Goos Cardol & Lennie Haarsma (red.) - Verandering door verbinding

HANDVATTEN VOOR DE PRAKTI JK VAN DE JEUGDPROFESSIONAL

Goos Cardol en Lennie Haarsma (red.)

u i t g e v e r ij

c

c o u t i n h o

Verandering door verbinding

‘Tussen die grenzen vond ik mooi mijn vrijheid terug’ Loesje

Verandering door verbinding Handvatten voor de praktijk van de jeugdprofessional

Goos Cardol & Lennie Haarsma (red.)

c u i t g e v e r ij

c o u t i n h o

bussum 2018

www.coutinho.nl/veranderingdoorverbinding Je kunt aan de slag met het online studiemateriaal bij dit boek. Dit materiaal bestaat uit enkele opdrachten, casussen en lees- en kijktips.

© 2018 Uitgeverij Coutinho bv Alle rechten voorbehouden.

Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd ge- gevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektro- nisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van reprografische verveelvoudigingen uit deze uitgave is toege- staan op grond van artikel 16 h Auteurswet 1912 dient men de daarvoor wettelijk ver- schuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130 KB Hoofddorp, www.reprorecht.nl). Voor het overnemen van (een) gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductie- rechten Organisatie, Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.stichting-pro.nl).

Uitgeverij Coutinho Postbus 333 1400 AH Bussum info@coutinho.nl www.coutinho.nl

Omslag: Concreat, Utrecht Foto’s binnenwerk: deel I, II en III Hollandse Hoogte, deel IV Shutterstock.com

Noot van de uitgever Wij hebben alle moeite gedaan om rechthebbenden van copyright te achterhalen. Per- sonen of instanties die aanspraak maken op bepaalde rechten, wordt vriendelijk ver- zocht contact op te nemen met de uitgever. De personen op de foto’s komen niet in de tekst voor en hebben geen relatie met het- geen in de tekst wordt beschreven, tenzij het anders vermeld is.

ISBN 978 90 469 0629 3 NUR 766

Voorwoord

Transitie en transformatie zijn mensenwerk Dit boek gaat over mensen. In alle jaren waarin ik in allerlei sectoren met sys- temen bezig was, kwam ik tot het inzicht dat het uiteindelijk mensen zijn die het verloop en het succes van transities bepalen. De transitie binnen de jeugd- zorg heeft op 1 januari 2015 haar beslag gekregen en de organisatie en verant- woordelijkheid voor jeugdhulp liggen voortaan bij gemeenten. De grondslag voor deze grote verandering ligt in de Jeugdwet. Deze wet legt de nadruk op een attitudeverandering, een andere manier van denken en handelen. Con- crete handvatten voor de verandering van het denken zijn niet in de wet vast- gelegd. Dan hebben we het over transformatie. Transformatie is niet iets van beleidsmakers en managers; transformatie moet door professionals en hun organisaties gebeuren. Zij hebben een cruciale rol in het transformatieproces. Waar de transitie in de jeugdzorg redelijk is verlopen, moet de transformatie (cultuuromslag) nog beginnen. Verandering door verbinding sluit naadloos aan bij mijn visie dat het in deze transformatie om nieuwe waarden gaat. Waar voorheen de waarden uit de systeemwereld golden, zet ik daar de waarden vanuit de leefwereld van professionals en burgers tegenover. Dus pleit ik ook voor de jeugdhulp voor Vertrouwen versus Wantrouwen, Ruimte versus Regelzucht, Menselijk versus Bureaucratisch, Rendemens versus Rendement en Mens versus Systeem. Een menselijke omwenteling vraagt wendbare mensen Binnen de jeugdhulp werken professionals met hart en ziel toegewijd om mensen zo goed mogelijk te helpen. Als je wezenlijk wilt veranderen, zoek je het niet alleen in regels en procedures, want dan leg je het buiten jezelf neer. Wie wezenlijk wil veranderen, zoekt het in zichzelf. Veranderen leidt in het beste geval tot het optimaliseren van wat er al is. Transformeren leidt tot iets nieuws en is veel ingrijpender en soms bedreigender dan veranderen. Bij een persoonlijke verandering is sprake van reflexiviteit, een zoektocht naar diepe- re drijfveren en een innerlijk kompas. Bij een menselijke omwenteling passen wendbare mensen en wendbare organisaties. En dan gaat het niet alleen om competenties, maar ook om een bepaalde manier van denken en doen. Wend- bare mensen hebben het vermogen om te leren van ervaringen, zijn nieuws- gierig, hebben vertrouwen in zichzelf en in anderen en zien verandering als

kans. Zij zijn bereid om te falen en niet bang om fouten te maken, denken niet meteen in oplossingen maar gaan vragend op zoek. Het is noodzakelijk dat ze onzekerheid accepteren en beslissingen durven nemen vanuit die on- zekerheid. Wendbare organisaties zijn nodig Bij transitie en transformatie hebben we het over een maatschappelijke en economische omwenteling. Dat vraagt om een omwenteling binnen organi- saties, waarbij professionals ondersteund moeten worden door wendbare or- ganisaties. Momenteel zijn zelfsturing en zelforganisatie een hype. Men heeft tegenwoordig de mond vol van zelfsturing, zonder te beseffen wat het daad- werkelijk inhoudt, en zonder zich af te vragen of het wel bij de organisatie past. Bij jeugdhulp past zelforganisatie met professionele autonomie, waarbij de leidinggevende deze zelforganisatie faciliteert door belemmeringen weg te nemen en door bij morele dilemma’s te fungeren als coach of klankbord. Bij wendbare organisaties horen de waarden van Vertrouwen, Ruimte, en de Mens Centraal. De essentie van het transitieproces is dat organisaties investe- ren in mensen, hetgeen ook een andere vorm van leiderschap vraagt. Het gaat dan om leiders en professionals die fris kijken, dwars kunnen denken, en die niet slaafs protocollen volgen, maar buiten de lijntjes durven kleuren. Dit boek draagt bij aan versterking van de positie van de jeugdprofessional. Het sluit aan bij transitieveranderingen die ook in andere sectoren spelen. De concrete invalshoeken, tips en uitdagingen voor professionals zijn een belang- rijke stap in de goede richting om de transformatie tot een succes te maken. Veel leesplezier met dit interessante en boeiende boek!

Jan Rotmans Hoogleraar duurzaamheid en transities Juni 2018

Inhoud

Inleiding

15

Goos Cardol & Lennie Haarsma

DEEL I De jeugdprofessional

1

De autonome professional als vakman

29

Goos Cardol 1.1 Vakmanschap in het jeugddomein

30 32 32 34 35 35 38 38 39 40 41

1.2 De theorie van Sennett

1.2.1 Kijken, oefenen en inzicht 1.2.2 Elementen van vakmanschap

1.3 Ontwikkeling van vakmanschap

1.3.1 Fasen in de ontwikkeling van vakmanschap

1.4 Samenspel van wetgeving, organisatie, professional en samenleving

1.4.1 Vier lagen

1.4.2 Sociaal ondernemerschap 1.4.3 Omgevingsbewustzijn

1.5 Besluit

2

Jeugdhulp als democratische praktijk

43

Karel De Vos & Rudi Roose 2.1 De jeugdhulp in Vlaanderen: van sectorgebonden tot integrale jeugdhulp 2.1.2 Samenwerking tussen ouders, kinderen en professionele hulpverleners 2.2 Samenwerken vanuit het perspectief van de hulpverlening 47 2.2.1 De dwang tot samenwerking en partnerschap in de jeugdhulp 47 2.2.2 Samen vorm geven aan het recht op ondersteuning 49 2.3 Hoe doe je dat dan, de jeugdhulp samen vormgeven? 49 2.3.1 Communicatie en strategie 49 2.3.2 De communicatieve dimensie in de jeugdhulp vrijwaren 50 44 45 2.1.1 Samenwerking tussen hulpverleners 46

2.4 Zingeving, reconstructies, verantwoording

51 51 52 53 54

2.4.1 Zingeving 2.4.2 Reconstructies

2.4.3 Hulpverlening als communicatieve opbouw van hulpverlening

2.5 Besluit

3

Samen werken aan veiligheid in gezinnen

57

José Hermans & Wil Verhoeven 3.1 Het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

58 61 62 64 66

3.2 Partnerschap met gezinnen

3.3 Taalgebruik gericht op het aangaan van partnerschap

3.4 Toepassingen in de praktijk

3.5 Besluit

4

Professionele autonomie in de praktijk

67

Karlijn Stals & Marianne Berger

4.1 Ruimte

67 68 68 69 71 71 72 73 76 78 79

4.1.1 Ruimte als transformatiedoel 4.1.2 Ruimte en professionele autonomie

4.1.3 Er komt van alles op je af: regels en kaders voor jeugdprofessionals 4.2 Balanceren: ruimte krijgen, ruimte nemen, ruimte benutten 4.2.1 Ontwikkelen van expertise en bijhouden van je vak 4.2.2 Weten wat je wel en niet kan en mag; profileren (en grenzen stellen en samenwerken) 4.1.4 Begrenzing geeft ruimte

4.2.3 Reflecteren

4.2.4 Autonomie benutten

4.3 Besluit

DEEL II De jeugdprofessional en zijn relatie tot wet- en regelgeving

5

Ethische reflectie in de jeugdhulp en jeugdbescherming

85

Jurja Steenmeijer

5.1 Ethiek

86 86 87 88 88 89 89 89 90 91 91 93 94 94 95 96

5.1.1 Normatieve praktijk 5.1.2 Ethische theorieën

5.2 Ethiek in de jeugdzorg

5.2.1 Privacy en geheimhouding 5.2.2 Zelfbeschikking en paternalisme

5.2.3 Eerlijke verdeling van middelen en gelijke toegang tot zorg 5.2.4 Samenwerken met collega’s en binnen een organisatie

5.3 Ethische reflectie

5.3.1 Ethisch actorschap

5.3.2 Ethische competenties voor jeugdprofessionals

5.4 De structuur van ethische reflectie

5.4.1 Beeldvorming 5.4.2 Oordeelsvorming 5.4.3 Besluitvorming

5.5 Besluit

6

Enkele relevante elementen uit de Jeugdwet

97

Goos Cardol 6.1 Waarom een Jeugdwet?

98

6.2 De Jeugdwet in het sociale stelsel 6.3 Verdrag als basis voor de Jeugdwet

101 102 103 106 107 108

6.3.1 Jeugdhulpplicht

6.3.2 De verbinding met andere domeinen

6.3.3 Positie van ouders en jeugdigen: het familiegroepsplan

6.4 Besluit

7

Handelen op basis van het Kinderrechtenverdrag

111

Timo Veldman 7.1 Het Kinderrechtenverdrag 7.2 Het belang van het kind voorop

112 114 116

7.3 Participatie

7.4 Ouderlijke verantwoordelijkheden en overheidsverplichtingen

119 121 122

7.5 Waarborgen bij uithuisplaatsing

7.6 Besluit

8

Beroepscode en autonomie van de jeugdprofessional Lennie Haarsma 8.1 De Beroepscode voor de jeugd- en gezinsprofessional: ontstaan, functie en kenmerken

125

126 128 131 132 134 135 137

8.2 Beroepscode en professionele autonomie 8.3 Beroepscode en morele dilemma’s in de praktijk 8.4 Extra houvast door vakinhoudelijke richtlijnen 8.5 Ruimte voor dialoog: het professioneel statuut 8.6 Tuchtrecht als sluitstuk van kwaliteit

8.7 Besluit

DEEL III De jeugdprofessional en zijn organisatie

9

Het doordenken van eigen kracht

143

Goos Cardol 9.1 Achtergrond

144 146 147 149 150 152 152 153

9.2 De betekenis van eigen kracht

9.2.1 De veerkracht van ouders en kinderen

9.2.2 Actuele kennis bij opvoeders over de ontwikkeling van kinderen

9.2.3 Het sociale netwerk 9.2.4 Kindeigenschappen 9.2.5 Hulp in tijden van crisis

9.3 Besluit

10

Verbinding met andere leefdomeinen

155

Anja Pijls 10.1 Integrale jeugdhulp

157 159 160 162

10.1.1 Het belang van integrale jeugdhulp 10.1.2 Werkzame factoren voor integrale jeugdhulp

10.2 Samenwerking als kritische succesfactor

10.3 Overwegingen en ervaringen uit de praktijk 10.3.1 Het perspectief van de jeugdprofessional 10.3.2 Het perspectief van de organisatie

165 165 167 168

10.4 Besluit

11

Ruimte creëren voor de professional

171

Stéphanie Kwakman 11.1 Professional in transitie, organisatie in transitie 11.2 Leren transformeren: een lerende organisatie in een nieuw zorglandschap 11.3 Nieuw leiderschap in relatie tot professionele ruimte 11.4 De regeldruk verminderen: terug naar de bedoeling 11.2.1 Een foto van de organisatiecultuur

173

174 175 176 177 178 179 181 184 189 190 190 191 192 194 195 196 187

11.5 Van controle naar zelfregie

11.6 Bevlogen professionals presteren beter 11.7 Hoe houd je jezelf fit en sterk?

11.8 Besluit

12

Organisatiebeleid, transformatie en werkzame bestanddelen

Goos Cardol 12.1 Twee opmerkingen

12.2 Transformatie in de praktijk

12.2.1 Hoop 12.2.2 Tijd

12.2.3 Wederkerigheid 12.2.4 Transparantie 12.2.5 Signaleren

12.3 Besluit

DEEL IV De jeugdprofessional en zijn relatie tot de burger

13

Nieuwe relaties met informele zorgverleners

201

Marianne Potting 13.1 Het wettelijk kader van participatie

202 204 206

13.2 Nieuwe rollen, nieuwe vragen, nieuwe dilemma’s

13.3 Afstand versus nabijheid

13.4 Werken met een netwerk is zwaar werk

207 210

13.5 Besluit

14

Professionele ondersteuning vanuit agency van jonge moeders 213 Marijke Sniekers 14.1 Theoretische achtergrond van agency 215 14.2 Agency, eigen kracht en empowerment 216 14.3 Het belang van agency voor jeugdprofessionals 217 14.3.1 Zelfstandigheid en op eigen benen staan 219 14.3.2 Persoonlijke ruimte en controle over woonomgeving 220 14.3.3 Vrijheid en eigen keuzes maken 221 14.4 Besluit 222

15

Aansluiten bij behoeften van ouders

225

Wim Goossens 15.1 Plaatsbepaling

227 229 229 230 231 231 232 233 233 233 234 235 235

15.2 Behoeftes van ouders

15.2.1 Aandacht voor algemeen menselijke behoeftes 15.2.2 Erkenning van het identiteitsniveau van het ouderschap 15.2.3 Aandacht voor het ‘ouderverhaal’ 15.2.4 Lid zijn van de ‘gewone’ oudergemeenschap

15.2.5 Lotgenoten en ervaringskennis

15.2.6 Gelijkwaardige en aanspreekbare professional

15.2.7 Transparant werkproces

15.2.8 ‘Benaderbare’ en ondersteunende organisatie

15.3 Ervaringen als ouder

15.3.1 Benadering als (totale) mens in plaats van als cliënt

15.3.2 Benadering vanuit present zijn 15.3.3 Benutten van professionele scharrelruimte 235 15.3.4 Balans tussen ouderdeskundigheid en professionele expertise 236 15.4 Handelingssuggesties voor professionals 236 15.5 Besluit 237

16

Werken met netwerken

239

Anjo van Hout, Klaas Blaak & Barry Bouquet

16.1 Sociaal en cultureel kapitaal

241 241 242 243 244 246 247 247 248 249 251

16.1.1 Sociaal kapitaal 16.1.2 Cultureel kapitaal

16.2 De sociaalecologische en de krachtgerichte benadering

16.2.1 De sociaalecologische benadering 16.2.2 De krachtgerichte benadering

16.3 Het perspectief en de competenties van de jeugdprofessional

16.3.1 De sociaalconstructivistische benadering

16.3.2 Een positieve basishouding

16.4 De autonome professional, zijn organisatie en de politieke context

16.5 Besluit

Register

253

Over de auteurs

259

Inleiding Goos Cardol & Lennie Haarsma

Dit boek heeft de transformatie van de jeugdhulp als thema. De transformatie wordt beschreven vanuit het perspectief van de autonome jeugdprofessional; het boek biedt daartoe theoretische inzichten, praktijkvoorbeelden (casussen) en handelingsmogelijkheden voor aankomende en zittende professionals. Met de professional worden in dit boek professionals in de eerste en tweede lijn bedoeld en professionals in het voorliggende veld. Verandering door verbinding behandelt de attitude van de professional; het draagt bij aan het versterken van het sociaal ondernemerschap en aan het om- gevingsbewustzijn van de professional. Er worden verschillende invalshoeken beschreven die van invloed zijn op het handelen van de professional: de orga- nisatie, wet- en regelgeving en de professional in relatie tot de burger.

15

Verandering door verbinding

Waarom dit boek? De meeste boeken die als thema ouders en jeugdigen dan wel jeugdhulp en jeugdbescherming hebben, beschrijven dit hetzij met een sociaalwetenschap- pelijke, hetzij een juridische insteek (vanuit het jeugdrecht), beide uitgelegd voor professionals. In dit boek worden beide disciplines bij elkaar gebracht, waardoor sociale wetenschap en recht elkaar ondersteunen en versterken, zo- als ook in de praktijk gebeurt. Opvoedproblemen kunnen immers niet slechts vanuit juridisch of alleen vanuit sociaal perspectief beschouwd worden. Beide disciplines hebben elkaar nodig om een goed oordeel te kunnen vormen en om de kansen en belemmeringen te kunnen inschatten van ouders en/of van de ontwikkeling van jeugdigen. Tegelijkertijd is dit boek een praktijkboek. Een boek met theoretische be- schouwingen toegepast op de praktijk en een boek waar de dagelijkse praktijk en het handelen van de jeugdprofessional centraal staan. Met andere woor- den: in dit boek wordt de jeugdhulp beschreven op een voor de praktijk toe- pasbare manier. De blik is breed en behandelt verschillende niveaus, die alle nodig zijn voor duurzame en effectieve oplossingen in opvoedingssituaties: het niveau van de ouder en de jeugdige, van de professional, van de organisatie en van de wet- en regelgeving. In deze uitgave worden al deze niveaus samengebracht en terug- gebracht naar het perspectief van de professional. Er is in dit boek ruim aandacht voor de relatie tussen de jeugdprofessional en zijn organisatie, aandacht voor de juridische kaders waarbinnen men werkt en voor het vergroten van het omgevingsbewustzijn van de professional. Dat laatste is belangrijk, omdat maatschappelijke discussies en politieke trends de ruimte voor het handelen van de professional beperken of vergroten. Zo kan een politieke discussie over onverantwoord ouderschap gevolgen hebben voor de hulpverlening aan een ouder die er eerder, volgens anderen, een puinhoop van heeft gemaakt. We verwachten dat de professional niet alleen de juiste in- terventies op het juiste moment kan toepassen, maar ook beschikt over kennis van de maatschappelijke omgeving en van wet- en regelgeving – dat bepaalt immers zijn handelingsruimte. Dit boek biedt theoretische en praktische inzichten die steeds weer wor- den herleid tot het perspectief van de professional, die ermee aan de slag moet. De professional vindt er praktische voorbeelden die toepasbaar zijn in het dagelijks handelen. Kansen en belemmeringen die op het pad van de pro- fessional kunnen komen, worden beschreven. Daarnaast wordt aangegeven wat men praktisch gezien nodig heeft ommet deze kansen en belemmeringen om te gaan.

16

Inleiding

Voor wie is dit boek bedoeld? Dit boek is geschreven voor professionals die met ouders en jeugdigen wer- ken. Dat kan een professional bij een jeugdhulpinstelling zijn, maar ook een begeleider in de gehandicaptenzorg of een cliëntondersteuner. De woordwolk laat zien hoe divers het werk van een jeugdprofessional kan worden ingevuld. Ook in het domein van de gezondheidszorg, het onderwijs en in het voorlig- gende veld (de zogenoemde nullijn) werken jeugdprofessionals. Zij hebben allen de opdracht invulling te geven aan professionele autonomie. Dit boek is bedoeld voor hen die in direct contact staan met ouders en kinderen, en van wie wordt verwacht dat zij zich transformeren tot een professional die de grondbeginselen van de transformatie in de vingers heeft. Het is geschreven voor hen die al met ouders en jeugdigen werken, en voor hen die daarvoor aan het studeren zijn en bijvoorbeeld een hbo-opleiding volgen. Voor het onder- wijs is het boek geschikt voor het hbo-uitstroomprofiel Jeugd en interessant voor masteropleidingen. Daarnaast biedt de inhoud waardevolle informatie voor beleidsontwikkelaars bij gemeenten, organisaties, opleiders, managers en juristen.

17

Verandering door verbinding

Achtergrond Transitie jeugdzorg

De transitie jeugdzorg heeft op 1 januari 2015 haar beslag gekregen. Vanaf dat moment liggen de organisatie en de verantwoordelijkheid voor de jeugdhulp bij gemeenten, uitgezonderd voor de landelijke inspectietaken, de justitiële jeugdinrichtingen en de Raad voor de Kinderbescherming. De grondslag voor deze grote verandering van de organisatie van de jeugdhulp in vergelijking met de periode van voor 2015 ligt in de Jeugdwet. Er was in de samenleving al langer een roep om verandering; de Jeugdwet kan op onderdelen gezien wor- den als een codificatie van een in sommige regio’s al bestaande praktijk en van heersende opvattingen. Tegelijkertijd bracht de transitie een grote omwente- ling met zich mee van verantwoordelijkheden, geldstromen en organisatie. Ondanks het ingrijpende karakter van de transitie hadden de Eerste en Tweede Kamer relatief kort tijd nodig om de Jeugdwet te aanvaarden. Dat had onder meer te maken met de politieke en maatschappelijke druk om de sys- teemverandering zo snel mogelijk door te voeren. Kinderen die te lang op de juiste hulp moesten wachten, de toename van het aantal hulpvragen, de inge- wikkelde organisatie van de jeugdhulp en tegenvallende resultaten waren hier mede debet aan. Met de Jeugdwet wil men niet alleen een ingrijpende wijziging in het stel- sel van jeugdhulpvoorzieningen en een verschuiving van verantwoordelijkhe- den bewerkstelligen; tevens impliceert de Jeugdwet een attitudeverandering, een andere manier van denken en handelen. Een attitudeverandering bij de- genen met opvoedvragen of -problemen, bij professionals en hun organisaties, oftewel een transformatie. De uitgangspunten van de wet houden in het uiterste geval zelfs een attitu- deverandering voor alle burgers in. De wens van de overheid is dat de burger minder beroep doet op professionals in de eerste en tweede lijn. Meer dan voorheen zal de burger eerst zelf moeten nagaan of het probleem binnen het gezin kan worden opgelost, zo nodig met ondersteuning vanuit het sociale netwerk of van actoren in het voorliggende veld. En mocht het toch nodig zijn om een jeugdprofessional in te schakelen, dan is het uitgangspunt dat gedu- rende het hulpverleningstraject steeds wordt nagedacht of, en zo ja hoe, het gezin zelf verantwoordelijk kan zijn voor de wijze waarop problemen kunnen worden opgelost en vragen kunnen worden beantwoord – zo nodig met on- dersteuning van zijn sociale omgeving en het voorliggende veld. Jeugd én samenleving Deze door de overheid gewenste verandering is niet exclusief voor het terrein van de jeugdhulp en jeugdbescherming; samenlevingbreed is eenzelfde bewe-

18

Inleiding

ging te zien. Zo vraagt de overheid ook binnen de gezondheidszorg meer inzet van de burger. Opnames in een ziekenhuis duren korter. Binnen de ouderen- zorg wordt meer van de oudere zelf verwacht en in de gehandicaptenzorg is eenzelfde omslag al geruime tijd aan de gang. Participatie, eigen kracht, part- nerschap, het versterken van vaardigheden en eigen regie voeren zijn begrip- pen die in het hele sociale domein en binnen de gezondheidszorg gemeengoed zijn geworden. De nadruk is komen te liggen op wat men zelf kan (ontwikke- len), op primair zelf verantwoordelijk kunnen zijn voor het eigen leven. Voor het jeugddomein betekent dit onder meer een andere mindset voor ouders en jeugdigen, voor professionals en hun organisaties: minder proble- matiseren, een andere kijk op opvoeden en de acceptatie dat opvoeden nu eenmaal met problemen gepaard gaat, waarvan een groot deel zichzelf ook weer oplost. De vanzelfsprekendheid dat er een beroep op de zorg kan wor- den gedaan bij een probleem of een opvoedvraag moet verdwijnen, zo stelt de overheid. De vanzelfsprekendheid dat een jeugdprofessional het overneemt, moet kleiner worden. Natuurlijk, als zorg echt nodig is, wordt deze geboden, maar een selectiever gebruik van de voorzieningen in het stelsel is nodig om het systeem betaalbaar te kunnen houden. Nog belangrijker is om op deze wijze duurzamere oplossingen te bereiken. Gemeenten en professionals Gemeenten kregen er met deze grote verandering van het jeugdstelsel een omvangrijke en ingewikkelde taak bij. In de voorbereiding hebben zij hard gewerkt om hun kennis over de jeugdhulp te vergroten, er is nagedacht over een effectieve organisatie van de jeugdhulp en er zijn inkoopcontracten afge- sloten met jeugdhulpaanbieders. Er waren zorgen of iedere gemeente wel op tijd klaar zou zijn. De Transitiecommissie Stelselherziening Jeugd heeft zich in haar rapportages een aantal keren kritisch uitgelaten over het tempo waarin de voorbereidingen werden getroffen. In de Tweede Kamer stond de transitie jeugdzorg met regelmaat op de agenda. Op 1 januari 2015 trad het stelsel desalniettemin in werking, ongeacht of alles wat gedaan moest zijn ook gedaan was. De transitie jeugdzorg was een feit. Aan de transformatie jeugdzorg, de attitudeverandering was echter nog maar beperkt aandacht besteed; daar moest na 1 januari 2015 ruimte voor komen. Is in de Jeugdwet duidelijk aangegeven wat van gemeenten verwacht wordt bij het organiseren van jeugdhulp, bij de transformatie ligt dit anders. Voor de verandering van de mindset en het handelen zijn principes gegeven (vroegsignalering, eigen regie, versterken eigen kracht, ondersteuning sociaal netwerk, meer professionele ruimte voor de werker), maar een verdere uit- werking is niet in de wet vastgelegd. Dit biedt kansen voor de uitvoeringsprak- tijk om deze principes zelf nader in te vullen en roept tegelijkertijd vragen op

19

Verandering door verbinding

hoe gemeenten en professionals deze transformatie invulling kunnen geven. Het leidt tevens tot debatten over rechtsgelijkheid en rechtsbescherming van burgers die mogelijk in de ene gemeente beter af zouden zijn dan in de andere gemeente. Niet alleen gemeenten, maar met name ook professionals en hun organi- saties hebben een belangrijke verantwoordelijkheid om de gewenste veran- dering inhoudelijk gestalte te geven. Een verandering van het stelsel alleen zal niet de gewenste verandering van mindset en een andere manier van han- delen opleveren. Deze verandering zal breder vorm dienen te krijgen, onder meer door dit vanaf de werkvloer in te zetten en zelfs in de samenleving te laten plaatsvinden. Verandering van mindset en wijze van handelen zal vooral bottom-up moeten gebeuren. De werkelijke opbrengst moet komen doordat ouders en kinderen, professionals en organisaties anders gaan denken en han- delen. Transformatie De Jeugdwet biedt een kader, maar regelt niet dat er een transformatie tot stand komt en hoe dat moet gebeuren. Transformatie is niet iets van beleids­ makers en managers, anders dan dat zij dit proces faciliteren en ondersteu- nen en er belang bij hebben dat het gebeurt. Transformatie is niet slechts een technische aanpassing van het systeem. Transformatie moet door professio- nals en hun organisaties gebeuren; zij hebben een cruciale rol in het transfor- matieproces. Er zullen andere eisen aan hen gesteld worden. Eisen aan vak- kennis, ervaring en sociale vaardigheden – dit hoeven overigens geen nieuwe eisen te zijn. Soms is een verdieping van bestaande kennis en vaardigheden voldoende. Zo zal er een sterkere verbinding tussen (ped)agogisch handelen en jeugdrecht moeten plaatsvinden. Partnerschap met burgers geldt niet als einddoel, maar als vertrekpunt (hoofdstuk 2). In de transformatie komen vier begrippen naar voren die van essentieel belang zijn voor professionals en die steeds zullen terugkeren in de verschil- lende hoofdstukken van dit boek: partnerschap, omgevingsbewustzijn, so­ ciaal ondernemerschap en eigen verantwoordelijkheid. Deze begrippen zijn belangrijke begrippen in de Beroepscode voor de jeugd- en gezinsprofessio- nal, waarin de eigen verantwoordelijkheid van de professional in relatie tot de cliënt, de organisatie en de samenleving wordt benadrukt. Deze vier begrip- pen zullen in de hoofdstukken concreet worden uitgewerkt. In dit boek staat, zoals al genoemd, de professional centraal – in het bijzonder de mindsetverandering en de andere wijze van handelen van de professional in de eerste én tweede lijn en van diegenen in het voorliggende veld. Van- zelfsprekend komen ook kennisaspecten en vaardigheden aan de orde. Wat

20

Inleiding

vraagt de transformatie van de professional, welke kansen en belemmeringen komt men tegen en hoe kan men deze kansen en belemmeringen hanteren? Jeugdprofessionals zien zeker de positieve kanten van de transformatie, maar er zijn ook vragen. Dit boek wil een bijdrage leveren aan het beantwoorden van vragen en het bieden van handelingsmogelijkheden en alternatieven, van- uit het perspectief van de professional. Omdat het boek gericht is op professionals in de eerste en tweede lijn als- ook in het voorliggende veld, maken we in dit boek geen gebruik van het wel in de praktijk gehanteerde onderscheid tussen generalist en specialist. Het gaat om houding, om een brede integrale blik, om doorvragen en verbanden leg- gen – ongeacht of men zich specialist of generalist voelt. De focus van dit boek is gericht op professionals die met of voor ouders en kinderen werken. Steeds draait het om de verandering van mindset en de andere manier van handelen, bijvoorbeeld doordat de sociale omgeving van het gezin geanalyseerd en zo nodig ingezet moet worden. Bestaande kennis over het gezinssysteem vraagt om een verdieping, om zo een andere wijze van handelen inhoud en vorm te kunnen geven. Dat gebeurt op vier niveaus: het niveau van de professional, het niveau van wetgeving en beleid, het niveau van de organisatie en het niveau van cliënt en samenleving. Daarbij vormt een drietal documenten de ruggengraat van het boek, te weten het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, de Jeugdwet en de Beroepscode voor de jeugd- en gezinsprofessional. Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind Bijna iedereen in het werkveld heeft gehoord van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK, Kinderrechtenverdrag). Dat geldt echter niet voor de inhoud; die is veelal nog onvoldoende bekend – terwijl het professionals prachtige handvatten biedt voor de praktijk, voor beleids- ontwikkeling in organisaties en gemeenten en voor wetgeving. De grondge- dachten van de transformatie zijn voor een groot deel terug te vinden in het Kinderrechtenverdrag. Nu dit verdrag wordt gezien als een living instrument (juridische ontwikkelingen worden na de totstandkoming van het verdrag meegenomen in de interpretatie van verdragsbepalingen), is het des te be- langrijker om de inhoud van het verdrag als een rode draad door dit boek heen te laten lopen. Het biedt een meerwaarde, niet in de laatste plaats omdat het pedagogiek, sociologie en recht met elkaar verbindt en voor de professional een praktisch handvat is. Recht en sociale wetenschappen horen bij elkaar als het gaat om jeugdhulp, maar de verbintenis tussen deze twee disciplines is geen natuurlijke. Ze heb- ben elkaar echter nodig en versterken elkaar. Zo biedt het verdrag handvatten voor de transformatie, wanneer het doel is om vaardigheden van ouders en

21

Verandering door verbinding

kinderen te versterken, alvorens men cliënt wordt van een jeugdhulporganisa- tie. Het verdrag biedt een kader in zaken waar uithuisplaatsing, overplaatsing of terugplaatsing aan de orde zijn. Het verdrag geeft richting wanneer ouders en kinderen betrokken worden bij besluitvorming en beleidsvorming. Boven- al benadrukt het verdrag dat ouders primair verantwoordelijk zijn voor de opvoeding en verzorging van hun kind en dat de staat als achterwacht dient. Zo zijn er meer praktische handvatten af te leiden uit de tekst van het Kin- derrechtenverdrag die de professional ondersteunen in de uitvoering en die naadloos aansluiten bij de transformatiegedachte. Jeugdwet De Jeugdwet is in 2015 in werking getreden en moet de jeugdhulp en jeugdbe- scherming effectiever en efficiënter maken. Basisgedachte van de Jeugdwet is dat ouders de eerstverantwoordelijken zijn voor de opvoeding en verzorging van het kind; hulp dient gericht te zijn op het herstel en het versterken van het probleemoplossend vermogen van ouders en op het versterken van de omge- ving van het gezin. De Jeugdwet sluit zo naadloos aan op de uitgangspunten van het Kinderrechtenverdrag. De Jeugdwet bundelt verschillende vormen van ondersteuning en hulp, zoals de provinciale en gesloten jeugdzorg, de ggz voor jeugdigen (inclusief ggz in het kader van jeugdstrafrecht), de zorg voor jongeren met een verstan- delijke beperking, de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen (inclusief het vervoer), kortdurend verblijf van jeugdigen en de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Op basis van de wet zijn jeugdhulp en jeugdbescherming gedecentrali- seerd naar de gemeente, die verantwoordelijk is voor organisatie en inrichting van de jeugdhulp. Iedere gemeente kan, rekening houdend met lokale om- standigheden, de organisatie van de hulp afstemmen op wat in die gemeente nodig is. De Jeugdwet sluit nauw aan bij de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), de Participatiewet, de Wet passend onderwijs en wetten uit de ge- zondheidszorg. Alle zijn gebaseerd op minder zorgafhankelijkheid en meer op wat burgers zelf kunnen. Beroepscode voor de jeugd- en gezinsprofessional De Beroepscode voor de jeugd- en gezinsprofessional (tot 1 januari 2018 Be- roepscode voor de jeugdzorgwerker geheten) heeft zijn basis in de Jeugdwet, die duidelijk is over de kwaliteit van de jeugdhulp en de rol van de profes­ sional. Alle beroepsbeoefenaren die vallen onder de Jeugdwet en professionals die werkzaam zijn in de justitiële jeugdzorg en bij de Raden voor de Kinder

22

Inleiding

bescherming zijn gehouden aan deze beroepscode. Met ingang van 1 januari 2018 is deze groep uitgebreid met alle professionals uit het brede jeugddomein. De beroepscode biedt de professional richtlijnen en ondersteuning voor zijn dagelijkse praktijk; het maakt cliënten duidelijk wat zij van het contact met de professional kunnen verwachten; de beroepscode verstevigt de be- roepsidentiteit en gaat beroepsvervaging tegen. De beroepscode maakt het beroepsmatig handelen van de professional toetsbaar via het tuchtrecht voor de jeugdprofessional. Ook heeft de beroepscode de functie om de samenle- ving duidelijk te maken op welke waarden het werk van de jeugdprofessional stoelt. De beroepscode sluit aan bij artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag dat uitgaat van de belangen van het kind als eerste overweging. Dit uitgangspunt bepaalt voor een groot deel het handelen van de professional. De beroepscode benadrukt de professionele autonomie van de werker en verwacht van hem een brede blik met verantwoordelijkheid voor organisatiebeleid, reflectie op het handelen en collegiale toetsing en oog voor het signaleren van misstanden in de jeugdzorg. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat dit boek een bundel met individuele reflecties is, maar het biedt juist een samenhangend raamwerk voor de pro- fessional in de eerste en tweede lijn en in het voorliggende veld die met jeug- digen en ouders werkt. De verschillende hoofdstukken grijpen op elkaar in en versterken elkaar. Bovendien zijn ze los van elkaar of in een andere volgorde te lezen, afhankelijk van de (leer)thema’s die op dat moment op de voorgrond staan. Leeswijzer Het boek is opgebouwd uit vier delen. Ieder deel bestaat uit vier hoofdstuk- ken, waarin zowel aandacht wordt besteed aan het theoretische kader als aan de toepassing in de praktijk. Deel I De jeugdprofessional Hoofdstuk 1 gaat in op de autonome jeugdprofessional als vakman. Professio- nal zijn in het sociale domein vereist immers vakmanschap. Het vakmanschap zoals in dit hoofdstuk is uitgewerkt, is gebaseerd op de theorie van Richard Sennett. In dit hoofdstuk wordt beschreven wat dit betekent voor de jeugd- professional. Hoofdstuk 2 gaat over partnerschap in de jeugdhulp, waarbij naast een pleidooi voor heldere communicatie een tweetal benaderingen van partner- schap wordt beschreven: de instrumentele benadering vanuit vooraf omschre-

23

Verandering door verbinding

ven methodes, en de democratische benadering, waarbij ouders en kinderen worden aangesproken om mee betekenis en vorm te geven aan de jeugdhulp. Hoofdstuk 3 werkt uit hoe jeugdprofessionals met ouders kunnen samen- werken aan de veiligheid in gezinnen. Invalshoek is de Meldcode met nadruk op het belang van taalgebruik, waarbij een handelingsalternatief voor de pro- fessional geboden wordt. Hoofdstuk 4 focust op de professionele autonomie: een van de transitie- doelen uit de Jeugdwet. Het beschrijft hoe jeugdprofessionals in de praktijk hun ruimte kunnen benutten. Concreet worden vier zaken uitgewerkt: ont- wikkelen en bijhouden van actuele kennis; weten wat je als professional wel en niet kunt en mag; reflecteren; en autonomie als professional benutten. Deel II De jeugdprofessional en zijn relatie tot wet- en regelgeving Hoofdstuk 5 verkent hoe ethische vragen een rol spelen in het dagelijks werk van de jeugdprofessional. Na een korte introductie over ethiek wordt onder- zocht hoe professionals met dilemma’s en vragen om kunnen gaan; dat vereist immers een aantal specifieke vaardigheden. Hoofdstuk 6 werkt de voor de jeugdprofessional relevante elementen van de Jeugdwet uit en past deze toe op zijn handelen aan de hand van casussen. Juridische en sociaalpedagogische perspectieven komen samen. Hoofdstuk 7 gaat met name in op de theoretische en praktische beteke- nis van het Kinderrechtenverdrag binnen het domein van de jeugdprofessio- nal. Toegelicht wordt wat het verdrag inhoudt, wie eraan gebonden is en hoe wordt toegezien op de naleving ervan. Centraal staat de zelfstandige rechts- positie van het kind en wat deze in het bijzonder voor het handelen van de jeugdprofessional betekent. Hoofdstuk 8 beschrijft de beroepscode als raamwerk en moreel kompas voor de jeugdprofessional. Tevens wordt beschreven hoe beroepscode, vakin- houdelijke richtlijnen en het tuchtrecht hem kunnen ondersteunen, waardoor zijn omgevingsbewustzijn wordt vergroot. Deel III De jeugdprofessional en zijn organisatie Hoofdstuk 9 beschrijft het Amerikaanse vijffactorenmodel, dat een uitge- werkt kader biedt om de eigen kracht van ouders en kinderen te versterken. Het beschrijft vijf factoren die alle bijdragen aan eigen kracht en geeft zo con- creet invulling aan de uitgangspunten van het Kinderrechtenverdrag en de grondbeginselen van de transformatie. Hoofdstuk 10 gaat in op de brede integrale blik als een belangrijke voor- waarde om ouders en kinderen goed te kunnen ondersteunen. Een bredere blik, waarin de verschillende leefdomeinen van ouders en kinderen met elkaar wor-

24

Inleiding

den verbonden en geïntegreerd zijn in het plan van aanpak. Dit hoofdstuk be- antwoordt deze vragen vanuit het perspectief van een uitvoeringsorganisatie. Hoofdstuk 11 beschrijft de relatie tussen de professional en zijn organisa- tie. Er wordt met name ingegaan op welke wijze de organisatie professionals kan faciliteren om ruimte te nemen, zodat zij daadwerkelijk op maat met ou- ders en kinderen kunnen werken. Enver – voorheen TriviumLindenhof, een grote Rotterdamse jeugdhulpaanbieder – heeft dit streven in haar organisatie in beleid en uitvoering handen en voeten gegeven. Hoofdstuk 12 vertelt over de werkzame bestanddelen vanuit het perspec- tief van de organisatie. Wat kan een organisatie doen en wat mag van een organisatie worden verwacht in de aandacht voor de inhoud van het werk ter ondersteuning van professionals? Deel IV De jeugdprofessional en zijn relatie tot de burger Hoofdstuk 13 gaat over nieuwe relaties met informele zorgverleners. Hoe ziet de verhouding tussen familie, vrienden enerzijds en de hulpverlener ander- zijds eruit? Waar liggen grenzen? Hoe spreek je elkaar aan als je zo dicht bij elkaar ondersteuning en zorg biedt? Hoe definieer je de verhouding tussen professionaliteit en privé? Hoofdstuk 14 beschrijft hoe met name jonge moeders hun veerkracht zien, wat zij als ondersteunend ervaren op basis van praktijkonderzoek en wat dit vervolgens betekent voor het handelen van de professional. De gedachte uit de Jeugdwet dat de nadruk in hulpverlening gericht moet zijn op de eigen kracht van cliënten krijgt ook in dit hoofdstuk inhoud. Hoofdstuk 15 gaat in op wat voor cliënten belangrijk is als zij met een pro- fessional te maken krijgen. Hoe kan een professional vervolgens het perspec- tief van de cliënt scherp op het netvlies krijgen en daar invulling aan geven? Hoofdstuk 16 focust op de rol die lokale/buurtgerichte instellingen uit het publieke domein kunnen spelen op het empoweren van individuen en groe- pen. Wat betekent dat voor het vakmanschap van de jeugdprofessional? In ieder hoofdstuk staan casussen. In de hoofdstukken waar het accent ligt op het theoretisch kader leggen deze voorbeelden de verbinding tussen theorie en praktijk. In alle gevallen is de toepasbaarheid in de praktijk van de lezer een belangrijke leidraad. Het boek biedt dus zowel theoretische kaders als casus- sen die handvatten bieden voor de praktijk van de aankomende en de zittende jeugdprofessional. De hoofdstukken zijn vanuit een positieve grondhouding geschreven. In dit boek worden ‘hij’ en ‘zij’ door elkaar gebruikt. Waar ge- sproken wordt van ‘hij’, ‘hem’ of ‘zijn’ moet ook worden gelezen ‘zij’ of ‘haar’, en andersom.

25

Verandering door verbinding

Online studiemateriaal Op www.coutinho.nl/veranderingdoorverbinding vind je het online studie- materiaal bij dit boek. Dit materiaal bestaat uit: ■■ opdrachten ■■ casussen ■■ lees- en kijktips

26

DEEL I De jeugdprofessional

1 De autonome professional als vakman Goos Cardol

DEEL I

Een moeder en haar puberzoon van 13 hebben voortdurend conflicten: de jon- gen laat zich door haar niet aanspreken. Buitenshuis lijkt er niets aan de hand te zijn. Moeder is sinds haar scheiding alleenstaand en wil nu heel graag weer aan het werk, nadat zij een aantal jaren geen baan heeft gehad. Zij solliciteert bijna wekelijks; het lukt echter maar niet om op de arbeidsmarkt aan de slag te ko- men. Zij heeft na haar scheiding meer geld uitgegeven dan dat er binnenkwam, waardoor zij op dit moment een schuld van € 24.000 heeft opgebouwd. Iedere rekening die op de mat valt of in haar inbox verschijnt, maakt haar wanhopig. Samira, de jeugdprofessional die het gezin begeleidt vanwege de problemen tussen moeder en zoon, heeft als prioriteit gesteld om eerst haar schulden te saneren, omdat deze een grote last leggen op de draagkracht van moeder. Samira weet dat schulden de nodige stress kunnen veroorzaken en moeders draagkracht ernstig kunnen doen verminderen. In haar visie lossen de proble- men tussen moeder en zoon niet op zonder eerst de financiële problemen aan te pakken. Zij zoekt met een beleidsmedewerker van haar organisatie uit wie zij daarvoor moet benaderen en zorgt dat er contact komt tussen een schuld­ saneerder en moeder. Het effect van deze interventie is dat bij moeder ruimte ontstaat. Dit wordt nog eens extra vergroot doordat Samira regelt dat de jongen weer terug naar de sportclub kan, waar hij eerder van af moest omdat moeder het lidmaatschaps- geld niet kon betalen. De relatie tussen moeder en zoon krijgt door het hande- len van de jeugdprofessional weer lucht: ze gaan nu op een andere manier met elkaar om en de problemen lijken minder ernstig dan aanvankelijk gedacht. Het handelen van de jeugdprofessional in deze casus is een voorbeeld van hoe vakmanschap kan worden vormgegeven. In dit hoofdstuk staat het vak- manschap van de jeugdprofessional centraal en worden aspecten van vak-

29

1 De autonome professional als vakman

manschap besproken. In paragraaf 1.1 wordt het begrip ‘vakmanschap’ in het jeugddomein nader uitgewerkt. In paragraaf 1.2 is er aandacht voor de visie van de Amerikaanse socioloog Richard Sennett. Hij onderzocht in zijn boek De ambachtsman (2012) wat een vakman is en wat vakmanschap betekent. Hij analyseert het vakmanschap van de handwerker en komt tot inzichten die ook toegepast kunnen worden op het beroep van de jeugdprofessional. Pa- ragraaf 1.3 beschrijft de ontwikkeling van vakmanschap en in paragraaf 1.4 wordt ingezoomd op dat wat het vakmanschap van de jeugdprofessional uniek maakt: het scheppen van verbinding door sociaal ondernemerschap, of zoals De Boer en Van der Lans (2011) dit noemen: ‘een ondernemende professional zijn’. Paragraaf 1.5 vormt de afronding van hoofdstuk 1. De jeugdprofessional in het voorbeeld doet precies zoals de bedoeling is van de verandering in het sociale domein: autonoom handelen, ruimte nemen voor de beslissing om een schuldsaneerder in te schakelen en verbindingen leggen via een beleidsmedewerker. Deze elementen zijn ook terug te vinden in de Jeugdwet en in de Beroepscode voor de jeugd- en gezinsprofessional. Het doel van de ondersteuning en hulpverlening is om vaardigheden van ouders en kinderen te versterken, zodat minder beroep gedaan hoeft te worden op het sociale stelsel – specifiek: minder beroep op jeugdhulpinstellingen. Nu zagen velen het empoweren van burgers al voor de veranderingen in het sociale stelsel als de feitelijke kern van het professioneel handelen van de sociaal werker. Het verschil tussen toen en nu is echter dat de autonome en activerende houding van de jeugdprofessional in het huidige stelsel geïncor- poreerd is in de Jeugdwet en dus onderdeel is van het wettelijk systeem. In het huidige stelsel is het betrekken van de sociale omgeving van ouder en kind nadrukkelijker als opdracht aan de autonome professional geformuleerd. Met andere woorden: het handelen van de autonome professional is met de tran- sitie jeugdhulp onderdeel van de politieke agenda geworden. Dat dit nu pas is gebeurd en niet vele jaren eerder, kan verklaard worden doordat de politieke agenda en de agenda van de uitvoering in de afgelopen jaren niet synchroon liepen (Horstman, 2010). Desalniettemin was er al voor 1 januari 2015 discussie over wat de transitie zou betekenen voor de positie van de jeugdprofessional. Zo werd in een rap- port van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) gesproken over de nieuwe professional, die nieuwe competenties zou moeten hebben (De Boer & Van der Lans, 2011). Omdat de nadruk in het stelsel vanaf 2015 sterk is komen te liggen op het ontwikkelen van burgerkracht, is volgens de RMO Vakmanschap in het jeugddomein

1.1

30

Made with FlippingBook - Online magazine maker