Simon C. Klein - Talentbegeleiding bij laagbegaafde jongeren

Simon C. Klein

Talentbegeleiding bij laagbegaafde jongeren

Hoe jij als pedagogisch professional het verschil maakt

u i t g e v e r ij

c

c o u t i n h o

Talentbegeleiding bij laagbegaafde jongeren

Voor C., vast en zeker het mooiste meisje in de klas

Talentbegeleiding bij laagbegaafde jongeren

Hoe jij als pedagogisch professional het verschil maakt

Simon C. Klein

c u i t g e v e r ij

c o u t i n h o

bussum 2017

www.coutinho.nl/factor-i Je kunt aan de slag met het online studiemateriaal bij dit boek. Dit materiaal bestaat uit een aantal vragen per hoofdstuk en links.

© 2017 Uitgeverij Coutinho bv Alle rechten voorbehouden.

Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbe- stand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mecha- nisch, door fotokopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande schrif- telijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van reprografische verveelvoudigen uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16h Auteurswet 1912 dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130 KB Hoofddorp, www.reprorecht.nl). Voor het overnemen van (een) gedeelte(n) uit deze uitgave in bloem- lezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie, Post- bus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.stichting-pro.nl).

Uitgeverij Coutinho Postbus 333 1400 AH Bussum info@coutinho.nl www.coutinho.nl

Omslag: Coco Bookmedia, Amersfoort Foto’s binnenwerk per hoofdstuk: 4, 5, 8, 11 Wilbert van Woensel, Amsterdam; 2, 6 Hollandse Hoogte; 1, 3, 7, 9, 10 Shutterstock Foto’s binnenwerk deelpagina’s: p. 22, 70, 108 Shutterstock Noot van de uitgever Wij hebben alle moeite gedaan om rechthebbenden van copyright te achterhalen. Perso- nen of instanties die aanspraak maken op bepaalde rechten, wordt vriendelijk verzocht contact op te nemen met de uitgever. De personen op de foto’s komen niet in de tekst voor en hebben geen relatie met hetgeen in de tekst wordt beschreven.

ISBN 978 90 469 0 591 3 NUR 841

Hallo talent,

Wat goed dat je mijn boek gebruikt om meer te weten te komen over talent­ ontwikkeling. Ik spreek jou bewust aan met ‘talent’, omdat ik je naam niet ken, maar wel zeker weet dat je talent hebt. Dat heeft namelijk iedereen. In dit boek wil ik inzoomen op de jongeren bij wie het talent niet onmiddel­ lijk aan de oppervlakte te herkennen is. Sterker nog, bij laagbegaafde jongeren moet het talent doelbewust gezocht en naar boven gehaald worden en door de jongere zelf ontwikkeld worden met jouw hulp. Want dat is jouw talent. Het boek gaat uit van een systeembenadering van laagbegaafde jongeren, want er zijn duidelijk verbanden te leggen tussen factoren als intelligentie, aanleg, zelfbeeld en omgeving. Als jij in staat bent om de verschillende factoren te her­ kennen, is het ook mogelijk om verbanden te leggen tussen de diverse syste­ men. Wat kun je doen om de opvoedingssituatie te ondersteunen? Als je weet dat vrienden zo belangrijk zijn, kun je hier dan in begeleiden? Vooroordelen! Iedereen heeft vooroordelen, jij en ik ook. Het is belangrijk om voorbij die vooroordelen te kijken. Om niet het negatieve te zien maar de mo­ gelijkheden, datgene wat de laagbegaafde jongere wél kan en waarin hij goed is. Besteed tijd en aandacht aan het ontdekken van zijn kwaliteiten en mogelijk­ heden, want juist deze jongere verdient jouw aandacht. Juist deze jongere moet jouw uitdaging worden – dan ontdekt ook hij waar zijn talenten liggen en jij kunt helpen die te ontwikkelen, zodat hij zijn talenten zó weet in te zetten dat hij boven zichzelf uitstijgt. (We kiezen ervoor om voor de leesbaarheid ‘hij’ te gebruiken. In plaats van ‘hij’ kan natuurlijk ook ‘zij’ gelezen worden.) In dit boek geef ik je de tools om de laagbegaafde jongere te ontdekken en te helpen, zodat jij de maatschappij mooier helpt maken met een nieuw talent. Ik daag je uit om mee te denken … En zoals ik jou uitdaag, daag ik ook graag leer­ krachten, hulpverleners, de gemeentemedewerkers en de minister van Onder­ wijs en haar staatssecretarissen uit, want samen kunnen we heel veel bereiken! Veel laagbegaafde jongeren vallen weg in de scheuren van de maatschappij. ‘Het zijn nietsnutten! Ze kunnen niets en ze willen niets. Vaak kun je het al zien aan hun ouders. Of zelfs aan de buurt waar ze vandaan komen. Ja toch?´

Op de website die hoort bij dit boek ( www.coutinho.nl/factor-i ) kun je meer opdrachten en links vinden. Mocht je contact willen met de auteur, dan kun je kijken op www.klassenkanjers.nl of mailen naar info@klassenkanjers.nl . We beschrijven niet dé oplossing voor dé doelgroep, want die zijn er beiden niet. We willen een groep jongeren versterken van wie we weten dat ze in som­ mige gevallen extra hulp nodig hebben. Niet alle laagbegaafde jongeren hebben hulp nodig, maar door het schetsen van dit soms té algemene beeld kunnen we wel zo veel mogelijk duidelijkheid geven waarmee jij straks de Factor i kunt bieden. De Factor i is datgene wat we iedereen, maar vooral deze groep jongeren kun­ nen bieden. Maar wat is de Factor i? De i staat voor: ‘iets dat of iemand die het verschil maakt’, iets ogenschijnlijk heel kleins, iets bijna onbelangrijks maar ei­ genlijk toch een onmisbaar stukje. En als we gaan zoeken, hebben we de Factor i al snel bij de hand. In iets, in iemand, in de houding van iemand. De Factor i is geen vaststaand iets dat je uit de kast kunt pakken of in elkaar kunt zetten. Voor iedereen is de Factor i ver­ schillend … Daarom is het zo belangrijk dat je goed gaat kijken waar de Factor i bij jouw jongere te vinden is. Is het een daad? Is het vertrouwen? Is het begelei­ ding naar een bepaalde ondersteuning? Is het een andere blik of het geven van waardering? Is het begrip of is het geduld? Vaak is Factor i van geen waarde, maar tegelijk onbetaalbaar. Het is de uitdaging om de Factor i te zoeken voor deze jongeren. Met dit boek hoop ik je veel mogelijke Factoren i te geven die belangrijk zouden kunnen zijn en het verschil zouden kunnen maken. Samen hebben we in ieder geval de Factor i.

Veel leerplezier!

Simon Klein Herfst 2017

Inhoud

Inleiding

13

DEEL I

1

Talentontwikkeling en kwaliteiten

23 23 24 26 26 27 28 29 29 30 31 33 34 37 38 38 41 42 42 42 43 45 45 46

1.1 Talenten

1.2 Vele benamingen

1.3 Verschillende benaderingen van talent 1.3.1 Differentiatiemodel Gagné

1.3.2 Ui-model Korthagen

1.3.3 Talentenkompas van Van der Sluis

1.3.4 Alles bij elkaar

1.4 Hét handboek talentontwikkeling bestaat niet

1.4.1 De zeester van Tannenbaum

1.5 Talentontwikkeling bij laagbegaafde jongeren

1.6 Tot slot

Uit de praktijk

2

Intelligentie

2.1 Intelligentie meten

2.1.1 Gemiddelden in Nederland

2.2 Laagbegaafdheid

2.3 Andere vormen van intelligentie

2.3.1 Sociale of succesvolle intelligentie (Robert Sternberg) 2.3.2 Emotionele intelligentie (Daniel Goleman) 2.3.3 Meervoudige intelligentie (Howard Gardner)

2.4 De excellente school

2.5 Tot slot

Uit de praktijk

3

Leren

49

3.1 Is leren leuk of stom?

49 51 51 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 62 64 64 65 67 71 71 72 73 74 74 74 75 76 76 78 79 79 81

3.2 Leren door jongens en door meisjes

3.3 Leerstijlen

3.3.1 Leerstijlen volgens Vermunt 3.3.2 Leerstijlen volgens Kolb

3.4 Leerstijlen en laagbegaafdheid

3.5 De GRIT-factor 3.6 Zorgen en kansen

3.7 De taxonomie van Bloom 3.8 De zone van naaste ontwikkeling

3.9 Positieve bekrachtiging 3.10 Differentiëren in de klas 3.11 Leerrendement 3.12 21st century skills

3.13 Leren en laagbegaafde jongeren

3.14 Zorgen en kansen

3.15 Tot slot

Uit de praktijk

DEEL II

4

Puberteit

4.1 Puberteit of adolescentie?

4.1.1 Vroege adolescentie, prepuberteit of puberteit (10-14 jaar) 4.1.2 Middenadolescentie, late puberteit of jonge adolescentie (13-17 jaar) 4.1.3 Late adolescentie of jongvolwassenheid (16-25 jaar)

4.2 Puberteit en kwaliteiten

4.2.1 Fysiek 4.2.2 Mentaal 4.2.3 Emotioneel

4.3 Adolescentie en talentontwikkeling 4.4 Puberteit en laagbegaafdheid

4.5 Zorgen en kansen

4.6 Tot slot

Uit de praktijk

5

Persoonlijkheidsontwikkeling

83

5.1 Persoonlijkheid

83 84 85 86 87 88 89 89 89 90 93 94 95 96 98 99

5.2 Karakter 5.3 Identiteit

5.3.1 Identiteitsverwarring (identity diffusion) 5.3.2 Identiteitsblokkade (identity foreclosure) 5.3.3 Experimenteren en identificeren (moratorium) 5.3.4 Commitments (identity achievement)

5.4 Morele ontwikkeling

5.4.1 De theorie van Piaget 5.4.2 De theorie van Kohlberg 5.4.3 De theorie van Gilligan

5.5 Zelfbeeld

5.5.1 Feedback

5.5.2 Zelfbeeld en de school 5.5.3 Zelfbeeld en gezond gedrag

5.6 Identiteit en moraliteit bij laagbegaafden 5.6.1 Populisme en laagbegaafden 5.7 Zorgen en kansen rondom verslaving 5.8 Zorgen en kansen rondom criminaliteit

100 101 103 104 105

5.9 Tot slot

Uit de praktijk

DEEL III

6

Omgeving

109 109 110 111 112 114 115 116 116 117 118

6.1 De leefomgeving

6.2 Het gezin

6.2.1 Het gezin en laagbegaafdheid 6.2.2 Ouders blijven heilig!

6.3 Onderwijs

6.3.1 Onderwijs en laagbegaafdheid

6.4 De buurt

6.5 Werk

6.5.1 Motivatie en inkomen

6.6 Zorgen en kansen

6.7 Vrienden en relaties

119 119 120 121 121 122 123 125 126 129 129 130 131 132 135 136 136 137 138 138 139 141 141 142 144 145 146 147 149 151 153 153 154 155 156

6.7.1 Laagbegaafden en vriendschap

6.7.2 Zorgen en kansen

6.8 Religie

6.8.1 Religie en laagbegaafdheid 6.9 Een paar feiten om van te schrikken

6.10 Zorgen en kansen

6.11 Tot slot

Uit de praktijk

7

Onderwijs

7.1 Pedagogisch klimaat

7.1.1 Pedagogisch klimaat bij laagbegaafde jongeren

7.2 Positieve bekrachtiging

7.3 Samenwerking en afstemming (binnen het team en met ouders)

7.4 Hulpverlening in het onderwijs 7.5 De overheid in het onderwijs

7.5.1 Passend onderwijs

7.5.2 De Inspectie van het Onderwijs 7.5.3 Regionaal onderwijsbeleid

7.6 Zorgen en kansen

Uit de praktijk

8

Hulpverlening

8.1 Ondersteuning

8.1.1 Handelingsvormen van talentgericht werken

8.1.2 Hulpverleningsprogramma’s 8.2 Hulpverlening binnen het onderwijs 8.3 Hulpverlening binnen de overheid

8.4 Zorgen en kansen

8.5 Tot slot

Uit de praktijk

9

De overheid en andere ondersteuning

9.1 Regelgeving en afspraken 9.2 Sociale voorzieningen

9.3 Participatiewet

9.4 Straffen door de overheid

9.5 Zorgen en kansen

157 159 162 163 165 165 166 167 168 171 171 172 172 173 174 174 175 176 177 177 178

9.6 Ondersteunende (overheids)instellingen en kennisinstituten

9.7 De overheid en het onderwijs

Uit de praktijk

10 Jij

10.1 ‘Je bent een engel’ 10.2 Maak contact 10.3 Communiceer 10.4 Zorg goed voor jezelf

11 De Factor i

11.1 Zie mij

11.2 Iedereen heeft talenten

11.3 Neem de tijd

11.4 Geef passende voorlichting 11.5 Bevorder optimaal leren

11.5.1 Een leven lang leren en 21st century skills 11.6 Versterk de ontwikkeling van de eigen persoonlijkheid

11.7 Besteed veel aandacht aan preventie

11.8 Doe het samen

11.9 Zoek ruimte, tijd en budget 11.10 Jij maakt het verschil!

Begrippen

181

Literatuur

187

Register

193

Bedankt lieve mensen

199

Over de auteur

200

Inleiding

Meester Simon kijkt nog eens naar ‘zijn’ jongeren. Hij is dol op ze, maar wat pakken ze zijn aanwijzingen toch moeilijk op! Hij heeft al van alles gepro- beerd en nóg lijken ze hem niet te begrijpen. Marius zit achterstevoren op zijn stoel en Quinty staart voor zich uit. Hoe kan meester Simon ze laten zien dat hij het echt goed met ze voorheeft? Dit boek gaat over talentbegeleiding. Wat is talent? Wat kun je doen om ta­ lenten en kwaliteiten te stimuleren? Hoe kun je hiermee rekening houden in persoonlijkheidsontwikkeling en puberteit? En welke invloed hebben omge- vingsfactoren als school, vrienden, woonomgeving en hulpverlening? Talent­ ontwikkeling is belangrijk voor iedereen, dus ook voor laagbegaafde jongeren. Die groep leert misschien langzamer en moeizamer, moet mogelijk op een be­ paalde manier getriggerd worden of er onwaarschijnlijk veel moeite voor doen om een doel te bereiken of een vaardigheid onder de knie te krijgen. Ook die groep verdient het dat zijn talent ontwikkeld wordt. Wat is talent? Talent is het vermogen om uit te blinken in een of meer vakken of vaardigheden. Dat vermogen is niet alleen aangeboren, het is vaak ook een zaak van oefening en doorzettingsvermogen. Toptalenten zijn overal in het onderwijs te vinden. Zij blin- ken uit op cognitief, praktisch, technisch, creatief of sociaal gebied. Bron: Kamerbrief Plan van aanpak toptalenten 2014-2018 (Ministerie van Onderwijs, Cul- tuur en Wetenschap, 2014) Dit boek is geschreven voor iedereen die te maken heeft met laagbegaafde kin­ deren en jongeren, voor opvoeders en begeleiders. We spreken in het vervolg alleen over ‘jongeren’, maar we zijn ons ervan bewust dat veel van de ontwikke­ ling al begint aan het einde van de kindertijd, het begin van de puberteit. Door bewustwording kunnen we juist deze groep zo goed versterken. Opvoeders missen soms de tools om moeilijkheden in de ontwikkeling te kunnen signale­ ren en om deze groep verder te helpen, rekening houdend met allerlei externe factoren als omgeving, opleidingsniveau en afkomst. En dat terwijl die opvoe­ ders eigenlijk niets liever willen dan juist deze kwetsbare groep verder helpen in zijn ontwikkeling. Je weet dat ze hun ‘stinkende best’ doen, je ziet ze worstelen

| 13

Talentbegeleiding bij laagbegaafde jongeren

in hun eigen, lang niet altijd geweldige omgeving en gunt ze zó dat ze zich ge­ lukkig kunnen gaan voelen … Dit boek is verder bedoeld voor leerkrachten. Zo’n 15 procent van alle kinde­ ren is laagbegaafd en voor leerkrachten is kennis over deze groep dan ook van groot belang. Met dit boek krijg je op pedagogisch en didactisch vlak handvat­ ten om ieder kind te laten bloeien. Hiermee hebben leerkrachten vast en zeker de Factor i! Dit boek is voor jeugdhulpverleners omdat in hun praktijk zoveel jongeren zijn die het verdienen om in hun talenten gestimuleerd te worden, en omdat binnen de jeugdhulpverlening de groep laagbegaafden bovengemiddeld is vertegen­ woordigd en in zoveel hulpverleningstrajecten blijft circuleren. Zonder enige twijfel kunnen jeugdhulpverleners door hun ondersteuning het verschil maken en daarmee zijn zij zeker geregeld de Factor i. Dit boek is ook van belang voor gemeente- en overheidsbeleidsmedewerkers, omdat juist zij moeten kiezen voor een ondersteuningspakket voor zorgvra­ gers. De kosten voor zorgverlening rijzen de pan uit … En als je als gemeen­ te eigen keuzes moet maken in hoe de hulpverleningskosten verdeeld moeten worden, is het fijn als er ondersteuningsprogramma’s zijn die helpen bij het binnen de perken houden van de kosten. Laagbegaafde jongeren doen een ex­ tra groot beroep op deze ondersteuning. Als wethouders moeten gaan kiezen welke ondersteuning van belang is, staat buiten kijf dat zij hierin de Factor i kunnen zijn en hebben. Dit boek is ten slotte bedoeld voor de ministers en staatssecretarissen, omdat ook zij zich bezighouden met de optimale ontwikkeling van de inwoners van ons land. Ook met betrekking tot het ministerie van Onderwijs en diverse an­ dere ministeries kun je stellen dat de Factor i heel belangrijk is. Hoe lees je dit boek? In het hele boek worden veel praktijkvoorbeelden gegeven. Met de good prac­ tices en casussen heb je mogelijkheden om jouw talentjes, de jongeren met wie je werkt, gericht te ondersteunen. Door het boek heen stellen we je ook vragen over je eigen beleving en her­ inneringen, want niets werkt zo goed als het koppelen van theorie aan je eigen ervaring. Met deze vragen kun je nagaan hoe dit voor jou heeft gewerkt en kun je dat wellicht koppelen aan je werkpraktijk. Deze vragen vind je bij het volgen­ de picto: .

14 |

Inleiding

Op de website

vind je links naar filmmateriaal en opdrachten bij ieder hoofdstuk. Als je een paars vetgedrukt begrip tegenkomt, kun je dit terugvinden in de begrippenlijst achter in het boek.

Beschrijf het gedrag waardoor jij het gevoel hebt dat je niet altijd grip hebt op een van de laagbegaafde jongeren met wie je werkt.

Over wie gaat dit boek nu precies? Dit boek is gericht op de leeftijdsgroep vanaf de bovenbouw van de basisschool tot aan volwassenheid, maar het is belangrijk om te beseffen dat ook kinderen in de onderbouw baat hebben bij de beschreven aanpak. Persoonlijkheidsont­ wikkeling begint immers al in de eerste levensjaren en de thuissituatie is vanaf de geboorte van invloed op de persoonlijkheidsontwikkeling. De identiteits- en moraliteitsontwikkeling begint echter pas in de puberteit. Daarom richt dit boek zich vooral op jonge adolescenten. Misschien heb je al een beeld van de groep laagbegaafde jongeren. Mijzelf heeft het nog vele puzzeluurtjes bezorgd voor ik erachter was hoe ik de doelgroep van dit boek het best kon beschrijven … In het onderwijs werd in de vorige eeuw gesproken van moeilijk lerende kinderen (mlk). Niets mee aan de hand, maar het leren ging moeilijk. Niet zo moeilijk als bij de groep kinderen die zeer moeilijk lerend (zmlk) waren en vaak verstandelijk gehandicapt genoemd werden. Deze groep binnen het mlk werd ook wel ‘zwakbegaafd’ genoemd (Feldman, 2016). In de psychiatrische handleiding DSM-5 wordt met betrekking tot mensen met een IQ tussen de 50 en 70 gesproken van een lichte verstandelijke beper­ king (lvb). Mensen met een IQ tussen de 70 en 85 worden gerekend tot de groep ‘zwakbegaafden’ (De Wit, Moonen & Douma, 2011). De groep jongeren die in dit boek wordt geschetst, heeft een IQ tussen de 70 en 85/90. Voor het zelfstandig functioneren is een IQ onder de 70 vaak een handicap. Voor de talenten in dit boek is de cognitieve beperking een (bepa­ lende) belemmering, maar ze kunnen zich slechts met moeite staande houden. Er is formeel geen sprake van een handicap, maar geregeld wel van een grote handelingsverlegenheid. Vaak missen ze vaardigheden om makkelijk en zelf­ standig deel te nemen aan de omgeving. Deze aanpassingsvaardigheden, zoals gezond gedrag of sociale omgang in werk en vrije tijd, worden ‘ adaptieve vaar- digheden ’ genoemd. Juist omdat deze groep vaak moeite heeft met het sociaal

| 15

Talentbegeleiding bij laagbegaafde jongeren

aanpassingsvermogen, de adaptieve vaardigheden en de (sociaal-)emotionele ontwikkeling, is begeleiding gewenst (Douma, Hoekman & Merkus, 2017). De adaptieve vaardigheden en de beperking ervan komen terug in heel ba­ sale levensgebieden, zoals het functioneel kunnen lezen, sociale vaardigheden, vrije tijd en werk, en de zelfredzaamheid bij bijvoorbeeld zelfverzorging, het omgaan met geld of gezondheid. Omdat deze groep hierbij zoveel hulp en on­ dersteuning vraagt, is het belangrijk om alle handvatten aan te grijpen om de juiste begeleiding te vinden. Daarom wordt in dit boek een zo praktisch moge­ lijke benadering beschreven met veel praktijkvoorbeelden en succesverhalen. De term ‘laagbegaafde jongeren’ is een door mij gekozen noemer waarmee ik geen nadruk leg op een beperking (lichte verstandelijke beperking) of op het functioneren (‘laag functionerend’). De benadrukking van iets wat zwak aan­ wezig is − in ‘zwakbegaafd’ − versterkt in mijn ogen het negatieve beeld van een rangorde van zwak naar sterk. Ook het opleidingsniveau is niet bepalend (‘lager opgeleid’), want er zijn vele toppers in de samenleving die de kans niet hebben gehad om een hogere opleiding te volgen.

‘Laagbegaafd’ is voor mij een positionering tegenover ‘hoog­ begaafd’; het zegt eigenlijk nog niets over de persoon, behal­ ve dat sprake is van een lager cognitief vermogen. Dat de mensen die dit betreft een heleboel aandacht nodig heb­ ben om optimaal te kunnen deelnemen in onze samen­ leving, is de kern van dit boek. Iedereen zou voor ogen moeten houden dat met een term als ‘laagbegaafd’ nog niets over de persoon is gezegd. Die term is echter al stig­ matiserend. Daar worstelt de praktijk al een tijdje mee.

Iedereen zou voor ogen moeten houden dat met een term als ‘laagbegaafd’ nog niets over de persoon is gezegd.

Het is heel belangrijk om geen enkel waardeoordeel te geven over welke groep dan ook. Niet over topsporters, niet over jongens of meisjes, niet over hoog­ begaafden en dus ook niet over laagbegaafden. Over jongens en meisjes (en de verschillen ertussen) zijn wel wat boeiende zaken te zeggen, daar komen we later in het boek op terug. Toch benaderen we daarnaast de groep als geheel. Het is natuurlijk niet in één groep te vatten, behalve wat algemene kenmer­ ken. De berekening van het algemene IQ is gebaseerd op een optel- en deelsom van alle uitkomsten. Alles bij elkaar genomen en dan gemiddeld – waarbij die twee verschillende groepen eigenlijk niet gemiddeld kunnen worden, omdat het zulke belangrijke verschillen kunnen zijn (zie hoofdstuk 2). Zo krijg je een mooie intelligentiecurve en dus een groepering van gemiddeld, boven- en on­ dergemiddeld. De persoon achter elke beschrijving kan echter totaal verschil­ len van de algemene omschrijvingen.

16 |

Inleiding

Ben jij bezig met de zorg voor deze talenten? Dan is dit boek bedoeld voor jou. Het zou zomaar eens kunnen zijn dat jij degene bent die het onderscheid maakt, de bepalende factor waardoor een jongere zich verder en beter ontwik­ kelt. Jij bent die factor ‘iets of iemand die het verschil kan maken’. Met z’n allen kunnen we de puzzelstukjes bij elkaar leggen en hopelijk voor iedere jongere een zo optimaal mogelijke ontwikkelingsomgeving creëren!

Wie was jouw Factor i? Of wat? Beschrijf wat jou heeft geholpen in je ontwik- kelingsjaren en waarom.

Leren in de praktijk als leren waarderen? ‘Steeds als het over laagopgeleiden gaat, laten we jongeren zien die met hun han- den werken. Het pure vakmanschap zien we daarmee als laagopgeleid. Uit eigen ervaring weet ik dat het leren van een vak naast een theoretische basis ook vele jaren ervaring vereist. Een goede loodgieter, elektricien of automonteur heeft na een basisopleiding heel veel jaren opleiding in de praktijk nodig om zich het vak eigen te maken. Maar blijkbaar willen we leren in de praktijk niet als leren waarderen. Zolang we vakmanschap als laagopgeleid blijven duiden en belonen, zal het moeilijk blijven jongeren te vinden die vakman of vakvrouw willen worden: ze willen niet laag zijn. Veranderingen beginnen vaak met het veranderen van het taalgebruik. Laten we gaan spreken over theoretisch opgeleide en praktijkopgeleide mensen.’ Bron: Wiggerts, 2016

Heb jij een betere term, een andere benaming? Hoe zou jij de groep omschrij- ven over wie dit boek gaat?

Excelleren, niet alleen voor toptalent In onze samenleving wordt talent vaak gelijkgesteld aan hogere intelligentie, maar dat is niet terecht. Want hoe zijn al die topsporters aan de top van hun talentontwikkeling gekomen? Zijn zij allemaal hoogbegaafd? Welnee, zij zijn excellent ! Een excellent iemand is ergens uitmuntend, uitstekend in. Het is top­ sporters gelukt om heel sterk te excelleren, voor ogen te houden waar hun kwa­ liteiten liggen en daarin nóg beter te worden. Dat kan ook voor de veel grotere groep laagbegaafden. Dezelfde ingrediënten zijn van belang om hen zo goed mogelijk op weg te helpen hun eigen kwaliteiten en talenten te ontwikkelen.

| 17

Talentbegeleiding bij laagbegaafde jongeren

Beschrijf wat er in jouw leven anders had kunnen verlopen waardoor jij nóg meer uit je talent had kunnen halen.

De vliegwielconstructie Met de inzichten van wat de Factor i kan zijn, kunnen we bereiken dat laagbe­ gaafden hun eigen talenten zo goed mogelijk leren benutten. Met maar een paar dingen in je achterhoofd kun jij deze jongeren nog beter voorbereiden op hun eigen plek in het leven. In vele schrijnende praktijkvoorbeelden wordt duidelijk dat deze groep het niet automatisch zelf redt en dus hulp nodig heeft. Denk aan moeite om met geld om te gaan, geen motivatie hebben om naar school te gaan, niet weten hoe ‘gezond leven’ werkt, de adaptieve vaardigheden die deels of geheel ontbreken. Denk even terug aan programma’s als Dreamschool en Schuldig (beide NPO), waarin een aantal deelnemers ‘laagbegaafd’ was. Op de website bij dit boek vind je links naar deze programma’s. Een vliegwielconstructie wil zoveel zeggen dat als je aan één radartje draait, er gelijk meerdere radartjes gaan draaien. Het één versterkt het ander. Met één beweging komt er dus meer in werking, zowel in positieve als negatieve zin. Dit geldt ook voor laagbegaafde jongeren: in positieve, maar helaas ook vaak in negatieve zin. Opbouw van het boek Het boek bestaat uit drie delen. Om te kunnen kijken naar een totaalbeeld om de laagbegaafde jongere te ondersteunen, is een opbouw gemaakt van drie delen. Deel I bestaat uit losse kernelementen waarmee je rekening moet houden om goed te kunnen ondersteunen. Denk aan factoren als talentontwikkeling, in­ telligentie en leren. Met deze generalistische kennis weet je hoe dit voor ieder mens werkt, hoe dit zich bij iedere jongere ontwikkelt en hoe dit voor een laag­ begaafde jongere werkt. Deel II gaat over de laagbegaafde jongere zelf. Hoe ontwikkelt een jongere zich en wat zijn bepalende factoren in de ontwikkeling? Persoonlijkheid , iden- titeit en zelfbeeld zijn zaken die voor iedereen uniek zijn. Iedere jongere gaat Heb je ooit in je eigen leven te maken gehad met een ‘vliegwielconstructie’? Wat gebeurde er en hoe werkte het voor jou?

18 |

Inleiding

door deze ontwikkelingen heen, maar de uitkomst varieert. Het is goed om hier kennis van te hebben en die mee te nemen in de begeleiding van de jongere. Tot slot kun je het derde deel zien als een heel brede cirkel om de jongere heen. Er zijn namelijk zoveel verschillende factoren die invloed hebben op de (optimale) ontwikkeling van jongeren, dat het onmogelijk is om alle invloeden weer te geven. We geven de meest basale factoren, wetend dat voor iedere jon­ gere misschien nog wel een klein, specifiek stukje ontbreekt.

talentontwikkeling intelligentie het leren

Deel I

puberteit persoonlijkheid

Deel II

identiteit moraliteit zelfbeeld

gezin werk en inkomen gezondheid ondersteuning

Deel III

omgeving onderwijs peergroup

Wel kunnen we voor laagbegaafde jongeren stellen dat een aantal factoren gro­ te invloed hebben: vriendschappen, woonomgeving, werk en inkomen, gezond­ heid … Deze omgevingsfactoren bepalen voor een deel de kans op het (mis)-lukken van de optimale ontwikkeling en dus is het goed om dit mee te nemen in jouw beeldvorming en de gekozen ondersteuning. Als jij als begeleider meer weet over de mogelijkheden van de jongere, het beeld van de ontwikkeling kent en weet welke beschermende (ook wel protectieve genoemd) factoren en risi­ cofactoren er allemaal zijn, is het mogelijk om gericht te ondersteunen. In het laatste hoofdstuk stellen we de Factor i centraal. Welke onderdelen kun jij beïn­ vloeden, wat werkt het best in jouw situatie of voor jouw jongere?

| 19

Talentbegeleiding bij laagbegaafde jongeren

Welke factoren spelen een rol voor de laagbegaafde jongeren met wie je werkt? En hoe kun jij hen nog beter begeleiden?

Simon was even vergeten dat hij niet een gróép voor zich heeft, maar twin- tig individuen. Iedere jongere heeft een andere benadering nodig. Van twaalf van hen weet hij de benadering zo te benoemen. Nu moet hij gaan zoeken naar manieren om ook de laatste acht in beweging te krijgen. Hij wil ontdekken wat voor hen de Factor i zou kunnen zijn.

20 |

Deel I

In dit deel beschrijven we ‘ontwikkeling’ in het algemeen. Er is een opzet gemaakt om een algemeen beeld te vormen van de jongere, zonder dat er iets over niveaus wordt geschreven. Het vormt enkel een theoretisch deel als referentiekader. Zo is er altijd sprake van een bepaald geslacht en een bepaalde huidskleur. Dit zijn vaststaande feiten die niet (of niet makkelijk) veranderd kunnen worden. In dit boek wordt geen onderscheid gemaakt tussen de benadering van jongens en meisjes, tenzij dit expliciet wordt benoemd. We geven wel inzicht in andere kenmerken die grote verschillen tussen mensen kunnen opleveren. Iedereen wordt geboren met eigen talenten en kwaliteiten (hoofdstuk 1). Welke talenten en kwaliteiten zijn dit? Is dit voor iedereen verschillend? Wat is het verschil tussen talenten en kwaliteiten? Ook intelligentie (hoofdstuk 2) is een redelijk vaststaand gegeven. Wat is intelligentie? Hoe wordt dit gemeten? Welke niveaus worden beschreven? En zijn er verschillende soorten intelligentie om rekening mee te houden? In hoofdstuk 3 wordt een algemene beschrijving gegeven van ‘leren’. Over leren en de optimale inzet en mogelijkheden hiervan is veel geschreven. We bespreken hoe ‘leren’ zich in het algemeen ontwikkelt en hoe je de specifieke laagbegaafde jongere kunt helpen zich zo goed mogelijk te ont- wikkelen. Een heel belangrijke basis voor de moderne tijd is de noodzaak om je te blijven ontwikkelen, om te blijven leren. Dit ‘leven lang leren’ is een belangrijke voorwaarde om mee te kunnen doen in de samenleving, maar hoe werkt dit voor laagbegaafde jongeren? Dit laatste komt ook in de latere hoofdstukken nog ter sprake.

1 Talentontwikkeling en kwaliteiten

DEEL I

Charmaine danst: ‘Oya lele, oya lele, ik voel me plots’ling zo oya lele!’ Haar vriendinnetjes kunnen net iets beter meedansen op de muziek van K3, maar Charmaine draait en oefent: ’s morgens op haar kamer, voor het naar bed gaan, in de keuken, bij oma … En telkens kijkt ze, oefent ze en probeert ze wéér zo dicht bij die dans te komen, maar het is zo moeilijk om het ook zo goed te kunnen … We willen allemaal het beste uit onszelf halen. Ieder kind heeft bij de geboorte kwaliteiten en persoonlijke talenten meegekregen. In dit hoofdstuk omschrij­ ven we talenten en kwaliteiten vanuit het uitgangspunt dat íédereen, ook laag­ begaafden, talenten en kwaliteiten heeft.

1.1 Talenten

ta·lent (het; o; meervoud: talenten): 1 (Bijbel) bep. gewicht aan goud of zilver; 2 natuurlijke begaafdheid; aanleg 3 iem. met veel aanleg

Iedereen krijgt een ‘eigen setje talenten’ om te gebruiken in zijn eigen leven. Een mooie

gedachte om mee te werken: ieder mens heeft talenten en kwaliteiten en is van waarde. De uitdaging is om die kwaliteiten zo goed mogelijk te gebruiken. Het versterken van vaardigheden leidt tot meer zelfwaardering, een positie­ ver gevoel en meer veerkracht om met tegenslag om te gaan. Talent, kwaliteit of begaafdheid: in de komende paragrafen volgt een verdere uitleg van het ver­ schil.

Emeritus hoogleraar orthopedagogiek Luc Stevens stelt:

‘Ieder mens is gebouwd om zichzelf te ontwikkelen en heeft een natuurlijke be- hoefte aan relatie, autonomie en competentie. Als in voldoende mate is voldaan aan de behoefte aan relatie (anderen waarderen mij en willen met mij omgaan),

| 23

1 |  Talentontwikkeling en kwaliteiten

aan de behoefte aan autonomie (ik kan het zelf, hoewel niet altijd alleen) en aan de behoefte aan competentie (ik geloof en heb plezier in mijn eigen kunnen) is er wel- bevinden, motivatie, inzet en zin in leren. Wordt hier door opvoeders (ook leraren!) tekortgedaan, dan ontstaan voorspelbaar taakhoudings- en motivatieproblemen op school.’ Bron: www.hetkind.org Er is veel aandacht voor talentontwikkeling en dat is goed! Een talent is iets wat uniek is en goed bij de persoon past. Als je hiermee een ingang vindt om jouw kwaliteiten in te zetten en tot het hoogst haalbare te komen, sta je in je kracht. En dat willen we voor iedereen. Een topsporter begeleiden in zijn talent om ergens geweldig in te zijn (excelle­ ren) vraagt veel, maar het gaat om dezelfde principes als bij het stimuleren van kinderen om ergens je best voor te doen. Je wilt aanspreken op motivatie, door­ zettingsvermogen en het moet passen bij de persoon − ‘anders wordt het nooit wat!’ Dit geldt voor ieder kind en daarom kun je voor ieder kind een richtlijn bedenken om kwaliteitsontwikkeling te stimuleren.

Neem een van de jongeren met wie je werkt in gedachten. Waar ligt zijn talent?

1.2 Vele benamingen

Om helder te krijgen welke terminologie wij hanteren, geven we eerst een alge­ mene beschrijving. • Aanleg is iets wat van nature aanwezig is, dit zou ontwikkeld kunnen worden. • Geschiktheid is een hoedanigheid en kan ongeveer hetzelfde omschrijven, maar aanleg betreft de persoon terwijl geschiktheid een functie of een taak betreft. • Bekwaamheid sluit hierbij aan, maar gaat meer over vaardigheden. • Vatbaarheid veronderstelt dat je open zou moeten staan voor iets wat van buiten aangereikt wordt, terwijl gave of begaafdheid iets opvallends of bij­ zonders in iemand zelf is. • Talent is een op één punt toegespitste en doorontwikkelde begaafdheid. • Kwaliteit sluit aan bij begaafdheid, maar is meer toegespitst op karakterei­ genschappen.

Kun je het verschil omschrijven tussen jouw eigen aanleg, gaven en talenten?

24 |

1.2 |  Vele benamingen

DEEL I

Aanleg wordt gezien als ‘de potentie’; je wordt geboren met een set mogelijkhe­ den en door bepaalde kenmerken heb je ‘in aanleg’ de mogelijkheid om er iets specifieks mee te ontwikkelen. In aanleg kunnen Keniaanse mannen blijkbaar sneller lopen dan Europese mannen. Deze aanleg is fysiek bepaald maar niet automatisch gegarandeerd. Kwaliteiten zijn veelal beschrijvingen van de persoon die je bent; je bent geduldig, precies, vriendelijk of secuur. Talenten zijn vaardigheden, iets wat je goed kunt of waarin je uniek bent. Van talenten kun je bij wijze van spreken niet genoeg hebben, terwijl een teveel aan kwaliteiten wel degelijk mogelijk is; een muzikant als Robbie Williams of Adele benoem je niet snel als té talentvol, terwijl iemand die té geduldig is wellicht in zijn eigen ‘valkuil’ is gestapt en best wat minder had mogen tonen van zijn kwaliteit. Je kunt je talenten ontwikkelen door je kwaliteiten te gebruiken. Om nóg beter te worden in vioolspelen, moet je de kwaliteit doorzettingsvermogen goed kunnen inzetten.

Beschrijf welke kwaliteiten jij nodig hebt om je talenten te ontwikkelen.

| 25

1 |  Talentontwikkeling en kwaliteiten

1.3 Verschillende benaderingen van talent

Er zijn verschillende benaderingen van talent en de ontwikkeling ervan. Op verschillende manieren kan de ontwikkeling van begaafdheid worden gevolgd. Hierdoor is het ook mogelijk om op verschillende manieren naar talent te kij­ ken en jongeren hierin te ondersteunen. Dit biedt de ingang om zowel laag­ begaafden als hoogbegaafden te helpen hun talent optimaal te ontwikkelen. In deze paragraaf bespreken we achtereenvolgens het differentiatiemodel van Gagné, het ui-model van Korthagen en het Talentenkompas van Van der Sluis. 1.3.1 Differentiatiemodel Gagné Françoys Gagné ziet gaven als natuurlijke mogelijkheden of aanleg. Talent be­ staat uit ontwikkelde mogelijkheden of vaardigheden. Er is dus een ontwikkeling mogelijk van mogelijkheden naar talenten (SLO, 2017). De gaven bevinden zich in domeinen van menselijke aanleg: intellectueel, creatief, sociaal-emotioneel en sensomotorisch. De talenten bevinden zich in domeinen vanmenselijke activiteit: academisch, technisch, artistiek, interpersoonlijk en atletisch. Gagné (2000; SLO, 2017) brengt in zijn differentiatiemodel van begaafdheid en talent (DMGT) alle soorten aanleg respectievelijk talent onder in een van de genoemde domeinen.

Om je gaven om te zetten in talent zijn katalysatoren nodig

Persoonlijkheidsfactoren

• fysieke kenmerken • motivatie • doorzettingsvermogen

Domein van menselijke activiteit

• zelfmanagement • persoonlijkheid

Systematisch ontwikkelde vaardigheden

Domein van menselijke aanleg

Aanleg

• academisch • kunst • ondernemerschap • sociaal-economische vaardigheden • sport • technische vaardigheden

Ontwikkelingsproces Informeel/formeel leren en oefenen

• intelligentie • creativiteit • sociaal-emotioneel • sensomotorisch

Omgevingsfactoren

• milieu • personen

Toeval

• voorzieningen • gebeurtenissen

Figuur 1.1 Differentiatiemodel Gagné (DMGT)

26 |

1.3 |  Verschillende benaderingen van talent

Wat heeft jouw talent in de weg gestaan? En in welke van de factoren of domeinen zou je de oorzaak leggen?

1.3.2 Ui-model Korthagen Ook het ui-model van Fred Korthagen kan je helpen de talenten te onderschei­ den en dus te ontwikkelen. Om tot optimale talentontwikkeling te komen, moet de persoon alle lagen van de ui kunnen benoemen, tot in de kern van de overtuiging. Het oorspronkelijke model voor het functioneren en reflecte­ ren van leerkrachten kan zo gebruikt worden ten behoeve van talentontwikke­ ling, waarbij de diepere lagen van de ui zorgen voor een stabiele overtuiging en doorzettingsvermogen (SLO, 2017).

DEEL I

Wat kom je tegen? (Waar heb je mee te maken?)

omgeving

gedrag

Wat doe je?

Wat kun je?

competenties

overtuigingen

Waar geloof je in?

Hoe zie je je zelf? (Hoe zie jij je professionele rol?) Waar doe je het allemaal voor? (Op welk groter geheel voel jij je betrokken?)

identiteit

betrokken-

heid

Figuur 1.2 Ui-model Korthagen

| 27

1 |  Talentontwikkeling en kwaliteiten

Neem je groep voor ogen en beantwoord de vragen van het ui-model.

1.3.3 Talentenkompas Van der Sluis In het model van Van der Sluis ligt de nadruk op talentontwikkeling binnen bedrijven, voortkomend uit passie en een bepaalde persoonlijkheid van mede­ werkers. Talent is iets wat zich ontwikkelt in gedrag, vaardigheden, kennis en ervaring en wat bepaald wordt door wat je kunt en wat je wilt en door welke kansen je krijgt en durft te nemen (SLO, 2017).

ervaring

kunnen

durven

vaardig- heden

persoon- lijkheid

passie

gedrag

willen

mogen

kennis

Figuur 1.3 Talentenkompas Van der Sluis

Ook al gebruikt Van der Sluis dit model in de context van bedrijfsvoering, er kan wel degelijk een link worden gelegd naar talentontwikkeling in het alge­ meen. Met dit model kun je stellen dat talent niet alleen aanleg is, maar ook sterk is gekoppeld aan doorzettingsvermogen en persoonlijkheid. Daarom past dit model goed bij de benadering van talentontwikkeling voor laagbegaafden. Talent valt te ontwikkelen! Wat zou jij bij jezelf meer willen ontwikkelen als het gaat om doorzettings- vermogen of persoonlijkheid? Wat staat je daarbij in de weg? Kun je dit ook koppelen aan een laagbegaafde jongere uit je groep?

28 |

1.4 |  Hét handboek talentontwikkeling bestaat niet

1.3.4 Alles bij elkaar

‘Een coach die laat merken dat hij het soms ook niet weet, maakt het voor de spe- lers van een team makkelijker om hun twijfels te ventileren. Een coach die hamert op zijn gelijk, wordt steeds krampachtiger. Een goede coach is alleen autoritair wan- neer het moet. Op andere momenten wil hij graag inspraak van het team. Alleen wie openlijk durft te twijfelen, kan verbeteren.’ Dit is volgens sportpsycholoog en mental coach Rico Schuijers een van de wetma- tigheden in coaching die zowel op de sportwereld als op leidinggevende mana- gers in het bedrijfsleven van toepassing is […]. De sportpsychologie bestudeert de mentale voorwaarden en processen voor het leveren van prestaties. De sportpsy- choloog/coach hoeft zijn grenzen echter niet af te bakenen tot alleen stadion en trainingsveld. ‘Dat je het beste uit mensen kunt halen, is inmiddels bewezen in de sport, maar ook mensen in het bedrijfsleven kunnen gebruikmaken van ervaringen in de sport.’ Bron: www.pro-task.nl Onze doelgroep verschilt eigenlijk niet veel van jou of van de topsporter. Voor ieder kind kun je op zoek gaan naar de persoonlijke kwaliteiten en de uitdaging om deze talenten te stimuleren en verder te ontwikkelen. Om het zoeken naar kwaliteiten en talentstimulering verder uit te werken, kijken we naar wat ‘talent’ is en hoe je persoonlijke kwaliteit kunt bevorderen. Als je dit weet, kun je ieder kind in je groep aanspreken op zijn talent.

DEEL I

Welk model spreekt je het meest aan? En past dit ook het best bij de uitda- gingen waarmee je in je werk te maken hebt?

1.4 Hét handboek talentontwikkeling bestaat niet

De rol van onderwijs en begeleiding bij talentontwikkeling is zeer groot; het persoonlijk excelleren zal moeten worden ondersteund door deskundige bege­ leiders. Met een informatiepunt als www.talentstimuleren.nl (SLO, 2017) kan de docent, maar ook de begeleider, op zoek gaan naar passende ondersteuning om talent te stimuleren. Toch bestaat er niet één aanpak. Je kunt globaal wel een aantal zaken noemen die de grootste gemene deler van talentontwikkeling benaderen.

| 29

1 |  Talentontwikkeling en kwaliteiten

De ontwikkeling van talenten gebeurt onder andere door: • goed te kijken hoe iets moet; • te snappen wat de jongere doet en waarom; • erkend te worden in je goede intenties om het goed te doen; • motivatie en doorzettingsvermogen.

Daarnaast spelen enkele zeer persoonlijke factoren zoals karakter en zelfbeeld een rol, waardoor een talent zich beter of juist minder goed ontwikkelt. Vanaf 2013 heeft staatssecretaris Sander Dekker veel geld uitgegeven aan top­ talentontwikkeling. De aandacht die uitgaat naar het belang van excelleren on­ derschrijven we allemaal. Hoe kun je het talent dat in potentie aanwezig is ten volle tot wasdom laten komen? Inmiddels zijn de eerste bevin­ dingen van het stimuleringsbeleid al teruggekoppeld naar de Tweede Kamer, maar het blijft noodzakelijk om talent te stimuleren (Dekker, 2016). We moeten weg van de benadering van onderwijs als industrieel proces, waarbij de gemiddelde leerling de norm bepaalt en iedereen hetzelfde programma door­ loopt. In plaats daarvan moeten we uitgaan van de individuele behoeften en capaciteiten van kinderen en in de klas meer recht doen aan de verschillen tussen leerlingen (Dekker, 2013). Scholen krijgen de opdracht om talent te stimuleren. Dat gebeurt bijvoor­ beeld via initiatieven als de Plusklassen in basis- en voortgezet onderwijs en het Leonardo-onderwijs, waarmee hoogbegaafden de ruimte krijgen zich zo optimaal mogelijk te ontwikkelen. Bij veel jongeren, en zeker de groep laagbegaafde jongeren, worden de ta­ lenten niet herkend − en daarmee erkend −, omdat een bepaalde invloed de talenten overschaduwt. Gedrag, omgeving, taal … Het is de uitdaging om bij ieder kind en zeker de laagbegaafde jongere te blijven zoeken naar ingangen om talenten en kwaliteiten tot uiting te laten komen (Dekker, 2016).

Hoe kun je het talent dat in potentie aanwezig is ten volle tot wasdom laten komen?

Welke verschillende talenten kun je onderscheiden in jouw groep?

1.4.1 De zeester van Tannenbaum In de jaren tachtig van de vorige eeuw heeft de Amerikaanse wetenschapper Abraham Tannenbaum een vijftal elementen (zeesterarmen) benoemd die van invloed zijn bij excellentie en talentontwikkeling:

30 |

1.5 |  Talentontwikkeling bij laagbegaafde jongeren

• algemene vaardigheden, gelinkt aan algemene intelligentie (IQ); • specifieke vaardigheden, gelinkt aan een specifiek domein of gebied (een talentgebied); • niet-intellectuele voorwaarden, zoals zelfvertrouwen of motivatie; • steun vanuit de omgeving (vrienden, familie, sportclub of religieuze ge­ meenschap); • toeval en onvoorspelbare voorvallen (‘op het juiste moment de juiste men­ sen tegenkomen’) (Nelis & Van Sark, 2015). De genoemde elementen en het ontwikkelen ervan zijn misschien op het eerste punt na ook haalbaar voor onze doelgroep. De benadering van Tannenbaum geeft ruimte aan de gedachte dat talent niet alleen samenhangt met cognitie of één enkele vaardigheid, maar dat de vijf armen er allemaal toe doen.

DEEL I

Welke elementen van de zeester van Tannenbaum kun je toevoegen aan je lijstje van talenten in je groep? Zijn die helpend of storend?

Op de website van het Da Vinci College (Dordrecht en omgeving) vind je de vol- gende tekst:

‘Wij geloven dat we jou en de werkgevers in de regio persoonlijk moeten kennen om jouw talenten optimaal tot bloei te laten komen. Daarom werken we intensief samen met het bedrijfsleven, ondersteunen we jouw ambities en bieden we je pro- fessionele en persoonlijke begeleiding. Vanzelfsprekend gebeurt dit binnen een uit- dagende en tegelijkertijd veilige leeromgeving. Zo halen we meer jij uit jou en heb je een leuke en leerzame tijd op het Da Vinci College én daarna ook de beste kansen op een carrière die bij je past.’ Bron: www.davinci.nl

Hét handboek om bij iedereen talent te ontwikkelen bestaat dus nog niet, maar je hebt nu wel meerdere handvatten en ingangen om jongeren te helpen hun talenten te ontwikkelen.

1.5 Talentontwikkeling bij laagbegaafde jongeren

Laagbegaafde jongeren hebben ook talenten, daar is geen twijfel over! Met be­ hulp van de inzichten rondom talentontwikkeling kun je deze jongeren stimu­ leren in datgene waarin ze goed zijn. Zijn het voetballertjes? Zijn ze zorgzaam?

| 31

1 |  Talentontwikkeling en kwaliteiten

Gedreven om iets te bereiken? Willen ze graag helpen? Kijken ze graag eerst even toe voordat ze beginnen? Zorg voor de Factor i voor deze jongeren: kijk wat ze nodig hebben om zich nog verder te ontwikkelen, om in hun kracht te gaan staan en te groeien. Stimuleer ze. Herken, erken en benoem hun kwaliteiten, zodat zij zich net als alle anderen in jouw groep gezien voelen. Dat motiveert ze om hun kwaliteiten nog verder uit te bouwen. Kwaliteiten (en dus kansen) bij laagbegaafde jongeren zijn bijvoorbeeld: • zorgzaam : het sociale vermogen is vaak sterker ontwikkeld bij deze groep. Kinderen willen graag helpen en zijn sociaal bewogen; • praktisch ingesteld (‘Wat zijn ogen zien, kunnen zijn handen maken.’): deze kwaliteit krijgt zoals gezegd helaas vaak een negatieve lading. Maar het is heel knap om iets na te maken zonder de theoretische werking te kennen. • herhaling is geen probleem : juist omdat het zo voorspelbaar is, is het niet eng of moeilijk; de uitdaging van verandering is niet aanwezig, maar het mooi namaken, het voor de zoveelste keer keurig doen, zonder moeite opdrach­ ten herhalen of elke dag dezelfde handelingen uitvoeren; • doorzettingsvermogen : om iets te bereiken, moet inspanning worden ge­ leverd. Voor veel laagbegaafde jongeren kost meekomen bovengemiddeld veel moeite, dus zijn ze al gewend om iets lang vol te houden of nog een keer te proberen. De beloning dat het eindelijk lukt, maakt dat de energie een volgende keer opnieuw geleverd kan worden. ‘Beter en leuker gaan niet vanzelf samen. Het past in onze cultuur om te denken dat het wel zo werkt. Als het gezellig is, thuis en op school, als iedereen lekker bezig is en “goed in zijn vel zit” en stappen zet als hij “eraan toe” is, dan komt het vanzelf goed. Maar dat is niet zo. Wie ergens goed in wil zijn, moet zich bovenmatig inspannen.’ Bron: Truijens, 2016

Had je deze kwaliteitskenmerken bij de vorige opdracht al meegenomen? Kun je ze invullen bij de jongeren met wie je werkt?

32 |

1.6 |  Tot slot

1.6 Tot slot

Ieder mens is uniek en heeft talenten en kwaliteiten. En iedereen moet zijn best doen om die talenten en kwaliteiten zo goed mogelijk te ontwikkelen. Kwali­ teiten kunnen ondersteunen bij het ontwikkelen van persoonlijke talenten. Een talent is, in onze benadering, een uitgewerkte persoonlijke vaardigheid waarin iemand uitzonderlijk is. Iets waarin je heel goed bent en waarin je je onderscheidt van anderen, maar waarvoor je ook hard moet werken. Een talent is dus te ont­ wikkelen, en het is door iederéén te ontwikkelen. Dit is niet al­ leen voorbehouden aan hoogbegaafde mensen of topsporters. In dit boek zoeken we naar zo veel mogelijk ingangen om bij de laagbegaafde jongere te komen, om hem te stimuleren zijn talenten te ontwikkelen. Er zijn veel trainingen en publicaties die zich richten op talentontwikkeling (Nelis & Van Sark, 2015), maar hierin worden meestal niet alle omgevingsfactoren mee­ genomen. Bovendien zijn ze niet gericht op de doelgroep van dit boek, de laag­ begaafde jongere. Helaas … Er zijn gelukkig veel inzichten te gebruiken die je uit die trainingen en publicaties kunt halen om de kwaliteiten verder te ontwik­ kelen of om belemmeringen te beperken. Bij jezelf of bij een ander. We begonnen dit hoofdstuk met het voorbeeld van Charmaine, een klein meis­ je dat net als zoveel andere kinderen ‘erbij wil horen’. Juist om die basisbehoefte bevredigd te krijgen, zie je soms al bepaalde kwaliteiten naar boven drijven. Charmaine is heel goed in doorzetten en houdt vast aan het vertrouwen dat zij het ook kan. Ze is ook een goede observator: ze ziet wat de andere meisjes doen, probeert dat na te doen en merkt dat ze het nog niet zo goed doet als de anderen. Zelf ervaart ze misschien wel heel snel of iets gelukt is of niet, of ze ge­ lijk is aan de anderen … Allemaal kwaliteiten die ook Charmaine zouden kun­ nen helpen bij het ontwikkelen van talent. Dus ja, ook Charmaine is een talent! Het is aan ons om de kwaliteiten van laagbegaafde jongeren te onderkennen en ze te helpen die op de juiste manier te ontwikkelen. ‘Oya lele.’ De juf ziet Charmaine weer liedjes zingen. Ze hoort het ook, heel zachtjes. Het meisje heeft gevoel voor ritme en daarvan kan de juf mooi gebruikmaken bij het leren van de tafels. ‘Klap maar mee in het ritme.’ Als ze naar haar toe loopt, hoort ze het beter en ze glimlacht. ‘Oya lele, oya lele, 9 × 3, ik voel me plots’ling zo oya lele, 9 × 3 is 27…’ Charmaine heeft het ritme gevonden. Van haar muziek, die feilloos past op haar sommen. Plot- seling heeft Charmaine de structuur van het tafels leren gevoeld.

DEEL I

Een talent is dus te

ontwikkelen, en het is door iederéén te ontwikkelen.

| 33

Made with FlippingBook HTML5