Frank & van de Vooren-Fokma - Onderzoek in de juridische praktijk

in de juridische praktijk ONDERZOEK Fiona Frank Aleid van de Vooren-Fokma

ONDERZOEK IN DE JURIDISCHE PRAKTIJK

Inhoud

Inleiding

11

1 Opdrachtgesprek 1.1 Voorbereiding

15 15 18 18 20 21 23 23 23 26 27 29 32 32 34 37 39 39 39 42 42 43 45 47 47 47 49 50 50 51 52 52 53 55

1.2 Het gesprek voeren

1.2.1 Opbouw van het gesprek

1.2.2 Communicatieve vaardigheden

1.3 Naar een onderzoeksplan

2 Opzet van het onderzoek

2.1 Theoretische achtergrond van onderzoek

2.1.1 Onderzoekscyclus 2.1.2 Betrouwbaarheid

2.1.3 Validiteit

2.2 Onderzoeksmethode

2.3 Onderzoeksplan

2.3.1 Aanleiding en doel

2.3.2 Centrale vraag en deelvragen

2.3.3 Onderzoeksmethode en -verantwoording

3 Theorieonderzoek

3.1 Opzetten van theorieonderzoek

3.1.1 Soorten bronnen

3.2 Uitvoeren van theorieonderzoek

3.2.1 Bronnen vinden 3.2.2 Bronnen beoordelen

3.2.3 Je deelvraag beantwoorden

4 Interviewen

4.1 Wat is een onderzoeksinterview?

4.1.1 Wanneer is interviewen een geschikte methode?

4.2 Opzetten van een interview

4.2.1 Persoonsgegevens en anonimiteit

4.2.2 Soorten vragen 4.2.3 Interviewerbias 4.2.4 Respondentbias

4.2.5 Betrouwbare aantallen

4.2.6 Opzetten van een semigestructureerd interview

4.2.7 Opzetten van een open interview

4.3 Uitvoering van een interview 4.4 Telefonisch interviewen 4.5 Focusgroepen interviewen 4.6 Verwerken van interviews

56 57 58 59 61 61 61 62 63 64 65 66 66 69 69 71 72 75 75 75 77 78 79 80 83 83 84 87 89 92 93 96 96 96 99 99 99

5 Enquêtes

5.1 Wat is een onderzoeksenquête? 5.2 Opzetten van een enquête

5.2.1 Samenstellen steekproef 5.2.2 Grootte van je populatie 5.2.3 Enquêtevragen opstellen 5.2.4 Routeren binnen je enquête

5.3 Uitvoering van een enquête 5.4 Telefonisch enquêteren

6 Bronnenonderzoek

6.1 Wat is bronnenonderzoek? 6.2 Opzetten van bronnenonderzoek 6.3 Uitvoering van bronnenonderzoek

7 Observatieonderzoek

7.1 Wat is observatieonderzoek?

7.1.1 Wanneer is observatieonderzoek een geschikte methode?

7.2 Opzetten van observatieonderzoek

7.2.1 Wat ga je observeren?

7.2.2 Je eigen rol tijdens observatieonderzoek

7.3 Uitvoering van observatieonderzoek

8 Analyse van onderzoeksgegevens

8.1 Sorteren en ordenen

8.1.1 Analyse van kwalitatieve gegevens 8.1.2 Analyse van kwantitatieve gegevens

8.2 Weergeven van je bevindingen

8.2.1 Weergeven in tekst 8.2.2 Weergeven in beeld

8.3 Concluderen

8.3.1 Deelconclusies 8.3.2 Slotconclusie

9 Presenteren van onderzoek

9.1 Het schrijven van een onderzoeksrapport

9.1.1 Aanpak voor het schrijven van een onderzoeksrapport

9.1.2 Voorbereidende fase

100 103

9.1.3 Voorbereiding per hoofdstuk

9.1.4 Schrijffase 9.1.5 Redigeerfase

104 104 105 105 107 108 109 110 110 111 111 114 116 116 117 117

9.2 Opbouw van het onderzoeksrapport

9.2.1 Voorwerk 9.2.2 Inleiding

9.2.3 Onderzoeksopzet

9.2.4 Theoretisch onderzoek 9.2.5 Praktijkonderzoek 9.2.6 Conclusies en aanbevelingen

9.2.7 Literatuurlijst

9.2.8 Bijlagen

9.3 Stijl van je rapport

9.4 Mondelinge presentatie

9.4.1 Voorbereiding

9.4.2 Opbouw van je presentatie 9.4.3 Ondersteuning van je presentatie

Antwoorden per hoofdstuk

119

Antwoorden doorlopende casus ‘Ken jij je rechten?’

131

Begrippenlijst

140

Bibliografie

143

Register

145

Over de auteurs

151

Inleiding Onderzoek in de juridische praktijk is een praktisch studieboek voor studen- ten die een (afstudeer)onderzoek uitvoeren voor een juridische hbo-oplei- ding. Praktijkgericht juridisch onderzoek richt zich op het oplossen van een acuut juridisch probleem van een opdrachtgever: een advocatenkantoor wil weten hoe het zijn cliënten moet adviseren over een nieuwe wet, een ge- meente wil de bezwaarprocedure versnellen, of een groot bedrijf wil een be- paald juridisch proces digitaliseren, maar weet niet goed hoe. In dit boek gaat het om het uitvoeren van zulk onderzoek: Hoe krijg je de onderzoeksvraag helder? Welke onderzoeksmethode(n) kies je? Hoe voer je het onderzoek uit? De achterliggende theorie over onderzoek wordt waar nodig besproken, maar de nadruk ligt op de praktijk. Elk hoofdstuk bevat dan ook veel oefenin- gen om het geleerde direct in praktijk te brengen. Het boek volgt de stappen die je zet tijdens het onderzoek: van het opdracht- gesprek tot het presenteren van de eindresultaten. Aan elk onderwerp is een hoofdstuk gewijd waarin theorie en oefeningen elkaar steeds afwisselen. Opdrachtgesprek Een onderzoek begint met een vraag van een opdrachtgever. Het is aan de onderzoeker om er in een gesprek achter te komen wat het probleem precies is. Hoe groot is het probleem? Wie zijn de betrokkenen? Heeft de opdracht- gever al ideeën over een oplossing? Zijn er misschien beperkingen aan het onderzoek? Het is belangrijk om al deze zaken in een zo vroeg mogelijk sta- dium duidelijk te hebben, zodat je goed van start gaat. Opzet van het onderzoek Als het probleem van de opdrachtgever helemaal duidelijk is, is het tijd om een onderzoeksplan op te stellen. Voor je dat kunt doen, heb je wat theo- retische kennis nodig over bijvoorbeeld de onderzoekscyclus, verschillende soorten onderzoek en de eisen die gesteld worden aan de betrouwbaarheid en validiteit van een onderzoek. In het onderzoeksplan geef je kort aan wat de aanleiding voor het onderzoek is en noem je de centrale vraag en de deel- vragen. Ook leg je uit welke onderzoeksmethode je hebt gekozen en waarom. Dit plan bespreek je met de opdrachtgever – nu kun je nog makkelijk bijstu- ren als blijkt dat je toch niet helemaal de goede kant opgaat. Als het onderzoeksplan is goedgekeurd, kun je aan de slag met het eigenlijke onderzoek. Dat onderzoek valt uiteen in twee delen: een theoretisch deel en een praktijkdeel.

11

Onderzoek in de juridische praktijk

Theorieonderzoek Je begint met het theorieonderzoek. In dit deel van het onderzoek stel je een theoretisch kader op, waaraan je daarna de praktijk gaat toetsen. Je on- derzoekt verschillende bronnen, zoals wet- en regelgeving, jurisprudentie en interne richtlijnen en beantwoordt je theoretische deelvraag of deelvragen. Praktijkonderzoek Na het theorieonderzoek kun je verder met het praktijkonderzoek. Er zijn verschillende methodes die je daarvoor kunt gebruiken. We bespreken de vier meest voorkomende onderzoeksmethodes. Interviewen Interviewen is een veelgebruikte onderzoeksmethode die veel informatie kan opleveren. Door goed door te vragen kun je immers een heel compleet beeld krijgen. Belangrijk is wel dat je de juiste vragen stelt, de juistemensen interviewt én op de juiste manier interviewt. Dat alles is nog niet zo eenvoudig. Een goede voorbereiding is dan ook noodzakelijk. Interviewen kun je op verschillende manieren doen: een-op-een, maar ook met een focusgroep, en face-to-face, maar ook telefonisch. Al deze manieren komen in dit boek aan bod. Enquêtes In sommige gevallen kun je beter kiezen voor enquêtes dan voor interviews, bijvoorbeeld als je redelijk simpele antwoorden verwacht of als je heel veel mensen in je onderzoek wilt betrekken. Interviewen zou dan een te intensie- ve methode worden. Maar ook het opzetten van een goede enquête vraagt het nodige denkwerk vooraf: over de vragen, maar ook over de antwoorden; bij enquêtes gaat het immers vaak ommeerkeuzevragen. Ook kun je gebruik- maken van vijf- of zevenpuntsschalen voor de antwoorden. Bronnenonderzoek Onder bronnenonderzoek wordt verstaan: al het onderzoek waarbij enige vorm van ‘papierwerk’ (eventueel gedigitaliseerd) je onderzoeksobject is. Het kan dan gaan om de dossiers van een advocatenkantoor, maar ook om inge- diende bezwaarschriften bij een gemeente of om uitspraken van rechtbanken of interne reglementen van organisaties. Dit is een onderzoeksmethode die steeds meer gebruikt wordt, maar waar nog maar weinig literatuur over te vinden is. Observatieonderzoek Bij een afstudeeronderzoek is observatie vaak automatisch een deel van het onderzoek, omdat studenten meewerken in de organisatie waar ze onderzoek doen. Dit wordt echter lang niet altijd als onderzoeksmethode onderkend en ingezet. Behalve dit participerende onderzoek kun je ook louter observeren,

12

Inleiding

bijvoorbeeld door aanwezig te zijn bij een raadsvergadering of door mee te lopen met een handhaver. Vaak is dit niet een opzichzelfstaande onderzoeks- methode, maar wordt deze aanvullend op een andere methode gebruikt. Dat is belangrijk, omdat de kans op subjectiviteit bij observatie erg groot is. Analyse van onderzoeksgegevens Als het praktijkonderzoek is uitgevoerd, heb je heel veel gegevens die je kun- nen helpen om enkele van je deelvragen – en uiteindelijk je centrale vraag – te beantwoorden. Maar hoe doe je dat? Je doorloopt drie stappen: sorteren en ordenen, weergeven, concluderen. We leggen nauwkeurig uit hoe je elke stap moet doorlopen, zodat je je deelvragen duidelijk en goed onderbouwd kunt beantwoorden. Presenteren van onderzoek Je onderzoek presenteren kan op verschillende manieren. In de meeste geval- len schrijf je in elk geval een onderzoeksrapport, maar vaak geef je ook een presentatie – aan je opdrachtgever en/of aan je beoordelaar. In het laatste hoofdstuk van dit boek komen beide vormen van presentatie aan bod: hoe schrijf je een goed en duidelijk onderzoeksrapport, en hoe geef je een aan- trekkelijke, duidelijke presentatie van je onderzoek? Opdrachten Verspreid door elk hoofdstuk vind je veel verschillende opdrachten om alle vaardigheden echt onder de knie te krijgen. Voorbeelden van opdrachten zijn: In elk hoofdstuk staat één casus centraal, waarbij verschillende opdrachten horen. De casus staat in een felgroen kader. De opdrachten die bij de casus horen, zijn te herkennen aan het fotologo. Daarnaast is er een doorlopende casus, die aan het eind van elk hoofdstuk terugkomt. Hiermee leer je goed de vooruitgang te zien in het onderzoek. Deze doorlopende casus heet ‘Ken jij je rechten?’ en staat in een donkergroen kader. De bijbehorende opdrachten zijn weer gemarkeerd met een fotologo. Hoofdstuk 9 is wat dit betreft wat afwijkend: daarin is de doorlopende ca- sus ‘Ken jij je rechten?’ gebruikt als casus van het hoofdstuk. Hier is voor ge- kozen omdat je je anders weer helemaal in een nieuw onderwerp zou moeten verdiepen. In sommige hoofdstukken staan ook opdrachten over andere onderwerpen (zonder fotologo). • een topiclijst opstellen voor een interview • de antwoorden van interviews analyseren • een conclusie schrijven

13

Onderzoek in de juridische praktijk

Online studiemateriaal Op www.coutinho.nl/onderzoekjuridischepraktijk vind je het online stu- diemateriaal bij dit boek. Dit materiaal bestaat uit: • filmpjes • links en bijlagen • een begrippentrainer Als je je hebt aangemeld, kun je de QR-codes gebruiken om snel bij het juiste materiaal te zijn. Docenten kunnen via de website docentenmateriaal aanvragen.

14

1

Opdrachtgesprek

Praktijkgericht onderzoek begint vaak met een gesprek met de opdrachtge- ver. De functie van dat gesprek kan verschillen. Is het al zeker dat jij het on- derzoek gaat uitvoeren, of zijn er meerdere kandidaten? In dat laatste geval heb je waarschijnlijk eerst een gesprek dat meer lijkt op een sollicitatiege- sprek. Pas als je de opdracht ‘binnen’ hebt, voer je het gesprek over de details van het onderzoek zelf. In dit hoofdstuk lees je hoe je je goed kunt voorbereiden op dit opdrachtge- sprek, en hoe je het gesprek tot een goed einde kunt brengen. Tot slot leer je hoe je het gesprek verwerkt in een onderzoeksplan. Voorbereiding Het is altijd belangrijk om je goed voor te bereiden op een zakelijk gesprek, en een opdrachtgesprek is daar geen uitzondering op. Studenten vinden het vaak lastig om zich voor te bereiden op dit gesprek, omdat ze nog weinig kennis hebben over het rechtsgebied waar het onderzoek over moet gaan. Gelukkig is dat in dit stadium niet zo heel belangrijk; het belangrijkste doel van het gesprek is namelijk om erachter te komen wat de opdrachtgever pre- cies onderzocht wil hebben, en daar heb je meestal niet heel veel inhoudelijke kennis voor nodig. Bij het voorbereiden op het gesprek is het belangrijk dat je weet bij wat voor organisatie je bent. Lees je daar dus op in, en laat tijdens het gesprek merken dat je je in de organisatie hebt verdiept. Op die manier wek je meer vertrouwen bij je opdrachtgever. Doel van het gesprek Na afloop van het gesprek moet je een onderzoeksplan opstellen. Om dat goed te kunnen doen, moet je precies weten wat je zou moeten onderzoeken. Het is echter niet altijd mogelijk om in één gesprek alles duidelijk te krijgen. Het kan bovendien handig zijn om niet alleen de opdrachtgever, maar ook enkele directbetrokkenen (bijvoorbeeld van de afdeling waar je je onderzoek

1.1

15

1 • Opdrachtgesprek

gaat uitvoeren) te spreken. Probeer dat zo snel mogelijk te doen, zodat je hun bevindingen ook kunt meenemen in je onderzoeksplan. Oriëntatie op de organisatie Lees je in over de organisatie: is het een groot of een klein bedrijf, is het een overheidsinstantie, non-profit of commercieel? Met welke rechtsgebieden houdt ze zich bezig? Bekijk in elk geval de website van de organisatie zelf, en kijk eventueel of je ook nog andere informatie kunt vinden op internet. Oriëntatie op het onderwerp Hoeveel je weet over de onderzoeksopdracht, wisselt enorm. Soms heeft een organisatie een vacature uitgezet met veel informatie, maar het kan ook dat jij een bedrijf zelf benaderd hebt met de vraag of je er een onderzoek kunt uit- voeren. In dat laatste geval is het heel goed mogelijk dat je nog maar weinig kennis hebt over de opdracht. Bedenk in elk geval over welk rechtsgebied de opdracht gaat, en wat je daarover al weet. Kijk of je vast wat globale informa- tie kunt vinden, zodat je in elk geval de belangrijkste termen kent. Ook is het goed om je alvast in te lezen over actuele zaken die spelen op dit gebied. Je vindt daarover veel informatie in kranten en juridische tijdschriften. Oriëntatie op het onderzoek In hoeverre je je van tevoren al kunt oriënteren op het onderzoek, hangt erg af van hoeveel informatie je al hebt. Is de vacatureomschrijving redelijk uit- gebreid, dan kun je vast nadenken over welke onderzoeksmethodes je zou kunnen toepassen. Maar als je maar heel weinig informatie hebt, is dat lastig. Zorg er dan voor dat je goed weet welke methodes er zijn, zodat je je ideeën daarover kunt bespreken met de opdrachtgever. Oriëntatie op het gesprek We zeiden het hiervoor al: na dit opdrachtgesprek moet je voldoende infor- matie hebben om tot een onderzoeksplan te komen. De precieze invulling daarvan kan per opleiding wat verschillen (controleer dus altijd de onder- delen en vereisten bij je eigen opleiding), maar het plan zal in elk geval de volgende onderdelen bevatten: Î Î aanleiding voor het onderzoek Î Î doel van het onderzoek Î Î centrale vraag en deelvragen Î Î onderzoeksmethodes en verantwoording

16

1.1 • Voorbereiding

Deze aspecten moeten dus ook in je gesprek aan de orde komen, direct (om- schrijving onderzoeksopdracht, doel en onderzoeksmethodes) of indirect (centrale vraag en deelvragen). Het is meestal niet zo handig om een vaste vragenlijst op te stellen, zeker niet als je nog weinig van het onderwerp weet. In die situatie is een topiclijst meestal handiger. Zo’n topiclijst, waarin je puntsgewijs aangeeft welke on- derwerpen je wilt bespreken, geeft je meer vrijheid om door te vragen op wat je gesprekspartner vertelt. Wat de voorbereiding betreft, zijn er veel overeenkomsten tussen dit ge- sprek en een onderzoeksinterview; zie daarom ook hoofdstuk 4. Casus: Vermoeden van een arbeidsovereenkomst?

Detailresultgroep Services N.V. in Sassenheim heeft niet alleen medewer- kers in vaste dienst, maar ook mensen die werken op basis van wat het bedrijf ‘externe contracten’ noemt. Het gaat daarbij om uitzendkrachten, gedetacheerden en zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers). Het inhuren van deze mensen gebeurt decentraal, door de verschillende bedrijfsonder- delen. De centrale afdeling HR Services heeft hier dan ook weinig zicht op. Dat levert vooral problemen op bij het inhuren van zzp’ers, die na eni- ge tijd nog weleens aanspraak maken op een contract, op basis van het ontstaan van een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst. Daar komt nog bij dat onlangs de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) is ingevoerd, die het nodige veranderd heeft met betrekking tot het inhuren van zzp’ers. De centrale afdeling HR Services is ongerust over deze ontwikkelingen en wil juridisch advies in deze kwestie.

17

1 • Opdrachtgesprek

Opdracht 1.1 Jij gaat het opdrachtgesprek voeren met mevrouw Tjie A Son, hoofd van de centrale afdeling HR Services. Wat moet je nog weten en opzoeken voor je dit gesprek kunt voeren? Het gesprek voeren Tijdens het gesprek maak je veel gebruik van de basisvaardigheden van za- kelijke gespreksvoering: luisteren, samenvatten en doorvragen (LSD). Je laat merken aan je gesprekspartner dat je luistert naar diens antwoorden door non-verbale feedback (zoals oogcontact en knikken) en verbale feedback (bij- voorbeeld ‘ja’ zeggen, doorvragen en samenvatten). Doorvragen en samen- vatten zijn belangrijke manieren om je ervan te verzekeren dat je voldoende en goede informatie krijgt, en om te controleren of je de ander goed hebt be- grepen. Vraag dus door als je iets niet helemaal begrijpt, of als je concretere informatie nodig hebt. Vat geregeld samen wat de ander gezegd heeft. Het kan handig zijn om een opname van het gesprek te maken. De meeste smartphones hebben al een dictafoonapp geïnstalleerd, en anders kun je die makkelijk vinden. Vraag wel altijd toestemming aan de opdrachtgever voor- dat je een opname maakt, en zorg ervoor dat je goed weet hoe de app werkt, en dat je voldoende geheugen- en batterijcapaciteit hebt. Een groot voor- deel van het maken van een opname is dat je minder aantekeningen hoeft te maken tijdens het gesprek, en je dus beter kunt concentreren op wat de ander zegt. Het kan overigens nog steeds nuttig zijn om pen en papier bij je te hebben. Stel dat je opdrachtgever een vrij lang antwoord geeft op je vraag, dan kun je tussendoor in steekwoorden de zaken noteren waar je later in het gesprek op door wilt vragen. Ook heb je dan nog wat aantekeningen als de opname mislukt is. 1.2.1 Opbouw van het gesprek Een zakelijk gesprek bestaat altijd uit een inleiding, kern en slot. Een paar vaste zaken komen hierin altijd aan bod. Denk eraan dat jij de leider van het gesprek bent. Jij moet namelijk alles te weten zien te komen wat je nodig hebt voor het opstellen van je onderzoeksplan. Daarvoor is het belangrijk dat je de rode draad in het gesprek vasthoudt. Ook moet je de tijd in de gaten houden. Inleiding In de inleiding van het gesprek stel je jezelf voor, vertel je wat het doel van het gesprek is en hoelang het gesprek ongeveer zal duren. Ook kun je vertellen

1.2

18

1.2 • Het gesprek voeren

welke onderwerpen je wilt bespreken, en de opdrachtgever vragen of deze daar nog aanvullingen op heeft. Kern In de kern van het gesprek ga je dieper in op het onderwerp: wat ga ik eigen- lijk onderzoeken? Bespreek daarbij de volgende onderwerpen: Î Î Achtergronden van het onderzoek. Wat is de aanleiding voor het onderzoek? Gaat het om een bestaande si- tuatie, of wil de organisatie zich vast voorbereiden op bijvoorbeeld een komende wetswijziging? Î Î Het doel van het onderzoek. Wil de opdrachtgever bijvoorbeeld ergens een advies over, of moet er ook een concreet product komen, zoals een beslisboom of een lijst met FAQ’s? Î Î Details van het onderzoek. De inhoud hiervan hangt erg af van het onderwerp. Denk aan zaken als de volgende: Hoe groot of dringend is het probleem? Wie hebben er allemaal mee te maken? Wat zijn de wensen van de opdrachtgever? Î Î Het uitvoeren van het onderzoek. Bespreek hierbij welke onderzoeksmethodes geschikt zijn (breng je eigen ideeën hierover naar voren, en sta open voor de suggesties van de op- drachtgever), maar heb het ook over de omvang van het onderzoek, de duur ervan (je opleiding stelt hier waarschijnlijk bepaalde eisen aan), en eventuele ondersteuning of kosten. Let op dat het onderzoek dat je gaat doen niet te groot wordt voor de tijd die je hebt. Slot Aan het eind van het gesprek vat je de belangrijkste punten samen: wat moet er precies onderzocht worden, en wat weet je nu over de manier waarop je dat gaat doen? Ook belangrijk is om te benoemen wat er nu gaat gebeuren. Welke afspraken maak je met de opdrachtgever? Wanneer hoort hij of zij weer van je, en op welke manier? Wanneer lever je je onderzoeksplan in? Wees hierin voorzichtig: je kunt beter beloven iets binnen drie weken te doen en het dan na twee weken al inleveren, dan dat je om uitstel moet vragen omdat je toch meer tijd nodig hebt. Opdracht 1.2 Lees de casus ‘Vermoeden van een arbeidsovereenkomst?’ nog eens door. Bereid je voor op een gesprek met het hoofd van de centrale afdeling HR Services. Stel een topiclijst op die je kan helpen om tijdens het gesprek zo veel mogelijk duidelijkheid te krijgen over de vragen en wensen van de afdeling.

19

1 • Opdrachtgesprek

1.2.2 Communicatieve vaardigheden In het begin van het gesprek, als je het hebt over de achtergronden van het onderzoek, zal de opdrachtgever het meest aan het woord zijn, maar jij houdt de leiding over het gesprek. Jij moet genoeg doorvragen en samenvatten om voldoende duidelijkheid te krijgen. Zodra je dieper ingaat op het onderzoek zelf, komt het initiatief meer bij jou te liggen, en kom jij meer zelf met voor- stellen, bijvoorbeeld over de uitvoering van het onderzoek. Vragen stellen Stel veel open, brede vragen, zeker aan het begin van het gesprek, of als je aan een nieuw deelonderwerp begint. Daarna kun je doorvragen met gerichtere vragen en gesloten vragen. Formuleer je vragen neutraal; je eigen mening mag niet in de vragen doorklinken. Probeer ontkenningen in je vragen te vermijden, want die maken het vaak lastiger om een vraag duidelijk te be- antwoorden (‘Vindt u ook niet dat er geen leeftijdverbod op alcoholgebruik moet zitten?’). Een goede openingsvraag is bijvoorbeeld: ‘Waar kan ik u mee helpen?’ Het komt vaak voor dat opdrachtgevers niet zo goed weten waar het pro- bleem precies in zit, of dat ze bewust of onbewust willen sturen naar een be- paalde uitkomst. Stel dat in de vacaturetekst staat dat een leidinggevende wil weten hoe een bepaald juridisch proces efficiënter kan worden uitgevoerd; het kan dan best zijn dat hij dat eigenlijk wil weten omdat er bezuinigd moet worden, en hij mensen moet ontslaan. Het is belangrijk om zo’n achterlig- gend doel tijdens het gesprek boven tafel te krijgen. Dat lukt je alleen maar als je goed luistert en kijkt naar je gesprekspartner, en kritisch doorvraagt. Ook is het belangrijk om vertrouwen te wekken. Dat doe je bijvoorbeeld door dui- delijk te maken dat je vertrouwelijk met alles wat besproken wordt om zult gaan, en te benoemen dat het belangrijk is dat je alle benodigde informatie hebt, zodat je je onderzoek goed kunt uitvoeren. Non-verbale communicatie De non-verbale communicatie is tijdens gesprekken van heel groot belang. Dat is natuurlijk ook zo bij een opdrachtgesprek. Je wilt zelfverzekerd en pro- fessioneel overkomen en bij je opdrachtgever het vertrouwen wekken dat jij deze opdracht goed kunt uitvoeren. Let daarbij op je kleding. Je kunt beter overdressed zijn dan underdressed; de opdrachtgever ziet dan dat je er moei- te voor hebt gedaan en het gesprek serieus neemt. Neem een geïnteresseerde, open houding aan: zit rechtop, of leun iets voorover, en maak oogcontact. Hou je armen niet gekruist voor je borst, maar leg je handen bijvoorbeeld voor je op tafel. Zo kun je ook makkelijk je pen pakken om aantekeningen te

20

1.3 • Naar een onderzoeksplan

maken. Zet je telefoon voor je naar binnen gaat op de vliegtuigstand; zo kun je niet gestoord worden maar nog wel de opnamefunctie gebruiken als je dat wilt. Naar een onderzoeksplan Het opdrachtgesprek is de basis voor je onderzoeksplan, maar het is goed mogelijk dat je meer informatie nodig hebt. Misschien moet je zelfs nog wat andere directbetrokkenen spreken om tot een goed onderzoeksplan te ko- men. Hoe dan ook weet je na je opdrachtgesprek wat de kern van je onder- zoek moet zijn, en kun je je gaan inlezen. Het is belangrijk om dat te doen, zodat je je centrale vraag en deelvragen goed kunt verwoorden. Ook is het belangrijk om de juiste onderzoeksmethode(n) te kiezen. Hoe je dat doet, lees je in het volgende hoofdstuk. Daarin vind je ook meer informatie over het onderzoeksplan. Doorlopende casus: Ken jij je rechten?

1.3

Advocatenkantoor Abdullah en De Wit is gespecialiseerd in jeugdstraf- recht. De advocaten merken dat jongeren vaak niet zo goed op de hoogte zijn van hun rechten en plichten als ze gearresteerd worden op verdenking van een strafbaar feit. Ze weten bijvoorbeeld vaak niet of ze verplicht zijn hun telefoon af te staan, of dat ze niet verplicht zijn vragen te beantwoor- den voordat ze een advocaat hebben gesproken. Dat kan hun zaak (nega- tief ) beïnvloeden. Ze willen dat hier onderzoek naar gedaan wordt.

21

1 • Opdrachtgesprek

Opdracht A Jij gaat dit onderzoek doen. Bereid je voor op een opdrachtgesprek met mr. De Wit. Bedenk wat je van tevoren moet weten en opzoeken en stel een topiclijst op.

22

Made with FlippingBook Online newsletter