bronstijd IJzertijd

Prehistorie archeoloog rendierjagers bosjagers

Inleiding In dit hoofdstuk worden de volgende vragen beantwoord: ■■ Hoe kwamen mensen tot 3000 voor Christus aan hun eten? ■■ Waarom gingen mensen op een vaste plek wonen? Hoe gingen mensen om met de dood en welke functie hadden hunebedden? ■■ Hoe leefden de eerste mensen in het huidige Nederland? De eerste mensen: jagers en verzamelaars De geschiedenis begint wanneer de eerste mens op aarde verschijnt. Dit gebeurde waarschijnlijk vijf tot vier miljoen jaar geleden in Afrika. De eer- ste mensen stamden zeer waarschijnlijk af van mensenapen. In het onder- zoek naar het ontstaan van de mens wordt uitgegaan van een spontaan ont- staan en een progressieve ontwikkeling (evolutie) van het leven. Er zijn ook mensen die, ondanks wetenschappelijke vondsten, geloven dat de mensheid slechts een paar duizend jaar oud is. Zij zijn ervan overtuigd dat de aarde en de mens door God zijn geschapen en baseren zich daarbij bijvoorbeeld op de Bijbel of de Koran. Er zijn ook mensen die geloven in de evolutie van het leven, maar ervan uitgaan dat God het leven heeft gewild en geschapen.

1.1

| 19

1

De tijd van jagers en boeren (tot 3000 voor Christus)

Figuur 1.1 De homo erectus was waarschijnlijk de eerste mensensoort die Afrika verliet

De homo erectus Circa twee miljoen jaar geleden leerde een van de eerste soorten mensen rechtop lopen. Dit was de homo erectus. Zijn beenderen waren dikker dan die van zijn voorgangers, en hij had geen kin. De homo erectus gebruikte gereedschappen, zoals de vuistbijl. De eerste mensen leefden van de natuur. Waarschijnlijk aten ze vruchten en zaden en gingen ze gezamenlijk op jacht. De homo erectus was de eerste menssoort die Afrika verliet en zich ver- spreidde over de aarde. Over zijn manier van samenleven hebben archeo- logen nauwelijks informatie verzameld. Archeologen doen onderzoek naar de prehistorische mens, de mens die nog niet kon schrijven. Ze reconstrueren diens leven aan de hand van bron- nen zoals fossiele botten, gebruiksvoorwerpen, gereedschappen, sieraden en wapens. De homo sapiens Uit de homo erectus ontstond tussen tweehonderdduizend en honderddui- zend jaar geleden de huidige mens: de homo sapiens, de denkende mens. De homo sapiens wordt zo genoemd omdat hij een veel grotere schedel- en hersenomvang had dan zijn voorgangers. De mens werd zelfstandiger. Hij maakte gereedschappen voor de jacht, zoals pijlen en bogen. Voor het ver-

20 |

1.1  De eerste mensen: jagers en verzamelaars

zamelen vervaardigde hij manden en voor het vissen maakte hij speren. De denkende mens sprak een eigen taal. Hij maakte beeldjes, die hij als godheid vereerde. De homo sapiens verspreidde zich over de aarde en kon zich beter dan oudere menssoorten aanpassen aan de leefomstandigheden. Zo’n veertigduizend jaar geleden verscheen de homo sapiens in het huidige Europa. Dit was de cro-magnonmens, vernoemd naar de plaats in Frankrijk waar zijn overblijfselen werden gevonden. De denkende mens trok van plaats naar plaats. De mannen jaagden en visten en de meeste vrouwen verzamelden vruchten en zaden, al wordt aangenomen dat er ook vrouwen mee op jacht gingen. De homo sapiens leefde in koude klimatologische omstandigheden en beschermde zich met huiden tegen regen en kou. 140.000 jaar geleden be- dekte ijs een deel van Nederland, waardoor in het midden van het land stuwwallen ontstonden. Het schuivende ijs liet grote zwerfkeien achter.

tot 3000 vC 3000 vC-500 500-1000 1000-1500 1500-1600 1600-1700 1700-1800 1800-1900 1900-1950 1950-heden

Figuur 1.2 Een rendierjager met zijn vangst

In de koude gebieden van Europa jaagden met name de mannen vooral op rendieren. Het vlees, de botten en de huid van de dieren werden gebruikt als voedsel en voor kleding, schoeisel, tenten en gereedschap. Rendierjagers aten ook vis om te overleven. Zij gebruikten vuurstenen om er gereedschap en speerpunten van te maken. Tijdens de jacht woonden groepen rendierja- gers in tentenkampen. Een groep telde circa 25 mensen. De groepen vorm- den samen een stam, ook wel een clan genoemd, die uit zo’n vijfhonderd leden bestond. De beschikbaarheid van voedsel bepaalde de grootte van de groep.

| 21

1

De tijd van jagers en boeren (tot 3000 voor Christus)

De groepen zullen ongeveer dezelfde taal hebben gesproken en contact met elkaar hebben onderhouden. Het is goed mogelijk dat mannen en vrouwen van verschillende groepen rendierjagers samenleefrelaties met elkaar had- den. De rendierjagers vereerden waarschijnlijk natuurgoden. Die wilden ze gunstig stemmen, zodat de jacht of visvangst beter zou verlopen. Zo’n tien- tot achtduizend jaar geleden begon de temperatuur op aarde te stijgen. Die stijging gaat tot op de dag van vandaag door en levert zorgen op over het milieu. De temperatuurstijging in de Prehistorie zorgde voor een stijging van de zeespiegel die op sommige plaatsen meer dan honderd meter bedroeg. Diverse diersoorten stierven daardoor uit of trokken naar andere gebieden, zoals de wolharige mammoet. Het warmere weer bood kansen voor de mens om op andere en meer verschillende dieren te gaan jagen. De mensen trokken ook in de Lage Landen rond in hun eigen jachtgebied. Dit leverde bij schaarste aan dieren soms ingrijpende conflicten op met andere stammen. Het leven in de Prehistorie was geen luxe. Prehistorische mensen waren eerst als jager en verzamelaar en later ook als boer afhankelijk van de natuur. De eerste nomadische en sedentaire samenlevingen De oudste sporen van akkerbouw stammen uit ongeveer 9000 voor Christus en de eerste sporen van veeteelt uit 7500 voor Christus. De overgang van jagen en verzamelen naar landbouw verliep relatief snel, al ging het om een periode van honderden jaren. Dit proces vond ongeveer gelijktijdig in ver- schillende delen van de wereld plaats.

1.2

Kaspische Zee

Zwarte Zee

Middellandse Zee

eerste uitbreiding tweede uitbreiding

Bandkeramiekers vroege landbouwers Middellandse Zeegebied

Figuur 1.3 De wijze waarop de landbouw zich na 9000 voor Christus verspreidde

22 |

1.2  De eerste nomadische en sedentaire samenlevingen

Deze overgang van jagen en verzamelen naar landbouw wordt wel de agra- rische revolutie genoemd, maar je kunt beter spreken van een evolutie: een geleidelijke aanpassing aan de omstandigheden. Deze ontwikkeling vond plaats in de Jonge Steentijd: het Neolithicum. Dit proces heet ook wel de neolithische revolutie. De aanwezigheid van wilde granen (zoals gerst) en wilde dieren (zoals runderen en geiten) maakte deze evolutie mogelijk. De agrarische revolutie kondigde zich het eerst aan in het Nabije Oosten (het huidige Midden-Oosten). Vanuit dit vruchtbare gebied verspreidde de nieu- we zogenoemde ‘sedentaire’ leefstijl zich. Dit woord komt van het Latijnse sedere , dat ‘zitten’ betekent.

tot 3000 vC 3000 vC-500 500-1000 1000-1500 1500-1600 1600-1700 1700-1800 1800-1900 1900-1950 1950-heden

kenmerkend aspect 1 Levenswijze van jager-verzamelaars Archeologisch vondsten Nederlandse musea beschikken over grote collecties archeologi- sche vondsten. De grootste collec- tie is te vinden in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Lange tijd was het Rijkmuseum van Oud- heden het enige archeologische museum in Nederland. Daarom kan het museum een overzicht geven van de belangrijkste vond- sten van ons land door de eeuwen heen. Een voorbeeld van een bijzondere vondst is een ongeveer negendui- zend jaar oude boomstamkano, die in 1955 werd gevonden bij het

Figuur 1.4 Mannetje van Willemstad

uitgraven van het Blikkenveen in het tracé van de A28 aan de zuidkant van het dorp Pesse. Deze kano staat te boek als de oudste boot ter we- reld. Een replica uit 2001 toonde aan dat de kano zeer geschikt was om mee te varen. Een ander voorbeeld is het zogenoemde Mannetje van Willemstad, dat ongeveer 7300 jaar oud is. Het werd gevonden tussen de wortels van een grote eik in een bouwput van de Volkeraksluizen bij Willemstad. Het is een zeldzaam voorbeeld van een menselijke afbeelding uit de Midden- steentijd. Bron: http://archeologieinnederland.nl/nederlandse-archeologie/vondsten

| 23

1

De tijd van jagers en boeren (tot 3000 voor Christus)

De bandkeramiekers waren de eerste mensen die in Nederland landbouw bedreven. Zij lieten bolvormige keramieken potten achter die waren ver- sierd met banden, vandaar hun naam. De bandkeramiekers vestigden zich omstreeks 5300 voor Christus in wat nu Zuid-Limburg is, nabij Sittard. Ze stichtten er dorpjes omringd door akkers. In de nabijgelegen beken en ri- vieren werd gevist. Er zijn restanten van 28 van zulke dorpjes gevonden. Door de landbouw konden de bandkeramiekers zich specialiseren in be- paalde activiteiten, zeg maar beroepen. De een bleek goed in pottenbakken en de ander in het maken van ovens en weer een ander blonk uit in het ver- vaardigen van vuistbijlen of vuurstenen sikkels. De sedentaire samenleving werd anders georganiseerd dan het leven in de nomadische stammen. Zo woonden bandkeramiekers niet in tenten van dierenhuiden, maar in recht- hoekige huizen van klei en leem met rieten daken. De huizen waren tussen de twintig en dertig meter lang en ongeveer zes meter breed. De dorpen bestonden aanvankelijk uit ongeveer vijf en later uit wel twintig boerderijen. Op de akkers daaromheen verbouwden de bandkeramiekers graansoorten als emmer, erwten en linzen. Uit opgravingen blijkt dat zij vooral plantaar- dig voedsel aten, maar ze hielden ook vee, zoals varkens, runderen en geiten. Het vee graasde in de zomer op veldjes buiten het dorp. De bandkeramie- kers deden ook aan jacht en visserij. Een jachtuitrusting bestond uit pijlen en speren, en er werd gevist met een soort hengels. Omdat archeologen hun kennis van prehistorische volken vooral baseren op grafvondsten, is er meer bekend over de omgang van deze volken met de dood dan over hun manier van leven. In graven bij Sittard en Elsloo werden diverse grafgiften van bandkeramiekers gevonden: stenen gereedschappen, voedselpotten, keramieken kommetjes en schalen. Het idee dat aan de dode eten moest worden meegegeven, wijst erop dat de bandkeramiekers geloof- den in een hiernamaals. De doden werden gecremeerd en hun as werd in urnen bewaard, of ze werden in hurkhouding begraven. Ruim duizend jaar later vestigden zich mensen steeds vaker op andere plaatsen in het huidige Nederland. Bij het huidige Dronten vestigde zich rond 4000 voor Christus een groep landbouwers en rond 3500 voor Chris- tus ontstond in de buurt van het huidige Vlaardingen een cultuur op de hoger gelegen delen van het land. Ook hier leefden de prehistorische men- sen van akkerbouw, jagen, vissen en verzamelen. Archeologen vonden in de Vragen bij dit voorbeeld 1 Waarom zijn archeologen niet zeker van de waarde of betekenis van prehistorische vondsten? 2 Beschrijf in maximaal dertig woorden wat het Mannetje van Willem- stad met kenmerkend aspect 1 te maken heeft.

24 |

1.3  De hunebedbouwers

jaren 1950 bij opgravingen gebruiksvoorwerpen van hout en bot, gladge- polijste, kleine stenen bijlen, naalden en de resten van een primitieve kano. De prehistorische stammen in de Lage Landen hadden onderling contact. Dat bewijst een vondst in Swifterbant. Hier werden graven gevonden met voorwerpen uit de Vlaardingencultuur (ruim honderd kilometer verderop), zoals een hoofdtooi met een barnstenen hanger.

tot 3000 vC 3000 vC-500 500-1000 1000-1500 1500-1600 1600-1700 1700-1800 1800-1900 1900-1950 1950-heden

Figuur 1.5 Zo zag een dorp van de bandkeramiekers er ca. 4000 voor Christus waarschijnlijk uit

1.3

De hunebedbouwers In Drenthe staan 52 hunebedden en in Groningen staan er twee. Er hebben in totaal tachtig tot honderd hunebedden in Nederland gestaan. Wat zijn dit voor bouwwerken? Welke functie hadden ze? Wat zeggen de hunebedden over het volk dat ze heeft gemaakt? In de Middeleeuwen dacht men dat de grote stenen hunebedden be- stemd waren als slaapplaats voor reuzen, die in deze periode ook wel ‘hu- nen’ werden genoemd. Archeologisch onderzoek heeft inmiddels uitgewe- zen dat hunebedden graven zijn van belangrijke stamleden. Misschien ging het om leiders of priesters. De makers van hunebedden worden hunebed- bouwers genoemd en leefden in hogere gebieden. Aangenomen wordt dat de hunebedbouwers de stenen bouwwerken ook gebruikten bij religieuze rituelen om de goden gunstig te stemmen voor het verkrijgen van een goede oogst of een mooi resultaat bij de jacht. De hunebedbouwers leefden van 3400 tot 2850 voor Christus in een gebied dat voor het grootste gedeelte binnen de huidige provincie Drenthe valt. De hunebedden zijn de oudste monumenten van Nederland. De hunebedbouwers worden ook wel Trech- terbekervolk genoemd. Deze naam is ontleend aan de potten in de vorm van

| 25

1

De tijd van jagers en boeren (tot 3000 voor Christus)

een trechter die in en bij de hunebedden werden gevonden. Ook in Duits- land, Denemarken, Zweden en Polen woonden hunebedbouwers. Vanaf 2850 voor Christus verdween de cultuur van de hunebedbou- wers en kwam de Enkelgrafcultuur op. De stammen die hiertoe behoorden, woonden tot ongeveer 2400 voor Christus in een gebied van Scandinavië tot aan Noord-Nederland. Ze begroeven hun doden individueel en liggend in hurkhouding in een vlak graf onder een grafheuvel. De doden kregen onder andere stenen hamerbijlen en standvoetbekers mee, genoemd naar de vorm van de beker. De Enkelgrafcultuur werd voorheen ook wel de Standvoetbe- kercultuur genoemd.

Figuur 1.6 Een hunebed van de bandkeramiekers in Drenthe. Gemaakt ca. 4000 voor Christus

kenmerkend aspect 2 Ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen Het geheim van de hunebedden na eeuwen ontsluierd

Na een jarenlange studie van enkele honderdduizenden kleine aarde- werkscherven is de archeologe Anna Brindley (Groninger Instituut voor Archeologie) erin geslaagd de functie en het gebruik van hunebedden te achterhalen. Uit haar onderzoek blijkt dat niet iedereen in een hunebed begraven werd. Het graf werd slechts één keer per tien of vijftien jaar gebruikt of misschien één keer per generatie. Ook zijn de hunebedden gedurende de vijfhonderd jaar van hun functioneren niet altijd op de- zelfde wijze benut. Bron: Groninger Instituut voor Archeologie, 1996

26 |

1.3  De hunebedbouwers

Vragen bij dit voorbeeld 1 Waarom illustreert deze tekst de bewering dat de kennis van de Pre- historie hypothetisch is? 2 Zou je deze informatie over hunebedden doorgeven aan leerlingen van groep 6?

tot 3000 vC 3000 vC-500 500-1000 1000-1500 1500-1600 1600-1700 1700-1800 1800-1900 1900-1950 1950-heden

Figuur 1.7 Een dorpje van de hunebedbouwers (wandplaat van J.H. Isings)

De hunebedbouwers woonden in boerderijen aan de rand van een open bos, op de zandgronden van Drenthe. De hunebedbouwers maakten de hune- bedden van zwerfkeien die hier in de IJstijd door gigantische ijsverschui- vingen uit Scandinavië terecht waren gekomen. Rondom de zandgronden bevonden zich veenmoerassen, waar de nodige overblijfselen van de cultuur van de hunebedbouwers zijn achtergebleven. Aan de hand van vondsten in Zweden en Duitsland is een dorp van de hunebedbouwers te reconstrue- ren. Een dorp bestond uit ongeveer drie huizen, waarin circa twintig men- sen per huis woonden. De huizen waren ongeveer dertien meter lang en vijf meter breed. Rondom de huizen lagen akkers, waar vooral vrouwen het land bewerkten. De meeste mannen gingen eropuit om te vissen en te jagen. De hunebedbouwers hielden ook vee, zoals runderen, schapen en geiten. De dieren dienden als voedsel en werden gebruikt om kleding en gereed- schappen van te maken. Ook werden dieren ingezet om wagens te trekken. De hunebedbouwers beschikten dus over wielen. Archeologische vondsten wijzen erop dat de hunebedbouwers in Drenthe contact onderhielden met verwante volken in Zweden, Denemarken en Duitsland. Er zijn houten wie-

| 27

1

De tijd van jagers en boeren (tot 3000 voor Christus)

len, bruggen en wegen van boomstammen aangetroffen, die wijzen op het vervoer van mensen, dieren en goederen. De 54 hunebedden in Nederland zijn in de loop der jaren gerestaureerd. Sommige hunebedden zijn samengesteld uit restanten van hunebedden die incompleet waren geworden. Een hunebed bestaat uit draagstenen met een gladde binnenkant en dekstenen met een vloer van keien. Het hunebed werd afgedekt met een dekheuvel, die bestond uit aarde en zand. Om het hunebed stonden kransstenen, die rechtop in een kransvorm werden neer- gezet. Omdat een hunebed een graf was, bezat het een opening die met een grote steen kon worden afgesloten. Hunebedden waren graven en spirituele centra, maar waarschijnlijk ook bouwwerken om een territorium mee te markeren. Elke leefgemeenschap van hunebedbouwers bezat een eigen hu- nebed. Om de hunebedden gemakkelijk uit elkaar te kunnen houden, heb- ben archeologen de Nederlandse hunebedden codes gegeven. Hunebed D 27 ligt bij Borger en is het grootste hunebed van Nederland. In de buurt van dit hunebed werd in 2005 het Nederlandse Hunebedcentrum geopend. Een hunebed wordt ook wel een dolmen genoemd en is in vaktaal van ar- cheologen een megalithische steenkamer uit de Prehistorie. Mega betekent groot en litho is Latijn voor steen. Ook in andere Europese landen wer- den dolmens gevonden. Heel bekend is het stenencomplex in het Engelse Stonehenge, dat gebouwd werd in circa 2300 voor Christus. Dit bouwwerk was waarschijnlijk een zonnetempel. Het trekt jaarlijks tienduizenden toe- risten en staat op de Werelderfgoedlijst van de Unesco, de organisatie van de Verenigde Naties die mondiaal relevante cultuur helpt behouden.

Figuur 1.8 Stonehenge, een megalithische steenkamer in de buurt van de Engelse plaats Amesbury

28 |

1.4  Cultuur en religie van jagers en verzamelaars en boeren

1.4

Cultuur en religie van jagers en verzamelaars en boeren De gevonden voorwerpen uit de Prehistorie vertellen iets over de cultuur van die tijd. Cultuur ontstaat wanneer de mens ingrijpt in de natuur. Een voorbeeld hiervan zijn de prehistorische grotschilderingen. Hierop staan vaak dieren afgebeeld. De schilderingen werden aangebracht met een mengsel van speeksel, kruiden en zand of klei. Waarschijnlijk werden de schilderingen gebruikt tijdens een magisch ritueel. Door met echte speren de geschilderde dieren te ‘doden’, hoopte de prehistorische mens dat er tij- dens de jacht dieren gedood zouden worden. Naast schilderingen maakten zij ook beeldjes die waarschijnlijk goden voorstelden en bezield waren. De beeldjes werden – zo wordt aangenomen – vereerd tijdens rituelen waarbij gezongen en gedanst werd. Een mooi voorbeeld hiervan is het Mannetje van Willemstad (zie figuur 1.4).

tot 3000 vC 3000 vC-500 500-1000 1000-1500 1500-1600 1600-1700 1700-1800 1800-1900 1900-1950 1950-heden

Figuur 1.9 Grotschildering in het Franse Lascaux

Iedereen in de leefgemeenschap, de clan, had zijn eigen taken en verant- woordelijkheden. De priester was expert in het onderhouden van het con- tact met de goden. Naar alle waarschijnlijkheid trad hij ook op als medicijn- man. Bij hunebedden zijn schedels gevonden met geboorde gaten die naar wordt aangenomen zijn aangebracht om tijdens ziekte de pijn bij een patiënt te verlichten. Archeologen moeten de gevonden voorwerpen, zoals grafbekers en vuur- stenen, door middel van verschillende methodieken dateren en nagaan welke functie ze hadden. Bodemmonsters met verkleuringen van de aarde geven eveneens historische informatie. Ook proberen archeologen vast te

| 29

1

De tijd van jagers en boeren (tot 3000 voor Christus)

stellen waarvan de objecten zijn gemaakt. Zo werd een periodisering opge- steld voor de prehistorische culturen in de Lage Landen: ■■ de Steentijd: 2.500.000 voor Christus tot 2100 voor Christus; ■■ de Bronstijd: 2100 voor Christus tot 700 voor Christus; ■■ de IJzertijd: 700 voor Christus tot 50 voor Christus Om de leefwijze van prehistorische mensen te verklaren worden ook ge- gevens bestudeerd uit onderzoeken naar volken die op vergelijkbare wijze leven of leefden. De Prehistorie eindigde op verschillende plaatsen op ver- schillende momenten. In het Midden-Oosten werd al vanaf 6000 jaar voor Christus geschreven op kleitabletten. In het gebied dat nu het huidige Irak is, ontstonden de eerste stedelijke gemeenschappen. In de Lage Landen ein- digde de Prehistorie met de komst van de Romeinen. Zij deden vanaf circa 58 voor Christus verslag van de leefwijze van de volken die zij in het huidige Nederland aantroffen. Door de komst van de Romeinen ontstonden in de Lage Landen de eerste stedelijke gemeenschappen. Terugblik In dit hoofdstuk werd de vraag beantwoord hoe de mens tot 3000 voor Christus aan zijn eten kwam. Tot circa 9000 voor Christus leefden de men- sen van jagen en verzamelen. Vanaf 9000 voor Christus werd akkerbouw be- dreven en vanaf 7500 voor Christus ook veeteelt. Er ontstonden dorpjes van kleine groepen boerderijen. De mens was een boer geworden, maar bleef ook jagen en vissen. Ook werd de vraag gesteld waarom de mens ging wonen op een vaste plek en wat hunebedden zijn. De mens kon een vaste woonplaats kiezen omdat hij had geleerd het land te bebouwen. Dit wordt wel de agrarische revolutie genoemd, maar in werkelijkheid duurde het best een tijd voor de mens het bedrijven van landbouw onder de knie had. Het sedentair worden van de mens vond plaats in de Jonge Steentijd: het Neolithicum. De bandke- ramiekers vestigden zich omstreeks 5300 voor Christus als eerste landbou- wers in het huidige Nederland. Tot slot werd nagegaan hoe de eerste mensen in de Lage Landen leefden. Voordat landbouwers zich hier vestigden, trokken er prehistorische stam- men rond. Van hen is door archeologen weinig teruggevonden. Meer be- kend is er van de bandkeramiekers, mede omdat ze op vaste woonplaatsen verbleven. Informatie is er ook over de hunebedbouwers. Zij leefden van 3400-2850 voor Christus in een gebied dat voor het grootste gedeelte valt binnen het huidige Drenthe. In de eerste boerensamenlevingen was sprake van een gespecialiseerde taakverdeling. Mannen verrichtten het zware werk en gingen nog op jacht, terwijl de vrouwen steeds meer huishoudelijke ta-

1.5

30 |

1.6  Meerkeuzevragen

ken kregen toebedeeld. Zeer waarschijnlijk kenden deze boerensamenlevin- gen leiders die zorg droegen voor de organisatie van het dagelijks leven. Ook kenden deze agrarische gemeenschappen religieuze leiders. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat bij de hunebedbouwers deze priesters wer- den begraven in speciaal voor hen aangelegde hunebedden. Hunebedbou- wers geloofden in een hiernamaals. Het leven in de Prehistorie was geen pretje. Stress om een tekort aan voedsel, zware regenval, kou en lichamelijke ongemakken maakten het be- staan voor de hunebedbouwers en hun voorgangers fysiek en mentaal zwaar. Het bestaan was een avontuur dat alleen werd overleefd door de mensen die sterk genoeg waren (Vlasblom, 2016). Aan de prehistorische cultuur in de Lage Landen kwam een eind toen de Romeinen een groot gedeelte van het huidige Nederland bezetten. Zij intro- duceerden het schrift, waarover je meer kunt lezen in het volgende hoofd- stuk.

tot 3000 vC 3000 vC-500 500-1000 1900-1950 1950-heden 1800-1900 1700-1800 1600-1700 1500-1600 1000-1500

1.6

Meerkeuzevragen

1 In welke periode maakten de prehistorische mensen grotschilderingen? a het Krijt

b de Steentijd c de Bronstijd d de IJzertijd

2 Waarom is het begrip ‘agrarische revolutie’ met betrekking tot de Nieuwe Steentijd feitelijk niet juist?

a De lagere klasse kwam niet plotseling in opstand tegen de hogere klasse. b Een agrarische revolutie kenmerkt zich door grote gevolgen voor de hele wereldbevolking. c Mensen werden niet van de ene op de andere dag boeren in plaats van jagers en verzamelaars. d Een revolutie is heel bewust georganiseerd en dit gold niet voor de agra- rische revolutie uit de Nieuwe Steentijd.

3 Waarom vestigden de hunebedbouwers zich in Drenthe? a Daar lagen stenen waarvan ze hunebedden konden maken.

b Het gebied lag hoog genoeg om je er veilig te vestigen. c Er woonden reeds volken met exact dezelfde gewoonten. d De temperatuur was in dit gebied extreem hoog in vergelijking met om- ringend gebied.

| 31

1

De tijd van jagers en boeren (tot 3000 voor Christus)

4 Waarvan is het ‘Mannetje van Willemstad’ een mooi voorbeeld? a het sedentair worden van de prehistorische volken in Nederland b de gewoonte van de prehistorische mens om er goden op na te houden c het bestaan van professionele prehistorische kunstenaars d het feit dat godsdienstige leiders de dienst uitmaakten in de prehistori- sche stammen 5 Welke bron zou je kunnen raadplegen voor informatie over het einde van de Prehistorie in het huidige Nederland? a een potscherf afkomstig van een Trechterbekerstam in Borger (Drenthe) b een onderzoeksrapport van Zweedse archeologen over de neolithische revolutie c een Romeins geschrift uit 40 voor Christus over de invasie van Julius Caesar in de Lage Landen d een stuk geprepareerd hout van een prehistorische kano, gevonden in Vlaardingen

1.7

Open vragen

1 Geef in je eigen woorden een omschrijving van het begrip ‘Prehistorie’ (maximaal 30 woorden).

Figuur 1.10 Een ringwalgrafheuvel uit de vroege Bronstijd (ca. 1350 voor Christus vlak bij Toterfout in de gemeente Veldhoven)

32 |

1.7  Open vragen

2 Lees de volgende stelling: ‘We weten in de eenentwintigste eeuw meer af van de omgang die de prehistorische mens had met de dood dan van zijn dagelijks leven.’ a Verklaar deze stelling. b Op welke manier kunnen we meer te weten komen over de prehistori- sche opvattingen met betrekking tot het dagelijks leven? c Wat is het verband tussen de stelling en een van de kenmerkende aspec- ten van deze periode? 3 Waarom eindigde de Prehistorie in de Lage Landen veel later dan in het huidige Midden-Oosten?

1950-heden 1900-1950 1800-1900 1700-1800 1600-1700 1500-1600 1000-1500 500-1000 3000 vC-500 tot 3000 vC

4 Noem drie verschillen tussen de eerste stedelijke gemeenschappen en de steden uit onze eeuw.

5 Wat wordt bedoeld met ‘prehistorische stress’?

| 33

Made with FlippingBook Learn more on our blog