Arnold Bronkhorst, Jens van der Kerk & Nicolette Schipper-van Veldhoven - Een pedagogisch sportklimaat

Een pedagogisch sportklimaat Het realiseren van een positieve clubcultuur

Onder redactie van: Arnold Bronkhorst Jens van der Kerk Nicolette Schipper- van Veldhoven

Een pedagogisch sportklimaat

Een pedagogisch sportklimaat Het realiseren van een positieve clubcultuur

Onder redactie van: Arnold Bronkhorst Jens van der Kerk Nicolette Schipper-van Veldhoven

Met medewerking van: Astrid Cevaal Corina van Doodewaard Hans van Egdom Marieke Fix

Marijke Fleuren Geert Geurken Nadia de Haan Harold Hofenk Ary Hordijk Frank Jacobs Anne Ludérus Seán Mallon Rik Quint Mar Schuringa Johan Steenbergen

Hein Veerman Jan Vlasblom

c u i t g e v e r ij

c o u t i n h o

bussum 2018

www.coutinho.nl/pedagogischsportklimaat Je kunt aan de slag met het online studiemateriaal bij dit boek. Dit materiaal bestaat uit aanvullende informatie per deel in de vorm van video’s, links en documenten.

© 2018 Uitgeverij Coutinho bv Alle rechten voorbehouden.

Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbe- stand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mecha- nisch, door fotokopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande schrif- telijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van reprografische verveelvoudigingen uit deze uitgave is toege- staan op grond van artikel 16h Auteurswet 1912 dient men de daarvoor wettelijk verschul- digde vergoedingen te voldoen aan Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130 KB Hoofd- dorp, www.reprorecht.nl). Voor het overnemen van (een) gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie, Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.stichting-pro.nl).

Uitgeverij Coutinho Postbus 333 1400 AH Bussum info@coutinho.nl www.coutinho.nl

Omslag: Jeanne | ontwerp & illustratie, Westervoort Illustraties omslag en binnenwerk: Creative Beards, Utrecht

Noot van de uitgever Wij hebben alle moeite gedaan om rechthebbenden van copyright te achterhalen. Perso- nen of instanties die aanspraak maken op bepaalde rechten, wordt vriendelijk verzocht contact op te nemen met de uitgever.

ISBN 978 90 469 0644 6 NUR 843

Voorwoord

‘Naast het gezin en de school is de sportclub het derde opvoedmilieu.’ Deze zin keert geregeld terug in allerhande nota’s van gemeenten, ministeries, sportbon- den, sportraden en adviescommissies. Wie het als eerste zo geformuleerd heeft is niet geboekstaafd, maar inmiddels is het een mantra van velen geworden. Velen binnen de sport en, kijk eens aan … ook steeds vaker van velen buiten de sport. Daar zijn ‘wij van de sport’ blij mee, maar het schept ook een verplichting. Im- mers: als je naar de context van een sportclub kijkt (spel, regels, vrijheid, leeftijds- genoten, oefenen, strijd) én naar het percentage kinderen en jongeren dat lid is van een sportclub, kun je inderdaad maar één conclusie trekken. Sporten bij een sportclub heeft impact. Niet alleen op de fysieke en motorische ontwikkeling, maar minstens evenzeer op de cognitieve, psychosociale en morele ontwikkeling van de jonge sporter. Op de sportclub worden waarden en normen overgedra- gen, wordt geleerd om met winst en verlies om te gaan, wordt geleerd om door te zetten als het even tegenzit, worden vriendschappen gesloten, leer je samen te werken en afspraken na te komen. Dat gebeurt expliciet of impliciet, of je het wilt of niet: ‘als sportclub’ ben je ook een beetje opvoeder. Maar let op: áls de sportclub een belangrijk opvoedmilieu is, wil dat nog niet zeggen dat het ook altijd een góéd opvoedmilieu is. In een sociaal onveilig of pedagogisch onverantwoord sportklimaat kan sporten op een sportclub evengoed een verkeerde bijdrage leveren aan de ontwikkeling. Het kan juist leiden tot een negatief zelfbeeld, tot een misplaatst superioriteitsgevoel, tot géén respect voor iets wat afwijkt, of tot het onzalige idee dat er maar twee smaken zijn: winnen of verliezen. En de cijfers over grensoverschrijdend gedrag in de sport liegen er niet om. Eén op de vier jeugdigen heeft te maken met pesten en ongeveer één op de tien kinderen met seksuele intimidatie in de sport. Ook in de sport wordt de #MeToo-discussie gevoerd. Dit besef legt nogal een verantwoordelijkheid bij de sport en bij alle volwassenen die op de club actief zijn: bestuurders, trainers, coaches, scheidsrechters en officials; maar ook de ouders en zelfs de vrijwilligers in de kantine. Dit boek is een gezamenlijke productie van het programma Naar een Veiliger Sportklimaat (VSK) van de georganiseerde sport en het lectoraat Sportpedago- giek, in het bijzonder naar een veilig sport- en beweegklimaat van Hogeschool Windesheim. Het VSK-programma van 2012 tot en met 2018 is gefinancierd door het Ministerie van VWS. Onder regie van NOC*NSF, de KNVB en de KNHB

hebben ruim 25 bonden actief in dit programma geparticipeerd (zie Ministerie van VWS, 2011). Het lectoraat Sportpedagogiek is tot stand gekomen door een samenwerking tussen meerdere partijen: het hbo-onderwijs, het mbo-onderwijs, de gemeenten Rotterdam, Utrecht, Arnhem en Zwolle, en NOC*NSF namens de georganiseerde sport. Het VSK-programma had als doel ‘gewenst gedrag op de sportclub te bevorderen en ongewenst gedrag op de sportclub terug te dringen’ en sportbonden en sportverenigingen te helpen een duurzaam sociaal veilig en plezierig sportklimaat te creëren. Het VSK-lectoraat heeft als doel wetenschappelijke kennis en inzichten daarover te ontwikkelen en toegankelijk te maken voor de sportpraktijk. In dit boek zijn de kennis, inzichten en ervaringen beschreven die sinds 2012 zijn opgedaan over de essentiële pedagogische competenties van trainers en coaches, onderbouwd vanuit wetenschappelijke kennis, en over effectieve vormen om verenigingen te ondersteunen een sociaal veilig sportklimaat te creëren. In de eerste alinea benoemden wij dat de sportclub ook door andere sectoren steeds vaker als opvoedmilieu bestempeld wordt: door welzijn, jeugdzorg, ge- zondheid en zelfs justitie. Dat betekent dat er de komende jaren steeds vaker een beroep op de sportclubs gedaan zal worden om de sport in te zetten als middel voor maatschappelijke doelen. Die verwachting wil de sport graag inlossen. Maar, zo is onze stellige overtuiging, de samenwerking tussen sport en andere sectoren kan alleen succesvol zijn als het sportklimaat op de sportclubs sociaal veilig en pedagogisch verantwoord is. Dat zal altijd aandacht blijven vragen en maakt de behoefte manifest aan professionals die vanuit gemeenten, sportbonden of ande- re sectoren de sportclub adviseren en/of ondersteunen om een duurzaam sociaal veilig, plezierig en ontwikkelingsgericht sportklimaat te creëren. Dit boek heeft als doel deze aankomende beroepsgroep en alle vrijwilligers in de sport te inspireren en kennis en inzicht aan te reiken om deze belangrijke opvoed- kundige rol in en door sport te vervullen.

Veel succes,

Robert Agelink directeur Calo Windesheim, Domein Bewegen en Educatie Erik Lenslink voorzitter kernteam Veilig Sportklimaat 2012-2018, NOC*NSF

oktober 2018

Inhoud

Leeswijzer

15

Deel 1 Introductie

1 Een pedagogisch en veilig sportklimaat

21 21 23 25 27 28 31

1.1 Inleiding

1.2 Grensoverschrijdend gedrag in de sport 1.3 Beleidsmaatregelen voor een veilig sportklimaat

1.4 Sport in pedagogisch perspectief 1.5 Pedagogisch sportklimaat

1.6 Creëren van een pedagogisch sportklimaat

1.6.1 Micro-invloedssfeer – de training: de rol van de trainer/coach 32 1.6.2 Meso-invloedssfeer – de sportclub: de rol van bestuurders, scheidsrechters, ouders/begeleiders 33 1.6.3 Macro-invloedssfeer – sportbonden, sportkoepels en politiek: de rol van beleidsmakers en beleidsbeslissers 35 1.7 Cultuurverandering in de georganiseerde jeugdsport 36 Opdrachten 38

2 Geschiedenis van sociale veiligheid in sport

41 41 43 44 46 46 48 49 50 52 53

2.1 Inleiding

2.2 Een faire sport stelt het kind centraal!

2.3 Sport van de marge naar het centrum van onze samenleving 2.4 Het specifieke karakter van sport en een ‘smallere’ opvatting van fair play 2.6 Beïnvloeden van ‘de’ cultuur van een sportvereniging 2.7 Sportiviteit en respect en aanpassing van spelregels 2.8 Van sportiviteit en respect naar een ontwikkelingsgericht sportklimaat 2.9 De kracht van sport en de ontwikkeling van kinderen 2.5 De vereniging, dat ben jij!

Opdrachten

Deel 2 De trainer

3 Motivational climate en zelfdeterminatie

57 57 60 62 64 65 66 67 68 69 72 73 74 76 79 79 80 81 82 85 85 86 88 89 90 90 93 93 94 96 97 99 71

3.1 Inleiding

3.2 Motivatie en zelfdeterminatie

3.2.1 Stimuleren van de intrinsieke motivatie

3.3 Doeloriëntatie

3.3.1 Egogerichte of resultaatgerichte doelen 3.3.2 Taak- of vaardigheidsgerichte doelen

3.4 Van theorie naar praktijk: vier inzichten voor trainers 3.4.1 Structureren: structuur bieden en duidelijkheid creëren 3.4.2 Stimuleren: aanmoedigen en complimenten geven 3.4.3 Individueel aandacht geven: aandacht voor iedereen, aandacht voor verschillen 3.4.4 Regie overdragen: sporters medeverantwoordelijk maken voor hun ontwikkeling 3.5 Makkelijk gezegd: dilemma’s en schijnbare tegenstellingen

3.6 Over rolopvatting en diepere overtuigingen

Opdrachten

4 Caring climate en zelfreflectie

4.1 Inleiding

4.2 De kwaliteit van de relatie

4.3 Caring

4.3.1 Caring climate

4.4 Belangrijke competenties: perspectief nemen en zelfreflectie

4.5 Het G-model

4.5.1 De vijf G’s

4.5.2 Perspectief nemen

4.5.3 Zelfreflectie

4.6 Beïnvloeden van het gedrag van een sporter

Opdrachten

5 De trainer en diversiteit: omgaan met verschillen

5.1 Inleiding

5.2 Handelingsverlegenheid

5.3 De morele ontwikkeling van jonge sporters

5.3.1 Inzicht in de morele ontwikkeling per leeftijdscategorie 5.3.2 De rol van de sportclub bij de morele ontwikkeling

5.4 Waarneming en interpretatie van situaties 5.5 Cultuurverschillen en interculturele communicatie

100 102 102 103 104 108 108 110 110

5.5.1 Piramide van behoeften 5.5.2 Cultuurdimensies in organisaties 5.5.3 Interculturele communicatie

5.6 Beeldvorming: het ontstaan van stereotypen en vooroordelen

5.6.1 Ons brein ordent 5.6.2 Stereotypen 5.6.3 Vooroordelen

5.7 Wat vraagt het omgaan met verschillen van de trainer in de sportcontext? 111 5.8 Wat kan de trainer helpen om beter om te gaan met verschillen? 112 5.8.1 Houding en rolopvatting 112 5.8.2 Kennis en inzicht 113 5.8.3 Vaardigheden 113 Opdrachten 113

Deel 3 De sportvereniging

6 De vereniging en de rol van de bestuurder

117 117 118 119 121

6.1 Inleiding

6.2 De opkomst van sportverenigingen in Nederland

6.3 Sportverenigingen in het heden 6.4 De sportvereniging als een systeem 6.5 Uitdagingen voor de toekomst

122 6.5.1 Flexibel aanbod en veranderende vormen van lidmaatschap 124 6.5.2 Continue interactie met interne en externe stakeholders 125 6.5.3 Pedagogisering van de jeugdsport 125 6.6 De rol van het bestuur 126 6.6.1 De vier rollen van de bestuurder 127 6.6.2 Het bestuur als geheel 128 6.7 Vier inzichten voor bestuurders 129 6.7.1 Samen doen: als bestuur ga je ervoor 129 6.7.2 Meenemen van sleutelfiguren 130 6.7.3 Eigenaarschap geven, delegeren van taken 131 6.7.4 Support als het nodig is 132 6.8 Bestuurlijke overweging: inzet op trainersbegeleiding 133 Opdrachten 135

7 Cultuurverandering op de sportclub

137

7.1 Inleiding 137 7.2 Van normatief cultuurbegrip naar te beïnvloeden organisatiecultuur 139 7.3 Onderdelen van cultuur binnen een sportvereniging 141 7.4 Bij veranderen van cultuur moet rekening gehouden worden met wat een vereniging (aan)kan 144 7.4.1 Veranderkracht – voorwaarden om ambities te realiseren? 145 7.4.2 De verandervisie 145 7.4.3 De verandercapaciteit 146 7.5 Waarom veranderingen soms minder goed gaan 147 7.6 Terugkijken met de toekomst voor ogen: verhogen van de veranderbereidheid 152 7.6.1 Het proces van ‘waarderend veranderen’ 154 7.7 De verenigingsondersteuner: competent in helpen bij cultuurverandering 156 Opdrachten 157

8 Op weg naar de moderne scheidsrechter

159 159 162 163 165 166 167 168 168 169 169 170 170 171 172 172 173 173 174 174 174

8.1 Inleiding

8.2 Hoe is de arbitrage in Nederland geregeld? 8.3 Steeds meer uitdagingen voor de arbitrage

8.4 Sportbrede aanpak om het scheidsrechtersvak aantrekkelijker te maken

8.5 Arbitrage: een kerntaak voor clubs 8.5.1 Opstellen clubarbitrageplan

8.5.2 Werving en opleiding van scheidsrechters 8.5.3 Coachen van clubscheidsrechters

8.5.4 Samenwerking tussen verenigingen rond clubarbitrage

8.5.5 Werving van jeugd

8.5.6 Werving van vrouwelijke scheidsrechters 8.5.7 360 gradenfeedback voor de scheidsrechter

8.6 Bewust scheidsrechtersgedrag

8.6.1 ‘Ik ben de scheidsrechter vandaag’ 8.6.2 Help beslissingen te accepteren

8.6.3 Het fair-procesprincipe 8.7 De moderne scheidsrechter

8.7.1 Authenticiteit

8.7.2 Empathisch vermogen

8.7.3 Zelfreflectie

8.8 De vier inzichten voor de scheidsrechter als spelleider

176 176 177 177 178 179 181 181 182 183 184 185 185 186 188 190 191 191 191 192 193 193 197 197 199 199 200 200 200 201 201

8.8.1 Structureren 8.8.2 Stimuleren

8.8.3 Individueel aandacht geven 8.8.4 Verantwoordelijkheid delen

Opdrachten

9 De invloed van ouders op het sportklimaat

9.1 Inleiding

9.2 Invloed van ouders in jeugdsport

9.2.1 Drie rollen van ouderbetrokkenheid 9.2.2 Invloed van ouders op het klimaat 9.3.1 De invloed van culturele factoren 9.3.2 De invloed van situationele factoren 9.3.3 De invloed van persoonlijke factoren

9.3 Ouders als toeschouwer

9.4 Omgaan met ouders op de club 9.4.1 Introductie op de club

9.4.2 Introductie van het seizoen

9.4.3 Bewustwording

9.4.4 Afspreken en aanspreken 9.4.5 Ouders op afstand

Opdrachten

Deel 4 De omgeving

10 Op weg naar de open club

10.1 Inleiding

10.2 Wanneer is een club een open club? 10.2.1 De vier dimensies van de open club 10.3 Motieven om een open club te worden

10.3.1 Noodzaak

10.3.2 Ondernemerszin

10.3.3 Maatschappelijke gedrevenheid

10.3.4 Gemeentelijke wens

10.4 Doelgroepen en organisaties bij de open club 201 10.4.1 Voorbeelden van nieuw aanbod voor nieuwe doelgroepen 202 10.4.2 Voorbeelden van samenwerking met andere partijen 202

10.5 Overwegingen voor de driehoek kader-accommodatie-aanbod 203 10.5.1 Aanbod 204 10.5.2 Kader 204 10.5.3 Accommodatie 204 10.6 Wanneer kan een club succesvol een ‘open club’ worden? 204 10.6.1 Een kloppend hart 204 10.6.2 Sociale veiligheid op de hele club 205 10.6.3 Trainers en coaches met pedagogisch-didactische competenties 205 10.7 Hulp bij het ontwikkelen van een open club 205 10.8 Voorbeelden van open clubs 206

11 Aanpak van risicoverenigingen in het voetbal: ‘samenwerking in de keten’

211 211 213 213 215 215 216 216 216 217 219 219 221 221 222 223 224 225 227 228 229 229 230 231

11.1 Inleiding

11.2 Wat is een risicovereniging?

11.3 De drie fasen in de aanpak van risicoverenigingen

11.3.1 Fase 1: duiden 11.3.2 Fase 2: sturen 11.3.3 Fase 3: straffen

11.4 De verenigingsscan

11.4.1 Problematiek scherp krijgen 11.4.2 Op weg naar een oplossing

11.5 De ketenpartners als onderdeel van de verenigingsscan 11.5.1 Uitdagingen voor samenwerking in de keten

12 Sport in het Jeugdnetwerk in Rotterdam

12.1 Inleiding

12.2 Kwetsbaarheid en beschermende factoren

12.3 Noodzakelijke elementen voor het aanreiken van beschermende factoren door sport 12.3.1 Een kansrijk opvoed- en opgroeiklimaat bieden

12.3.2 Signaleren 12.3.3 Toeleiding

12.3.4 Sport als onderdeel van een interventie

12.4 Werkwijze Sport in het Jeugdnetwerk

12.4.1 Kernteam 12.4.2 Overleg

12.5 Conclusie

13 Samen op weg naar een veilig sport- en beweegklimaat in Arnhem 233 13.1 Inleiding 233 13.2 Buurt, onderwijs en sport samen aan de slag 235 13.3 Toelichting en achtergronden op de visie 236 13.3.1 Modellen van sport- en beweegbeleid 236 13.4 Sport als middel voor maatschappelijke samenhang 239 13.5 Gemeentelijke aanpak van sportpedagogiek (de BOS-aanpak) 240 13.5.1 Een veilig sport- en beweegklimaat binnen stadsdelen, buurten en wijken 240 13.5.2 Primair onderwijs en een veilig sport- en beweegklimaat 241 13.5.3 Het pedagogisch klimaat binnen de georganiseerde sport 242 13.6 Verenigingsondersteuning op het vlak van sportpedagogiek 242 13.7 De belangrijkste succes- en faalfactoren bij de Arnhemse integrale aanpak 243 13.7.1 De belangrijkste succesfactoren 243 13.7.2 De belangrijkste faalfactoren 244 14 Epiloog: een pedagogisch sportklimaat vraagt om een kanteling 245 14.1 Inleiding 245 14.2 Diversiteit loont … 246 14.3 Pleidooi voor boundary crossing 247 14.4 De doorontwikkeling naar een lerend netwerk 250

Literatuur Register

253 264 268

Over de auteurs

Leeswijzer

Dit boek is opgebouwd uit vier delen. Na het eerste inleidende deel volgen de de- len ‘De trainer’, ‘De sportvereniging’ en ‘De omgeving’. Deel 1: Introductie Deel 1 bestaat uit twee hoofdstukken. In hoofdstuk 1 schetsen we de relevantie van het thema sociale veiligheid op de sportclub en duiden we het belang van trai- ners en coaches die in pedagogisch opzicht bekwaam zijn. Hier worden de lijnen van het speelveld uitgezet: wat bedoelen we met een sociaal veilig en pedago- gisch sportklimaat en vanuit welke theoretische concepten wordt het vraagstuk benaderd? In hoofdstuk 2 schetsen we een aantal ontwikkelingen in de afgelopen decennia die een goed zicht geven op de volwassenwording van het thema sociale veiligheid in de sport. Het betreft enerzijds de ontwikkeling in de beleidsmatige aanpak en anderzijds de ontwikkeling in de manier waarop verenigingen werken aan het creëren van het gewenste sportklimaat. Deze lijnen geven ook zicht op een toekomst waarin, zo is de verwachting, professionals in de breedtesport hun In deel 2 staat de trainer centraal. Van iedereen binnen de georganiseerde sport heeft de trainer immers de meeste invloed op de ontwikkeling van de jonge spor- ter. Hij heeft niet alleen doorslaggevende invloed op de ontwikkeling van de sporttechnische vaardigheden, maar evenzeer op de sociaal-emotionele ontwik- keling. Gewild of ongewild, bewust of onbewust: die invloed is er te allen tijde. It better be good. In hoofdstuk 3 staan ‘motivatie’ en ‘motivational climate’ centraal. Aan de hand van de zelfdeterminatietheorie beschrijven we op welke manier een trainer een omgeving kan creëren waarbinnen de voorwaarden voor een optimale ontwikkeling aanwezig zijn. In hoofdstuk 4 gaan we aan de hand van het begrip ‘caring’ dieper in op de relatie tussen de trainer en de sporter. Hierin staat de persoon van de trainer zelf centraal. We beschrijven het G-model, dat de trainer kan helpen zicht te krijgen op het waarom van zijn eigen handelen, maar dat hem bovenal helpt om op zijn eigen handelen te reflecteren. In hoofdstuk 5 bespreken we het misschien wel moeilijkste aspect van de rol van de trainer, namelijk het omgaan met verschillen in de groep. Daarbij gaan we met name in op verschillen in culturele achtergrond. We belichten hoe de subtiele mechanismen van uitslui- ting werken en hoe lastig het voor een trainer is om niet in valkuilen te stappen. nut gaan bewijzen. Deel 2: De trainer

15

Een pedagogisch sportklimaat

Deel 3: De sportvereniging In deel 3 nemen we de sportclub als geheel in beschouwing. In hoofdstuk 6 staat de vereniging in haar verschillende verschijningsvormen centraal, waarbij we met name inzoomen op de rol van de verenigingsbestuurder. Vrijwel elke club staat continu voor de uitdaging de club soepel te laten draaien en aantrekkelijk te hou- den (of te maken) voor sporters, vrijwilligers en nieuwe leden. Wat is de rol van de clubbestuurder daarbij en wat zijn de belangrijkste succesfactoren? In hoofdstuk 7 wordt een spade dieper gestoken. Met wijsheid en beleid toewerken naar een duurzaam veilig en pedagogisch sportklimaat is voor veel clubs niets minder dan een cultuurverandering. Hoe breng je een dergelijke verandering op gang, hoe mobiliseer je de energie daarvoor, en hoe houd je die energie vast? In hoofdstuk 8 komen de scheidsrechters en officials aan bod. Lange tijd werden zij gezien als niet meer dan een noodzakelijke factor om de regels van het spel te handhaven, maar geleidelijk aan is het inzicht ontstaan dat ook deze groep enorm kan bij- dragen aan de ontwikkeling van een plezierige sportomgeving. In hoofdstuk 9 draait het om de ouders. Hoe is te verklaren dat ouders heel vaak een verstorende invloed hebben op de sfeer langs de lijn, juist ook bij de jongste jeugd? En wat kan een vereniging doen om ouders op een positieve manier bij de vereniging te betrekken? Deel 4: De omgeving In de vier hoofdstukken van het slotdeel slaan we de brug tussen de sportclub en haar omgeving. Deze hoofdstukken wijken af van de andere hoofdstukken. Hier draait het om concrete voorbeelden van de maatschappelijke rol die de sportclub in haar omgeving kan vervullen. In hoofdstuk 10 wordt het concept van de open club toegelicht: de vereniging die zich actief manifesteert in haar omgeving en samenwerking zoekt met bijvoorbeeld een andere sportclub of met zorg, welzijn of onderwijs. Deze ontwikkelingen juichen we uiteraard toe, maar we koppelen dit nadrukkelijk aan de waarschuwing dat er alleen een succesvolle en duurzame samenwerking gerealiseerd kan worden als het sportklimaat op de club sociaal veilig en pedagogisch op niveau is. In hoofdstuk 11 beschrijven we de benadering die de KNVB steeds vaker hanteert als hij zogenoemde risicoverenigingen helpt om weer een fatsoenlijk sportklimaat op de club te realiseren. Daarin staat sa- menwerking ‘in de keten’ centraal: denk daarbij aan politie, justitie, jeugdzorg en onderwijs. In hoofdstuk 12 beschrijven we hoe in Rotterdam sportverenigingen stapsgewijs een plek hebben verkregen in het gemeentelijke Jeugdnetwerk. Ge- leidelijk aan leren de werelden van de sportclub, het jeugdwerk en de jeugdzorg elkaar kennen en worden er bruggen geslagen. In hoofdstuk 13 beschrijven we hoe in Arnhem de sportvereniging uit de probleemwijken van de stad dreigde te verdwijnen en welke pogingen ondernomen zijn om dit tij te keren. We sluiten dit deel af met een epiloog, waarin we een korte beschouwing geven van het naar

16

Leeswijzer

elkaar toe groeien van verschillende werelden (sport en aanpalende sectoren) en hoe deze werelden enorm van elkaar kunnen leren door zich voor elkaar open te stellen. Hierin ligt een belangrijke uitdaging besloten, een uitdaging die zeker ook opgepakt moet worden door de nieuwe professionals in de sport. • Overal waar ‘hij’ staat kan ook ‘zij’ gelezen worden. • De termen ‘club’, ‘sportclub’, ‘vereniging’ en ‘sportvereniging’ worden door elkaar gebruikt. • We gebruiken vrijwel altijd het woord ‘trainer’, maar meestal bedoelen we dan trai- ner, coach, teambegeleider, jeugdleider en dergelijke.

Op www.coutinho.nl/pedagogischsportklimaat is per deel aanvullende infor- matie te vinden in de vorm van video’s, links en documenten. In dit boek wordt naar de website verwezen door middel van dit webicoon.

17

  

Deel 1 Introductie

19

deel 1 • introductie

Deel 1 Introductie

Op www.coutinho.nl/pedagogischsportklimaat is per deel aanvullende infor- matie te vinden in de vorm van video’s, links en documenten.

20

deel 1 • introductie

1 Een pedagogisch en veilig sportklimaat Nicolette Schipper-van Veldhoven

Leerdoelen

■■ Je weet wat in dit boek bedoeld wordt met de begrippen ‘sociaal veilig’ en ‘pedagogisch’. ■■ Je bent je bewust van de relevantie van een sociaal veilig en pedago- gisch sportklimaat, zowel vanuit het perspectief van de ontwikkeling van de individuele sporter als vanuit het brede maatschappelijke per- spectief. ■■ Je hebt inzicht in de verschillende vraagstukken, uitdagingen en moei- lijkheden die samenhangen met het creëren van een sociaal veilig en pedagogisch sportklimaat. ■■ Je hebt een eerste inzicht in de verschillende theoretische benaderin- gen die in dit boek gehanteerd worden om te werken aan een sociaal veilig en pedagogisch sportklimaat. De georganiseerde jeugdsport in Nederland heeft een groot bereik. In 2016 was 78 procent van de kinderen in de leeftijd van 6 tot 11 jaar lid van een van de meer dan 24.000 sportclubs, en van de jeugdigen in de leeftijd van 12 tot 19 jaar was dat 56 procent (Tiessen-Raaphorst, 2015; NOC*NSF, 2016b). Het Nederlands Olym- pisch Comité*Nederlandse Sport Federatie (NOC*NSF), als koepelorganisatie van de georganiseerde sport, plaatst sport graag in een maatschappelijke context. Het gelooft in de opvoedende waarde van sport, en in de toegevoegde waarde er- van voor de maatschappij. Het staat hierin niet alleen. Ook de Europese Unie ziet Inleiding

1.1

21

deel 1 • introductie

1 Een pedagogisch en veilig sportklimaat

een rol voor sport weggelegd ter ondersteuning van de ontwikkeling van jongeren (Council of the European Union, 2015). Sport wordt dan ook vaak gezien als het derde opvoedmilieu, naast familie en school. Aan sport worden dan tal van func- ties en betekenissen toegekend die een maatschappelijk belang hebben. Sport is goed voor ons: goed voor de gezondheid, voor het zelfvertrouwen, voor teamgeest, discipline, sociale integratie, talentontwikkeling, morele vorming. Een hele lijst van positieve effecten wordt toegeschreven aan participatie in sport, samen te vatten als de fysieke, mentale en sociale effecten van sport (Bailey, Hill- man, Arent, & Petitpas, 2013). Sportbeoefening biedt dus kansen voor bijdragen aan persoonlijke en sociale ontwikkeling, waardoor jeugdigen op sociaal verant- woordelijke wijze leren deelnemen aan de samenleving (bijdrage aan de opvoe- ding tot burgerschap) (Leeman & Wardekker, 2004). Sport biedt een context waarin relaties met relatief gemak kunnen ontstaan en daardoor experimentele ruimte voor het verwerven van daadwerkelijke leerervaringen (Janssens, Stege- man, & Van Hilvoorde, 2004). Onderzoek laat echter zien dat de werkelijke effecten van sportdeelname af- hangen van de manier waarop sport wordt aangeboden. Het gaat dus niet alleen om wát er aangeboden wordt, maar juist ook om hóé het wordt aangeboden. ‘De acties en interacties van coaches bepalen grotendeels of kinderen en jon- geren deze positieve aspecten van sport ervaren en of het grote potentieel wordt gerealiseerd. Contexten die positieve ervaringen benadrukken, en wor- den gekenmerkt door plezier, diversiteit, en de betrokkenheid van allen, en die worden gemanaged door toegewijde en opgeleide coaches en trainers, en ondersteunende en geïnformeerde ouders, zijn van fundamenteel belang’ (Bailey, 2006, p. 399). Sport is dus niet ‘vanzelf ’ goed voor de persoonlijke ontwikkeling van jeugdi- gen, daar moet je iets voor doen! Dit vraagt om een bij de ontwikkeling van het kind passende sportcontext. Jeugdsport vraagt om een pedagogisch perspectief (Schipper-van Veldhoven, 2013). In dit hoofdstuk staan we niet alleen stil bij ‘the good’ van sport, maar ook bij het grensoverschrijdende gedrag in de sport: ‘the bad and the ugly’ (paragraaf 1.2). Vanuit diverse programma’s in de sport, zoals Naar een Veiliger Sportklimaat, zijn allerlei beleidsmaatregelen ontwikkeld (paragraaf 1.3). Deze geven al goede handvatten voor de sport. Ze sluiten echter nog niet aan op ‘sport passend bij de ontwikkeling van het kind’. In paragraaf 1.4 en 1.5 bespreken we de omarming van het pedagogisch perspectief en in paragraaf 1.6 het creëren van een pedagogisch sportklimaat. Samen vormen deze zaken de sleutel voor het benutten van de po- sitieve effecten van sport en voor het tegengaan van het grensoverschrijdend ge-

22

deel 1 • introductie

1.2  Grensoverschrijdend gedrag in de sport

drag in de sport. Hierbij is een groot aantal stakeholders betrokken, die elk hun eigen aandeel en verantwoordelijkheid hebben. Het pedagogisch perspectief no- digt uit tot een kwaliteitsimpuls in de georganiseerde sport en roept op tot een cultuurverandering (paragraaf 1.7). Dit hoofdstuk geeft het wetenschappelijke raamwerk voor de verdere hoofdstukken in dit boek.

‘A coach will impact more people in one year than the average person will in an entire lifetime.’ (Billy Graham)

1.2

Grensoverschrijdend gedrag in de sport

Als we niet beseffen dat de manier waarop we sport aanbieden (het hoe) van belang is, kunnen kinderen en jongeren te maken krijgen met het tegenoverge- stelde, dus de negatieve effecten van sportbeoefening: blessures, dopinggebruik, lage morele ontwikkeling (valsspelen), hoge wedstrijdstress. Ook de sociale vei- ligheid komt in het geding door pesten en (seksuele) intimidatie. De cijfers liegen er niet om. Onderzoek naar de prevalentie van grensoverschrijdend gedrag in de sportcontext in Nederland laat zien dat ongeveer één op de tien jeugdigen onder 18 jaar te maken krijgt met seksuele intimidatie en/of fysiek geweld en zelfs één op de vier jeugdigen met pesten (Vertommen et al., 2016). Het onderzoek toonde tevens aan dat minderheids- en kwetsbare groepen een verhoogd risico hebben om daar slachtoffer van te worden, zoals allochtone sporters, sporters met een niet-heteroseksuele voorkeur, niet-valide sporters en topsporters. Daders, plegers van grensoverschrijdend gedrag, zijn medesporters (in het bijzonder bij pesten), alsook coaches/trainers en anderen (bestuurders, toeschouwers) (Vertommen et al., 2017). Meestal wordt de sport herinnerd aan deze negatieve kant van sport als die de pers haalt (zie figuur 1.1).

23

deel 1 • introductie

1 Een pedagogisch en veilig sportklimaat

teamgenoten

omstanders

trainer/coach

Figuur 1.1 Grensoverschrijdend gedrag in de pers

Grensoverschrijdend gedrag komt voor in alle takken van sport. Voetballers en andere teamsporters maken vaker een of meerdere vormen van onwenselijk ge- drag mee dan de andere sporters (Romijn, Van Kalmthout, Breedveld, & Lucas- sen, 2013). Ook in de context van sport speelde de #MeToo-discussie. De com- missie-De Vries heeft in 2017 in opdracht van NOC*NSF en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) onderzoek gedaan naar seksueel mis- bruik in de sport en vervolgens NOC*NSF en de sportbonden aanbevelingen ge- geven voor het verbeteren van de aanpak van het probleem (De Vries, Ross-van Dorp, & Myjer, 2017). Aanbevelingen zijn vooral gericht op beleid: regelgeving, meldplicht en informatieoverdracht. De gevolgen van grensoverschrijdend gedrag voor jeugdigen kunnen groot zijn. Psychosomatische gezondheidsklachten (hoofdpijn, buikpijn, slaapproblemen); angst, depressies, suïcidale gedachten; lage zelfwaardering; gevoelens van een- zaamheid, isolement en verslechterde (school)prestaties. Ernstig grensoverschrij- dend gedrag kan zelfs stress en vermindering van de kwaliteit van leven opleve- ren ver in de volwassen leeftijd (Vertommen, Kampen, Schipper-van Veldhoven, Uzieblo, & Van den Eede, 2018).

24

deel 1 • introductie

1.3  Beleidsmaatregelen voor een veilig sportklimaat

Sport heeft dus meerdere gezichten: the good, the bad and the ugly ! Sporters, trainers, coaches, bestuurders en ouders moeten beseffen dat sport hartstikke leuk is – of beter gezegd: kán zijn – en dat zij vele positieve effecten kán hebben, maar dat negatieve effecten voorkomen moeten worden. Jeugdigen hebben recht op een sociaal veilige sportomgeving. Onderzoek van Baar (2012) toonde aan dat de pestprevalentie op sportverenigingen minstens zo hoog is als op basisscholen. Voor scholen is sinds 1 augustus 2015 de Wet veiligheid op school (antipestwet) van kracht, waarbij scholen werk moeten maken van een sociaal veilige omgeving voor leerlingen (Rijksoverheid, 2015). Door de verenigingsstructuur van de georganiseerde sport in Nederland kan dit niet bij wet worden opgelegd, maar in de sport wordt gewerkt aan sociale veiligheid via programma’s zoals Samen voor Sportiviteit & Respect (2009-2011) en het Actieplan Naar een Veiliger Sportklimaat (2011-2018). In Nederland is er al geruime tijd aandacht voor sport en (on)gewenst gedrag (Schipper-van Veldhoven & Steenbergen, 2015). Absolute veiligheid is nooit te garanderen. In de georganiseerde sportcontext moet je echter wel weten hoe je moet omgaan met (on)veiligheid en onzekerhe- den. Volgens Wikipedia verwijst ‘veiligheid’ naar de mate van afwezigheid van potentiële oorzaken van een gevaarlijke situatie of de mate van aanwezigheid van beschermende maatregelen tegen deze potentiële oorzaken. In de sport zijn aller- lei preventieve beleidsinstrumenten ontwikkeld en voorhanden (beschermende maatregelen), zoals de gedragscode, richtlijnen voor het implementeren van pre- ventiebeleid, een (digitale) toolkit voor sportverenigingen, de Verklaring omtrent gedrag (VOG), alsook repressieve beleidsinstrumenten (afhandeling van beschul- digingen; potentiële oorzaken wegnemen), zoals een hulplijn (telefoon, e-mail/ website), tegenwoordig ondergebracht in het Vertrouwenspunt Sport, een pool van speciaal opgeleide adviseurs voor advies en ondersteuning, een incidentpro- tocol, het Instituut Sportrechtspraak (ISR), een pool van aanklagers en een on- derzoekscommissie. Uit onderzoek (Serkei, Goes, & De Groot, 2012) blijkt dat sportverenigingen weinig aandacht besteden aan preventieve beleidsinstrumenten ter voorkoming van grensoverschrijdend gedrag en dat maar weinig verenigingen ermee bekend zijn. Sportbestuurders denken vaak: bij ons komt dit niet voor, en beginnen pas na te denken over repressieve maatregelen na een incident. Een gebrekkige implementatie van deze beleidsinstrumenten kanmogelijk komen door een gebrek aan kennis, of door een gebrekkige communicatie hierover. Of door, zoals Cense en Coehoorn (in De Vries et al., 2017) constateren, schroom om over het onderwerp te praten of de inpasbaarheid van de instrumenten binnen een vereniging. Er Beleidsmaatregelen voor een veilig sportklimaat

1.3

25

deel 1 • introductie

1 Een pedagogisch en veilig sportklimaat

spelen dus veel belemmerende factoren op het niveau van verenigingen om zowel preventieve als repressieve beleidsmaatregelen door te voeren: een gebrek aan urgentie, een gebrek aan vrijwilligers, een gebrek aan kennis over de invloed van een cultuur op de club. Cense en Coehoorn concluderen: ‘Veel risicofactoren worden niet aangepakt binnen het huidige beleid. Er is weinig aandacht voor structurele aanpassingen, zoals (…) het aankaarten van een seksistische cultuur of het voeren van een gesprek over omgangsvormen en grenzen met sportbegeleiders, sporters en ouders. Ook in de topsport wordt te weinig aandacht besteed aan de kwetsbaarheid van jong talent. In een investering op deze terreinen is winst te behalen’ (De Vries et al., 2017, p. 47). Met betrekking tot een veiliger sportklimaat adviseert de commissie-De Vries dan ook een open cultuur in de sportclub te bevorderen waarin gedrag bespreek- baar is. Wat opvalt aan deze beleidsmaatregelen en -instrumenten is dat deze vertrekken vanuit het negatieve. Er moet iets preventief worden opgezet (ter voorkoming) of iets repressief worden gerepareerd; een situatie moet veilig zijn. Sportbestuurders reageren prikkelbaar op het nemen van dergelijke maatregelen, omdat ze ervan uitgaan dat ‘bij ons alles plezierig en positief is’. Sportbestuurders hebben zoge- zegd een ‘roze bril’ op als ze over sport nadenken. Zij willen niet nadenken over de negatieve kant van sport, want ‘Waar rook is, is vuur’ en dat kan weer nadelig werken voor het imago van hun sportclub. Als je hun echter de vraag stelt ‘Wil je het beste voor je jeugdleden binnen de club?’, zegt iedereen ja. Dat er naast het bewaken van de veiligheid ook iets gedaan moet worden voor het verkrijgen van de positieve effecten van sport, daar staat men niet altijd bij stil. Aan het lijstje van belemmerende factoren om beleidsmaatregelen door te voeren op het niveau van sportverenigingen kunnen we dan ook toevoegen: een gebrek aan bewustzijn dat ook de positieve effecten van sport vragen om een specifieke aanpak. ‘Er is een grote wetenschappelijke bewijslast dat als sport gegeven wordt op een bij de ontwikkeling van de jeugd passende manier, sportparticipatie vele positieve effecten kan hebben. De sleutel voor zowel de positieve effecten als voor het tegengaan van de negatieve effecten ligt “in de bij de ontwikkeling van het kind passende manier”. Hierover gaat pedagogiek! Pedagogiek is afge- leid van het Griekse woord paidagoogia, hetgeen kinderleiding betekent. Hoe handelen we in sport op een bij de ontwikkeling van de jeugdige passende manier, op een pedagogische manier?’ (Schipper-van Veldhoven, 2016, p. 10).

26

deel 1 • introductie

1.4  Sport in pedagogisch perspectief

1.4

Sport in pedagogisch perspectief

Sport heeft een uniek karakter. Ze biedt een directe context, met directe fysieke en sociale interacties, zichtbaar in het hier-en-nu. Het op regels gebaseerde fysie- ke spel biedt vele educatieve mogelijkheden. Jeugdigen leren regels te gebruiken en te aanvaarden. Ze leren rekening te houden met een ander. Ze leren omgaan met eigen mogelijkheden (talenten) en beperkingen. Karaktervormende leerer- varingen die mogelijk ook een goede voorbereiding zijn op het functioneren in de maatschappij. Dit vraagt van de sportcontext dat deze een opvoedende, peda-

gogische context is. Onder ‘pedagogiek’ ver- staan we de praktijk van het opvoeden, van het grootbrengen van jeugdigen met de in- tentie mondig te worden (Langeveld, 1979). Pedagogisch handelen is gericht op het ontwikkelen van het vermogen van jeugdi- gen om zelfstandig keuzes te leren maken (Onstenk, 2005). Het doel van opvoeding is, in de woorden van Langeveld, ‘zelfverant- woordelijke zelfbepaling’. Vanuit een peda- gogisch perspectief geven we de jeugdigen ondersteuning in hun persoonlijke en soci- ale ontwikkeling, gericht op autonomie en

Pedagogisch handelen is gericht op het ontwikkelen van het vermogen van jeugdigen om zelfstandig keuzes te leren maken.

zelfsturing. Binnen de sportcontext betekent dit dat sport dan werkelijk als derde opvoedmilieu opereert. Het gaat over opvoeden dóór en ín sport (Buisman, 2004). Opvoeden dóór sport betekent intentionele opvoeding, het bewust invloed uitoe- fenen om een bepaald opvoedingsdoel te bereiken. Bij opvoeden ín sport, functi- onele opvoeding, zijn er vanuit de sportomgeving allerlei (on)bedoelde invloeden werkzaam, die voor de ontwikkeling van het kind van betekenis zijn. Opvoeden gaat dan ‘tussen de regels door’. Sportbestuurders, trainers, ouders en scheidsrech- ters dienen zich ervan bewust te zijn dat ze altijd invloed uitoefenen, dat opvoeden ‘tussen de regels door’ altijd aanwezig is. Dus bestuurders die zeggen: ‘Ze komen hier om te ballen, niet om opgevoed te worden’, vergeten dat je in de (jeugd)sport- context altijd opvoedt, bewust of onbewust. En als men dit niet weet of beseft, is er een verhoogd risico op ongewenste effecten, negatieve effecten en grensover- schrijdend gedrag. Het Ministerie van VWS beoogde met het VSK-programma (2011) ongewenst gedrag terug te dringen en gewenst gedrag op de sportclub te bevorderen. In de praktijk is dit de laatste jaren steeds meer verschoven naar het creëren van een plezierig en ontwikkelingsgericht sportklimaat (Van der Kerk & Schols, 2018), oftewel een pedagogisch sportklimaat. Een pedagogisch sportkli- maat includeert een veilig sportklimaat. De sportpraktijk beseft daarmee dat ze iets moet doen om het werkelijk waar te maken het derde opvoedmilieu te zijn.

27

deel 1 • introductie

1 Een pedagogisch en veilig sportklimaat

Jeugdsport is vaak nog een afspiegeling van de volwassenensport. Veel trainers, coaches, bestuurders, ouders en scheidsrechters hebben onvoldoende kennis van de motorische en psychosociale ontwikkeling van jeugdigen, van de pedagogische aspecten van jeugdsport. Het omarmen van het pedagogisch perspectief biedt de kans om de positieve mogelijkheden van sport te benutten, daarin te investeren en tegelijkertijd het ongewenste gedrag tegen te gaan (Schipper-van Veldhoven & Van der Kerk, 2012).

1.5

Pedagogisch sportklimaat

Een pedagogisch sportklimaat verwijst naar de intentie om gunstige voorwaar- den te scheppen ter ondersteuning van de ontwikkeling van jeugdigen in en door sport. Wetenschappelijk gezien is er een dilemma in het duiden van de termen ‘pedagogisch klimaat’ alsook ‘sportpedagogiek’ (Tinning, 2008). Dit komt door- dat in de Engelse vertaling de term ‘pedagogy’ niet eenduidig gebruikt wordt. Termen als ‘education’, ‘teaching’, ‘instruction’ en ‘didactics’ worden als synoniem gebruikt van de term ‘pedagogy’. In Nederland gaan we uit van de term ‘opvoeden’, en daarmee maken we een duidelijk onderscheid met de begrippen ‘didactiek’ en ‘instructie’. Doordat ook nog eens verschillende wetenschappers vanuit verschillende theo- retische raamwerken het concept pedagogisch klimaat beschouwen, zijn er geen eenduidige definitie en raamwerk van een pedagogisch (sport)klimaat voorhan- den. Enkele achterliggende theorieën die we verderop in dit boek bespreken, be- schrijven we hier alvast kort: ■■ De zelfdeterminatietheorie van Ryan en Deci (2000) gaat ervan uit dat ieder individu, en zo ook iedere sporter, psychologische basisbehoeften heeft: re- latie, competentie en autonomie. Aan deze behoeften moet worden voldaan, wil een sporter kunnen leren en zich ontwikkelen. Het stimuleren van (au- tonome) motivatie staat centraal; er is een motivational climate . Binnen een dergelijk klimaat ligt de nadruk niet op doelen waarbij het gaat om beter te zijn dan de ander en om de prestatie, maar het gaat om het ontwikkelproces en de inzet die getoond wordt. Een op het proces gericht motivatieklimaat leidt uiteindelijk tot betere prestatie, motivatie en ethisch gedrag van sporters (Duda, 2005). In hoofdstuk 3 gaan we uitgebreid in op de motivatietheorie van Ryan en Deci. ■■ In het concept caring climate is de omgeving gericht op een gevoel van vei- ligheid, uitnodiging, support, respect en waardering (Fry, Guivernau, Kim, Newton, Gano-Overway, & Magyar, 2012). Het betreft vooral de mate waarin de coach ‘cares for the athlete’. Een meer zorggericht klimaat leidt tot meer

28

deel 1 • introductie

1.5  Pedagogisch sportklimaat

plezier en commitment. In hoofdstuk 4 bespreken we het caring-climatecon- cept. ■■ In de positive youth development theory (Vella, Oades, & Crowe, 2011) staat de interactie centraal tussen individu en elementen uit de omgeving waarin dat individu actief is. In deze theorie worden acht kenmerken genoemd die kunnen bijdragen aan een development-oriented climate , een klimaat waar- in jeugdigen zich sneller en beter ontwikkelen. Die acht kenmerken zijn: fy- sieke en psychische veiligheid; passende structuur; ondersteunende relaties; mogelijkheden om ergens bij te horen; positieve sociale normen; zelfeffecti- viteit; competentieontwikkeling; en koppeling van opvoedmilieus (Hilhorst, Schipper-van Veldhoven, Jacobs, Theeboom, & Steenbergen, 2014). Het Trai- ner-Kind-INterACTIE-onderzoek is gebaseerd op de PYD-theorie (Hilhorst et al., 2014). De conclusies van dit onderzoek waren de inspiratie voor de vier inzichten over trainerschap zoals deze aan bod komen in paragraaf 3.4. Wat deze theorieën gemeen hebben, is dat ze zich richten op de ontwikkelingsbe- hoeften van jeugdigen, op processen die autonomie, competenties en motivatie ondersteunen en uitgaan van een dynamische, ondersteunende relatie tussen de sporter en zijn sportomgeving. In alle theorieën/uitgangspunten staat dus de ont- wikkeling van de jeugdige centraal; ze zijn child centered (zie figuur 1.2). In veel ‘declaraties’ (sportverklaringen, sportcodes) is men zich bewust van het feit dat het kind centraal staat (zie bijvoorbeeld Panathlon, 2004). In deze de- claraties wordt aangegeven dat alle kinderen recht hebben op onder andere het beoefenen van sport, op deelname aan training aangepast aan hun leeftijd, hun individuele ritme en hun mogelijkheden, op een kans om kampioen te worden of niet, en op training en begeleiding door competente mensen. Dit is dus veel meer dan het aanbieden van sport alleen; het gaat over het competent begeleiden van jeugdigen in en door sport. Handelen in het belang van de jeugdige, kindcentraal, is dus een belangrijk uit- gangspunt binnen een pedagogisch sportklimaat (Buisman, 2004). De volgende vier relevante pedagogische steunpilaren zijn te onderscheiden, gebaseerd op de hiervoor genoemde theorieën: 1 Ontwikkelingsgericht klimaat : vanuit een pedagogisch perspectief wordt sport aangewend ten bate van de jeugdige. De kern van de pedagogische op- dracht ligt in de ondersteuning van de persoonlijke en sociale ontwikkeling van jeugdigen, de hulp om volwassen te worden, gericht op autonomie en zelf- sturing. De opvoeder is de belangenbehartiger van de jeugdige. ‘Kind op de eerste plaats, sport op de tweede plaats.’ Oefenstof moet worden aangeboden in een passende structuur, passend bij de ‘zone van de naaste ontwikkeling’ (development-oriented climate). Trainers moeten een juist evenwicht zien te

29

deel 1 • introductie

1 Een pedagogisch en veilig sportklimaat

Figuur 1.2 Het kind centraal

vinden tussen ‘willen winnen’ aan de ene kant en de persoonlijke ontwikkeling van de sporter aan de andere kant. Clubs moeten een balans zien te vinden tussen investeren in de eerste teams en alle andere teams, want álle jeugdigen hebben recht op goede begeleiding en een motiverend en passend sportaan- bod. 2 Zorgzaam klimaat : de pedagogische relatie, de relatie tussen opvoeder en jeugdige, is essentieel in het creëren van een pedagogisch klimaat (Kirk & Haerens, 2014). In deze relatie moet de opvoeder een passend antwoord ge- ven op de wensen en behoeften van de jeugdigen. Communicatie en interac- tie staan centraal (caring climate). Het is, zoals gezegd, belangrijk te beseffen dat de opvoeder altijd waarden en normen overdraagt, bewust of onbewust

30

deel 1 • introductie

1.6  Creëren van een pedagogisch sportklimaat

(intentioneel of functioneel). De trainingsstijl heeft dus mede invloed op de morele atmosfeer die de trainer uitdraagt, en de specifieke cultuur op de club heeft dus mede invloed op het gedrag van haar leden (Moget & Weber, 2007). Dit vraagt om nadenken over welk gedrag je wel of niet wilt zien, dus welke omgangsvormen en gedragsregels gelden in de training, in de club. 3 Motiverend klimaat : plezier, als de belangrijkste dragende factor voor (blij- vende) sportparticipatie, is het motief om aan sport te doen. Succeservaringen waarbij dit succes wordt toegeschreven aan de eigen capaciteiten zijn hierbij belangrijk, net als sociale steun (motivational climate). Autonome motivatie (het nastreven van doelen die heel dicht bij het individu liggen) blijkt een sterke relatie te hebben met het volhouden om te sporten en het leveren van betere sportprestaties. 4 Sociaal veilig klimaat : de sportclub moet zorgen voor een optimaal preven- tief en repressief beleid (veilig sportklimaat), ter voorkoming van ongewenst gedrag. Mocht dergelijk gedrag toch voorkomen, dan moet voor iedereen in de vereniging duidelijk zijn wat de vervolgstappen en/of sancties zijn. Vanuit een veilig sportklimaat dienen gerichte eisen aan jeugdtrainers gesteld te wor- den, zoals een VOG en/of deelname aan bijvoorbeeld een cursus positief coa- chen. Het gevoel van veiligheid is ook een belangrijk onderwijsmiddel. Voor jeugdigen die zich onveilig voelen is er geen optimaal leerrendement mogelijk. Hersenen leren optimaler in de ‘positief-emotionele staat’ waarin men komt te verkeren als het limbische systeem, de amygdala en de hypothalamus de zogenoemde plezierhormonen afgeven (LeDoux, 2002). ‘In het algemeen kan gesteld worden dat een pedagogisch klimaat een posi- tief veilig leerklimaat is, waar plezier voorop staat, bewerkstelligd door reële succeservaring, een goede relatie tussen trainers/coaches en sporters die ge- baseerd is op wederzijds respect – waarbij gehandeld wordt in het belang van (de ontwikkeling van) jeugdigen (gericht op het worden van het autonome zelf)’ (Schipper-van Veldhoven, 2016, p. 28).

1.6

Creëren van een pedagogisch sportklimaat

Bij het creëren van een pedagogisch sportklimaat op de sportclub is een groot aantal actoren (stakeholders) betrokken. Van hen vragen we ook hiervoor verant- woordelijkheid te nemen. We kunnen deze stakeholders onderverdelen naar mi- cro-, meso- en macro-invloedssfeer (Schipper-van Veldhoven, 2016). Ieder heeft zijn eigen aandeel, rol en/of verantwoordelijkheid in de context van de georgani- seerde (jeugd)sport.

31

deel 1 • introductie

1 Een pedagogisch en veilig sportklimaat

1.6.1 Micro-invloedssfeer – de training: de rol van de trainer/coach De kwaliteit van de relatie tussen trainer/coach en sporter(s) is de belangrijkste schakel in het creëren van een pedagogisch sportklimaat. Het is de belangrijk- ste conditie waarlangs het gedrag van de sportende jeugdige(n) wordt beïnvloed (Claringbould, 2011). Van belang is dat trainers en coaches beseffen dát zij een grote invloed hebben: dat zij altijd opvoeden (bewust of onbewust) en dat het daarom nodig is dat zij aandacht hebben voor het eigen handelen, leren reflec- teren op dit eigen handelen (zodat de kwaliteit van de relatie kan verbeteren), en gericht zijn op het ontwikkelen van jeugdigen in en door sport. In de jeugdsport wordt van trainers en coaches verwacht dat zij over pedagogi- sche bekwaamheden beschikken. Een trainer/coach voldoet dan aan: ■■ kenniseisen: hij beschikt bijvoorbeeld over kennis over ontwikkelingsfasen van jeugdigen (ontwikkelingsgericht klimaat), hij weet wat pedagogisch han- delen inhoudt, en weet hoe succeservaringen te creëren (motivationeel kli- maat); ■■ kunde-eisen: hij kan onder meer vertrouwen wekken, gedragsproblemen be- spreken, en sociale steun en veiligheid bieden (zorgzaam klimaat, sociaal vei- lig klimaat). In de georganiseerde sportpraktijk wordt echter de opvoedkracht van de sport overgelaten aan de vele goedbedoelende vrijwilligers, die vaak hooguit een tech- nische training over de sport hebben moeten volgen vanuit de bond. Het wordt aan hun toevallige (on)bekwaamheid overgelaten welke kracht van sport wordt aangeboord. Ook onder de professioneel geschoolde leraren en/of trainers, af- komstig van academies voor lichamelijke opvoeding en/of mbo-opleidingen sport en bewegen, is er vaak meer oog voor vakinhoudelijke bekwaamheden (be- heersing van de inhoud van onderwijs/training) en vakdidactische bekwaamhe- den (het leerbaar maken van de vakinhoud, vertaald in leerplannen en -doelen) van de leraren en trainers. Een goede didactische trainer, dus een trainer die zijn vak verstaat, hoeft nog geen pedagogisch bekwame trainer te zijn! Van pedago- gisch bekwame trainers wordt gevraagd dat zij een veilig, ondersteunend en sti- mulerend leerklimaat kunnen realiseren (Schipper-van Veldhoven, 2016). Deze trainers snappen dat het trainen van jeugdigen een vak apart is en dat zij zich daarin moeten en kunnen verdiepen. ‘Millions of children and young people take part in sport and physical activity across Europe every day. However, the majority of their coaches are either not qualified or hold lower level generic qualifications that do not prepare them specifically to work with this age-group’ (Fix et al., 2017, p. 6).

32

deel 1 • introductie

Made with FlippingBook - professional solution for displaying marketing and sales documents online