Mechtild Höing • Janine Janssen • Anne Boer • Malou Liebregts - Bespreekbaar maken van seksualiteit en intimiteit

Bespreekbaar maken van seksualiteit en intimiteit Handboek voor professionals in zorg en welzijn

Mechtild Höing . Janine Janssen . Anne Boer . Malou Liebregts (red.)

u i t g e v e r ij

c

c o u t i n h o

Bespreekbaar maken van seksualiteit en intimiteit

Bespreekbaar maken van seksualiteit en intimiteit

Handboek voor professionals in zorg en welzijn

Redactie: Mechtild Höing • Janine Janssen • Anne Boer • Malou Liebregts

c u i t g e v e r ij

c o u t i n h o

bussum 2017

www.coutinho.nl/seksualiteit Je kunt aan de slag met het online studiemateriaal bij dit boek. Dit materiaal bestaat uit vragen en opdrachten en tips voor aanvullende informatie.

© 2017 Uitgeverij Coutinho bv Alle rechten voorbehouden.

Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door foto- kopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van reprografische verveelvoudigingen uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16h Auteurswet 1912 dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130 KB Hoofddorp, www.reprorecht.nl). Voor het overnemen van (een) gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezin- gen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie, Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.stichting-pro.nl).

Uitgeverij Coutinho Postbus 333 1400 AH Bussum info@coutinho.nl www.coutinho.nl

Omslag: Buro Brouns, Utrecht Binnenwerk: Coco Bookmedia, Amersfoort

Noot van de uitgever Wij hebben alle moeite gedaan om rechthebbenden van copyright te achterhalen. Personen of instanties die aanspraak maken op bepaalde rechten, wordt vriendelijk verzocht contact op te nemen met de uitgever. De personen op de foto’s komen niet in de tekst voor en hebben geen relatie met hetgeen in de tekst wordt beschreven.

ISBN 978 90 469 0583 8 NUR 752

Voorwoord

Voorwoord De gewoonste zaak van de wereld

Alweer een handboek over seksualiteit? Toen de initiatiefnemers van dit boek ver- schillende collega’s van Rutgers vroegen om mee te schrijven, vroeg ik naar de meer- waarde. Want waren er niet al diverse handboeken verschenen, en wat zal dit nieuwe boek hieraan toevoegen? Het antwoord daarop was meer dan overtuigend: seksuali- teit in het sociale domein wordt steeds belangrijker en (aankomende) professionals hebben een passend steuntje in de rug nodig om hiermee om te gaan. Als we iets nodig hebben is dit het: professionals die het de gewoonste zaak van de wereld vinden dat seksualiteit en intimiteit aandachtspunten zijn in hun werk. Seks raakt ons allemaal, het is een privézaak, omgeven met eigen keuzes, gevoelig- heden en soms ook taboes. Het is belangrijk om te leren hoe je daar als professional in kunt handelen: objectief, open en met gevoel voor de persoonlijke waarde van het thema voor de cliënt. Het helpt enorm om dan te weten wat een normale seksuele ontwikkeling is, wat gangbare adviezen zijn, en hoe ver je kan en mag gaan vanuit de instelling waar je werkt of de wetten en regels die we in Nederland met elkaar hebben afgesproken. Als aankomend professional speel je een belangrijke rol in het welbevinden van de jongeren, de mensen met een beperking of de ouderen waar je voor zorgt. Meer over seksualiteit leren maakt dat je kunt handelen. Zo kun je jongeren of ouderen helpen door seksualiteit open tegemoet te treden, door aandacht te hebben voor het plezier in seks en intimiteit en door ondersteuning te bieden waardoor problemen op het gebied van seks zo veel mogelijk voorkomen worden. Zo kun je de kwaliteit van leven van de mensen voor wie je zorgt vergroten en – heel belangrijk – ze beschermen tegen het opdoen of het veroorzaken van vervelende ervaringen. Dit boek bevat een rijke verzameling van kennis. Tientallen auteurs hebben kun ken- nis uit de wetenschap en praktijk samengebracht in prachtige, leesbare hoofdstuk- ken. Het thema seksualiteit en intimiteit wordt zo behandeld dat je er in de dagelijkse praktijk mee uit de voeten kunt, of je nu met kinderen of pubers werkt, met slacht- offers of met (potentiële) daders, met volwassenen met een beperking of met ouderen. Soms gaat het over ruimte bieden, soms over grenzen stellen. Met goede informa- tie, handige tips en tricks en voorbeelden om mee te oefenen zul je merken dat het

5

helemaal niet zo’n lastig onderwerp is en dat het vaak ook heel leuk is om hierover gesprekken aan te gaan.

Kortom: wat fijn dat dit handboek er is! Hopelijk biedt het jou als (aankomend) professional dat steuntje in de rug waarvoor het bedoeld is en breng je binnenkort het geleerde in de praktijk. Daarmee zullen vele cliënten in het sociale domein hun voordeel gaan doen. Seksualiteit en intimiteit als onlosmakelijk onderdeel van goede sociale zorg: binnenkort de gewoonste zaak van de wereld.

Paulien van Haastrecht Manager Nationale Programma’s Rutgers

6

Inhoud

Inhoud

Inleiding

17

Deel 1 Seksualiteit als thema in het maatschappelijke domein

21

Inleiding

23

1

De seksuele levensloop

27

Hanneke de Graaf en Ineke Mouthaan

1.1 1.2 1.3

Inleiding

28 28 30 30 30 31 32 32 33 34 35 35 36 36 36 37 37 37 38 38 38

Uitgangspunten van het levensloopperspectief

Veelvoorkomende ontwikkelingen in verschillende levensfasen

1.3.1 1.3.2 1.3.3 1.3.4 1.3.5 1.3.6 1.3.7 1.3.8 1.3.9

Vroege kindertijd (0 tot en met 5 jaar) Late kindertijd (6 tot en met 11 jaar) Vroege adolescentie (12 tot en met 14 jaar) Midden-adolescentie (15 tot en met 18 jaar) Late adolescentie (19 tot en met 24 jaar) Volwassenheid (25 tot en met 39 jaar)

Midlife (40 tot en met 54 jaar)

Derde levensfase (55 tot en met 74 jaar) Vierde levensfase (75 jaar en ouder)

1.4

De rol van de professional

1.4.1

Professionals die met kinderen werken

1.4.2 Professionals die met jongeren werken

1.4.3

Professionals die met volwassenen werken

1.4.4 Professionals die met ouderen werken

1.4.5

Professionele kaders

1.5

Institutionele en juridische kaders

1.5.1 1.5.2

Institutionele kaders Juridische kaders

7

Inhoud

2

Seksuele gezondheid

41

Mechtild Höing

2.1 2.2

Inleiding

41 42 42 44 47 49 50 52 53 53 55 58 58 58 59 60 63 63 63 65 65 66 57

Wetenschappelijk kader

2.2.1

De seksuele-responscyclus

2.2.2 Een biopsychosociaal model van seksualiteit

2.2.3 Seksuele problemen

2.2.4 Gezondheidsproblemen door seksualiteit 2.2.5 De relatie tussen seksualiteit en gezondheid

2.3 2.4

De rol van de professional

Institutionele en juridische kaders 2.4.1 Institutionele kaders

2.4.2 Juridische kaders

3

Seksualiteit in de multiculturele samenleving

Janine Janssen, Mustapha Aoulad Hadj en Hans Bentvelzen

3.1 3.2

Inleiding

Seksualiteit en cultuur

3.2.1

Nederland is een multiculturele samenleving

3.2.2 Invloed van cultuur op seksualiteit: Sexual Scripting Theory

3.2.3 Voorbeelden van culturele verschillen

3.3

De rol van de professional

3.3.1

Andere doelen of andere stappen?

3.3.2 Tips voor het verzamelen van informatie

3.4

Institutionele en juridische kaders 3.4.1 Institutionele kaders

3.4.2 Juridische kaders

4

Seksueel grensoverschrijdend gedrag

69

Mechtild Höing en Janine Janssen

4.1 4.2 4.3

Inleiding Definities

70 70 72 73 75 77 78

Veelvoorkomende vormen van SGG

4.3.1

SGG jegens kinderen en jongeren

4.3.2 SGG jegens volwassenen

4.3.3 SGG via internet

4.4

Gevolgen van SGG

8

Inhoud

4.5

De rol van de professional

79 80 80 80 80

4.5.1

Contexten

4.5.2 Professionele kaders

4.6

Institutionele en juridische kaders

4.6.1

Institutionele kaders

4.6.2 Juridische kaders

81

5

Seksualiteit en de professional Leanne van Eijk en Annelies Kuyper

85

5.1 5.2

Inleiding

86 86 86 88 89 90 91 93 95 97

Wetenschappelijk kader

5.2.1

Wat weten we over de cliënt?

5.2.2 Wat weten we over de professional?

5.3

De rol van de professional

5.3.1

Omgaan met waarden en normen

5.3.2 Het voeren van gesprekken over seksualiteit

5.3.3 Specifieke gespreksvaardigheden

5.3.4 Gesprekssituaties 5.3.5 Gespreksmodellen

5.4

Professioneel kader

100

5.4.1

Algemene beroepscompetentie van de hulpverlener ten aanzien van seksualiteit

100 100 101 101 103

5.4.2 Professionele houding en afstand Institutionele en juridische kaders

5.5

5.5.1

Institutionele kaders

5.5.2 Juridische kaders

Deel 2 Werken met jeugdigen

105

Inleiding

107

6

Werken met jonge kinderen

111

Feemke Schutten en Ineke van der Vlugt

6.1 6.2

Inleiding

112 112 113 115 116 118 119

Seksuele ontwikkeling van het jonge kind

6.2.1

Kinderen van 0 tot 6 jaar

6.2.2 Kinderen van 6 tot 12 jaar 6.2.3 Seksuele problematiek

6.3

De rol van de professional

6.3.1

(Voor)school, opvang en dagopvang

9

Inhoud

6.3.2 Psychosociale begeleiding (MKD, jeugdzorg)

119 120 122 122 124

6.3.3 Opgaven voor jeugdwerkers Institutionele en juridische kaders

6.4

6.4.1 Institutionele kaders 6.4.2 Juridische kaders

7

Werken met pubers en adolescenten

127

Ineke van der Vlugt

7.1 7.2

Inleiding

128

Een wetenschappelijke blik op seksualiteit bij pubers en adolescenten

128 128 129 130 131 132 132 133 135 136 137 137 138 144 145 145 150 152 154 156 156 157 160 160 162 143

7.2.1 7.2.2 7.2.3

Seksuele ontwikkeling

Seksuele problemen en risico’s

Risicogroepen

7.2.4 Beïnvloedende factoren

7.3

De rol van de professional

7.3.1

Seksualiteit en aandachtspunten in opvoeding en ondersteuning

7.3.2 7.3.3

Verschillende contexten

Belemmeringen en behoeften van de professional

7.3.4 Belemmeringen en behoeften van jongeren zelf

7.4

Institutionele en juridische kaders

7.4.1

Institutionele kaders

7.4.2 Juridische kaders

8

Werken met kwetsbare jongeren

Willy van Berlo en Welmoed Visser-Korevaar

8.1 8.2

Inleiding

Wetenschappelijk kader

8.2.1

Jongeren met een verstandelijke beperking

8.2.2 Jongeren met een lichamelijke beperking 8.2.3 Jongeren met een zintuiglijke beperking 8.2.4 Jongeren met psychosociale problemen

8.3

De rol van de professional

8.3.1

Benodigde competenties van de professional

8.3.2 Taken van de professional Institutionele en juridische kaders 8.4.1 Institutionele kaders

8.4

8.4.2 Juridische kaders

10

Inhoud

9 Werken met jeugdigen die zedendelicten hebben gepleegd

165

Jan Hendriks en Marianne Jonker

9.1 9.2

Inleiding

166 167

Wetenschappelijk kader

9.2.1

Hoe vaak komt seksueel grensoverschrijdend gedrag onder jongeren voor?

167 168

9.2.2 Subgroepen zedendaders

9.2.3 Hoe komt het dat jongens seksueel grensoverschrijdend gedrag vertonen?

169 171 172 172 173 176 177 177 178

9.2.4 Omvang recidive De rol van de professional

9.3

9.3.1

Risico-inschatting

9.3.2 Effectieve aanpak

9.3.3 Werken met de doelgroep Institutionele en juridische kaders 9.4.1 Institutionele kaders

9.4

9.4.2 Juridische kaders

10 Werken met jeugdige slachtoffers van seksueel misbruik

181

Leanne van Eijk en Evie Heinrichs

10.1 10.2 10.3

Inleiding

182 182

Definitie en kenmerken van seksueel misbruik Factoren die de kans op seksueel misbruik vergroten: risicofactoren 10.3.1 Risicofactoren voor seksueel misbruik binnen gezinnen 10.3.2 Risicofactoren voor seksueel misbruik buiten het gezin 184 10.3.3 Risicofactoren voor seksueel misbruik binnen instellingen 185 183 183

10.4 10.5

Gevolgen van seksueel misbruik bij kinderen en jeugdigen

186 187 188 188 190

De rol van de professional 10.5.1 Signaleren als taak 10.5.2 Soorten signalen

10.5.3 Werken met de meldcode

10.6

Begeleiden van slachtoffers van seksueel misbruik en hun ouders 193 10.6.1 Praten met slachtoffers van seksueel misbruik 193 10.6.2 Begeleiding van ouders 194 10.6.3 Secundaire traumatisering bij hulpverleners 195

10.7 10.8

Vormen van hulpverlening

196 199

Institutionele en juridische kaders

11

Inhoud

Deel 3 Werken met volwassenen

201

Inleiding

203

11 Seksualiteit bij mensen met een verstandelijke beperking

207

Paulien van Doorn en Welmoed Visser-Korevaar

11.1 11.2

Inleiding

208 209 209 209 210 210

Verstandelijke beperking

11.2.1 Definitie

11.2.2 Intellectueel functioneren

11.2.3 Epidemiologie

11.3 11.4

Context

Wetenschappelijk kader

211 211

11.4.1 Verstandelijke beperking en seksualiteit

11.4.2 De invloed van verschillende ontwikkelingsgebieden op seksuele ontwikkeling

212 212 213 214 215 215 215 216 218 219 219 220

11.4.3 Biologische factoren 11.4.4 Psychologische factoren 11.4.5 Sociaal-culturele factoren

11.5

De rol van de professional

11.5.1 Een integratieve benadering van seksuele gezondheid

11.5.2 De professional

11.5.3 Vormen van ondersteuning 11.5.4 Competenties van de professional

11.6

Institutionele en juridische kaders 11.6.1 Institutionele kaders

11.6.2 Juridische kaders

12 Seksualiteit en intimiteit bij mensen met ernstige psychische aandoeningen Wilma Swildens, Lennart Gorter, Laura van Goor en José de Jager

223

12.1 12.2

Inleiding

224 225 225 225 226 227 228 228

Risicofactoren op het gebied van seksualiteit en intimiteit 12.2.1 De invloed van psychiatrische symptomen

12.2.2 Nevenwerkingen van medicatie 12.2.3 Traumatische ervaringen

12.2.4 Sociale vaardigheden en zelfvertrouwen

12.2.5 Stigmatisering

12.2.6 De maatschappelijke (leef)situatie

12

Inhoud

12.3

De rol van de professional

229 229 230 230 232 232 233

12.3.1 Belemmeringen bij professionals

12.3.2 Oorzaken van terughoudendheid bij professionals

12.4 12.5

Interventies

Institutionele en juridische kaders 12.5.1 Institutionele kaders

12.5.2 Juridische kaders

13 Ouderen en seksualiteit

237

Annelies Kuyper en Ineke Mouthaan

13.1 13.2

Inleiding

238

Wetenschappelijk kader: wat is er bekend over ouderen en seksualiteit?

238 238 239 240 242 242 244 246 246 247 252 253 253 253 257 257 259 260 260 261 251

13.2.1 Het seksuele leven van ouderen

13.2.2 Problemen op het gebied van seksualiteit en intimiteit 13.2.3 Oorzaken van problemen op het gebied van seksualiteit en intimiteit

13.3

De rol van de professional

13.3.1 Praten over seksualiteit

13.3.2 Omgaan met (lastige) seksueel getinte situaties

13.4

Institutionele en juridische kaders 13.4.1 Institutionele kaders

13.4.2 Juridische kaders

14 Intimiteit en seksualiteit in het ziekenhuis en de revalidatie

Marjolein den Ouden en Afke Tangenbergh

14.1 14.2

Inleiding

Wetenschappelijk kader 14.2.1 Rite de passage

14.2.2 Veranderingen en problemen bij ziekte en revalidatie

14.3

De rol van de professional

14.3.1 De rol van de verpleegkundige Handelingsverlegenheid van professionals

14.4 14.5

Institutionele en juridische kaders 14.5.1 Institutionele kaders

14.5.2 Juridische kaders

13

Inhoud

15 Werken met volwassen slachtoffers van seksueel geweld

265

Meike Kühl, Wilma Schakenraad en Ina van Beek

15.1 15.2

Inleiding

266 266 266 267 272 272 273 275 276 277 277 277 279 284 284 284 285 285 286 286 287 288 291 291 283

Wetenschappelijk kader

15.2.1 Prevalentie seksueel geweld 15.2.2 Impact van seksueel geweld

15.3

De rol van de professional 15.3.1 Geweldsdriehoek

15.3.2 Signaleren

15.3.3 Bespreekbaar maken

15.3.4 Handelen: overleg en hulpverlening

15.3.5 Psychologisch-psychotherapeutische behandeling na seksueel geweld

15.4

Institutionele en juridische kaders 15.4.1 Institutionele kaders

15.4.2 Juridische kaders

16 Werken met volwassenen in een justitieel kader

Audrey Alards en Mechtild Höing

16.1 16.2

Inleiding

Het forensische werkveld

16.2.1 Benamingen

16.2.2 Rechtsgang, straffen en maatregelen

16.2.3 Instellingen Wetenschappelijk kader

16.3

16.3.1 Seksualiteit als thema binnen het werkveld 16.3.2 Seksuele problematiek bij justitiabelen algemeen 16.3.3 Seksuele problematiek bij zedendelinquenten

16.4

De rol van de professional 16.4.1 Professioneel kader

16.4.2 Seksualiteit bespreekbaar maken bij justitiabelen in verschillende contexten 292 16.4.3 Seksualiteit bespreekbaar maken met zedendelinquenten 293 16.4.4 Houding, vaardigheden en zelfzorg 296

16.5

Institutionele en juridische kaders

297

14

Inhoud

17 Werken met sekswerkers

301

Marjolein Goderie

17.1 17.2

Inleiding

302 303 303 303 305 307 308 308 309 310 310 312 313 315 341 347

Prostitutie in Nederland

17.2.1 Status

17.2.2 Een lastig beroep?

17.2.3 Klanten

17.2.4 Mannelijke sekswerkers 17.2.5 Transgender sekswerkers

17.2.6 De sociale positie van sekswerkers 17.2.7 Gedwongen prostitutie en loverboys

17.3

De rol van de professional

17.3.1 Soorten hulp

17.3.2 Competenties van hulp- en dienstverleners

17.4

Institutionele en juridische kaders

Literatuur

Register

Over de auteurs

15

Inleiding

Inleiding Met dit boek willen we (aankomende) professionals in het maatschappelijke domein helpen competent te worden op een terrein dat velen ingewikkeld vinden: de seksuele gezondheid van mensen die hen om hulp of begeleiding vragen of die van overheids- wege aan hun zorg zijn toevertrouwd. Iedere professional krijgt vroeg of laat met het onderwerp te maken, of het nu de jeugdwerker in de residentiële jeugdzorg is die jon- geren ziet stoeien met seksuele grenzen, of de penitentiair medewerker die van een gedetineerde de vraag krijgt of hij condooms kan krijgen, of de activiteitenbegeleider in de ouderenzorg die een dementerende man ziet zoenen met een al even demente medebewoonster… Hoe handel je dan professioneel? Kijk je weg? Vraag je door? Grijp je in? Dit boek is primair bedoeld als lesboek voor het beroepsonderwijs aan studenten in het mbo en hbo, die opgeleid worden tot beroepen in de sectoren die samen het maatschappelijke domein vormen. Ook voor studenten aan een opleiding als veilig- heidskunde, en studenten die een minor volgen waarbij het onderwerp seksualiteit behandeld wordt, zijn in dit boek veel nuttige informatie en praktische opdrachten te vinden, die de handelingscompetentie rond seksuele vraagstukken helpen vergroten. In dit boek wordt vaak gesproken van ‘de student’; ‘de professional’ of ‘de hulpver- lener’. Omwille van de leesbaarheid wordt vaak de mannelijke vorm gebruikt, maar uiteraard kan, waar ‘hij’ staat, ook ‘zij’ gelezen worden en andersom. Seksualiteit en seksuele gezondheid Seksualiteit omvat meer dan alleen geslachtsgemeenschap, en seksuele gezondheid is meer dan alleen het ontbreken van seksuele problemen. We sluiten ons in dit boek aan bij de bredere definities van seksualiteit en seksuele gezondheid van de Wereld- gezondheidsorganisatie (WHO). ‘Seksualiteit is een centraal aspect van het leven van de mens. Het omvat seks, gender- identiteit en -rollen, seksuele oriëntatie, erotiek, plezier, intimiteit en voortplanting. Seksualiteit wordt ervaren en vormgegeven in gedachten, fantasieën, verlangens, overtuigingen, attituden, waarden, gedrag, handelingen, rollen en relaties. Hoewel seksualiteit al deze dimensies kan omvatten, worden deze niet altijd ervaren of vorm- gegeven. Seksualiteit wordt beïnvloed door de interactie van biologische, psychologi- sche, sociale, economische, politieke, ethische, wettelijke, historische, religieuze en spirituele factoren’ (WHO, 2010).

17

Bespreekbaar maken van seksualiteit en intimiteit

‘Seksuele gezondheid is een met seksualiteit verbonden toestand van fysiek, emotio- neel, mentaal en sociaal welzijn. Seksuele gezondheid is dus meer dan alleen de af- wezigheid van ziekte, disfunctie of zwakte. Seksuele gezondheid vereist een positieve en respectvolle benadering van seksualiteit en seksuele relaties. Seksuele gezondheid vereist ook het mogen en kunnen aangaan van plezierige en veilige seksuele ervarin- gen; zonder dwang, discriminatie en geweld. Om seksuele gezondheid te bereiken en te behouden, moeten de seksuele rechten van alle personen worden gerespecteerd, beschermd en gerealiseerd’ (WHO, 2010). De rol van de professional De professional in het maatschappelijke domein krijgt te maken met mensen voor wie seksualiteit en seksuele gezondheid geen vanzelfsprekendheid zijn. Schaamte weerhoudt veel cliënten ervan deze problemen zelf aan te kaarten. De professional kan deze drempel verlagen door er zelf over te beginnen en een open en niet-veroor- delende houding te tonen. In dit boek gaan we ervan uit dat praten over seksuali- teit hoort bij het werk als professional in het maatschappelijke domein. Daarbij is de competente professional zich ervan bewust dat seksualiteit en alles wat daarmee te maken heeft, sterk door de cultuur gekleurd is. De professional erkent en respecteert culturele verschillen en gebruikt waar nodig tools en methodieken die aansluiten bij de vraag van de cliënt. Professionele kaders Het bevorderen van de seksuele gezondheid van mensen zien we als een deel van de bredere taak van de professional binnen het maatschappelijke domein. Diverse be- roepscodes omschrijven de normatieve grondslagen voor het handelen van de pro- fessional en deze sluiten aan bij algemene mensenrechten. Als moreel kompas voor het competent handelen inzake seksualiteit en seksuele gezondheid hanteren wij de Seksuele Rechten van de Mens, zoals die door de WHO zijn ontwikkeld en door vele landen zijn erkend, onder andere ook door Nederland. Als professional in het maat- schappelijke domein is het je taak cliënten te ondersteunen bij het realiseren van deze seksuele rechten. De belangrijkste seksuele rechten van het individu zijn: † de hoogst haalbare standaard van seksuele gezondheid, inclusief toegang tot voorzieningen (anticonceptie, veilige abortus, seksuologische hulp, et cetera); † toegang tot en het verkrijgen van betrouwbare informatie over seksualiteit; † seksuele en relationele vorming; † respect voor lichamelijke integriteit; † vrije partnerkeuze;

† keuzevrijheid om wel of niet seksueel actief te zijn; † seksuele relaties met wederzijdse instemming; † huwelijk of partnerschap met wederzijdse instemming;

18

Inleiding

† keuzevrijheid om wel of niet kinderen te krijgen en wanneer; † het nastreven van een bevredigend, veilig en plezierig seksleven.

Het verantwoord naleven van deze rechten impliceert dat iedereen de rechten van de ander respecteert (WHO, 2010). Beleidskaders Bij de bevordering van de seksuele gezondheid moet je je als professional ook verhou- den tot de kaders die er door het beleid gesteld worden. Wanneer je werkt voor een organisatie, heb je te maken met instellingsbeleid dat aangeeft wat er op het gebied van seksualiteit en seksuele gezondheidsbevordering van je verwacht wordt. De vi- sie, missie en cultuur van de instelling kleuren de invulling van het beleid. Vaak is het beleid vanuit de negatieve kant van seksualiteit ingevuld. Iedere onderwijs- en zorginstelling in Nederland is namelijk verplicht om beleidsregels op te stellen om seksuele intimidatie en seksueel misbruik tegen te gaan en incidenten te melden bij de bevoegde instanties. De diverse door de overheid ingestelde inspecties, zoals de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Inspectie Jeugdzorg, zien aan de hand van toetsingskaders toe op het instellingsbeleid. Een kritisch reflecterende professional kent niet alleen vigerend beleid, maar kan dit ook kritisch bevragen en mee helpen ontwikkelen. Juridische kaders Niet alleen het beleid, ook de juridische kaders geven aan waartoe je je als profes- sional hebt te verhouden als het gaat om bevordering van seksuele gezondheid. Het gaat hierbij om wetgeving die primair het handelen van de professional betreft, bij- voorbeeld de meldcode huiselijk geweld en (seksuele) kindermishandeling, de Wet bescherming persoonsgegevens, of het tuchtrecht voor mensen die in geregistreerde beroepen in de gezondheidszorg of in de jeugdzorg werken. De zedenwetgeving geeft daarnaast voor iedere Nederlandse ingezetene aan welke handelingen op het gebied van seksualiteit strafbaar zijn en welke maximale straffen daarbij horen. Daarbij gel- den voor het misbruiken van de positie als hulp- of zorgverlener strafverzwarende uitgangspunten. Indeling van het boek Dit boek bevat drie delen, met elk een aantal hoofdstukken. Het eerste deel is alge- meen inleidend en draagt vooral basiskennis aan. In deze hoofdstukken gaan we in op de seksuele ontwikkelingen in verschillende levensfasen, de relatie tussen seksuali- teit en gezondheid, de maatschappelijke context van seksuele vraagstukken, seksueel overschrijdend gedrag en de rol van de professional bij dergelijke vraagstukken. In

19

Bespreekbaar maken van seksualiteit en intimiteit

deel twee gaan we in op de seksuele begeleidingsvraagstukken die bij verschillende groepen kinderen en jongeren spelen. In deel drie, ten slotte, gaan we in op seksuele vraagstukken bij verschillende volwassen doelgroepen. Ieder hoofdstuk volgt een vast stramien. Voor de professional is het van belang dat kennis toepasbaar is in de praktijk, en daarom wordt ieder hoofdstuk ingeleid door een casus die sprekend is voor wat de professional in de praktijk tegen kan ko- men. Daarna wordt relevante en actuele kennis rond het onderwerp en de doelgroep beknopt weergegeven, zodat je als praktijkwerker de nodige kennis in huis hebt om seksuele vraagstukken adequaat te kunnen signaleren, ook wanneer cliënten er zelf niet mee komen. Aansluitend wordt beschreven wat je rol als professional bij het wer- ken met deze problematiek of doelgroep kan inhouden. Vervolgens wordt uiteengezet wat relevante professionele, beleidsmatige en juridische kaders voor het professioneel handelen bij deze doelgroep zijn. Ieder hoofdstuk wordt afgesloten met een take away message en een reflectievraag. Online studiemateriaal

www.coutinho.nl/seksualiteit

Bij dit boek hoort een website met studiemateriaal. Hierop vind je vragen en opdrach- ten per hoofdstuk en tips voor aanvullende informatie.

20

Deel 1 Seksualiteit als thema in het maatschappelijke domein

Inleiding

Inleiding Onze ontwikkeling als seksueel wezen begint met de geboorte en eindigt met de dood. Lichamelijke, psychische en seksuele gezondheid zijn nauw met elkaar verweven en beïnvloeden elkaar wederzijds. Seksuele spelregels en wetten, seksuele normen en waarden structureren onze samenleving en reguleren ons sociale leven tot in de slaapkamer. Met wie en wanneer wij een seksuele relatie aangaan en op welke ma- nier wij onze seksualiteit beleven, lijkt in hoge mate een individuele keuze, maar deze wordt in feite op subtiele en minder subtiele manieren gereguleerd en gesanctioneerd door historische, maatschappelijke en culturele invloeden. Dat er door normen, wet- ten en culturele gebruiken grenzen worden aangegeven, impliceert ook dat er seksu- ele grenzen overschreden kunnen worden, en alle betrokkenen ondervinden hiervan de gevolgen. Seksuele problemen, problemen als gevolg van seksuele ongezondheid en proble- men als gevolg van seksueel risicovol gedrag of veroorzaakt door ongewilde vormen van seksualiteit komen veelvuldig voor, zo weten we inmiddels uit bevolkingsonder- zoek. Pedagogen, sociaal werkers, verpleegkundigen, fysiotherapeuten en andere werkers in dit domein krijgen vroeg of laat te maken met mensen die kampen met der- gelijke problemen of die risicovol gedrag vertonen. In de praktijk voelen professionals zich vaak ongemakkelijk en beschroomd om het gesprek hierover aan te gaan. Gebrek aan kennis op dit gebied, het ontbreken van een adequate woordenschat, gevoelens van schaamte en geremdheid vanuit de eigen normen en waarden rondom seksualiteit kunnen hierbij een rol spelen. Ook ontbreekt het nogal eens aan steun en richtlijnen vanuit de organisatie waarvoor men werkt, hetgeen onzekerheid en onduidelijkheid over de eigen taak inzake de bevordering van seksuele gezondheid in de hand werkt. In dit eerste deel van het boek worden daarom basiskennis en een woordenschat aan- gereikt die de professional helpt vraagstukken en problemen rondom seksuele (on) gezondheid te herkennen en te duiden in hun context, adequaat te benoemen, en zo- doende de eigen professionele verantwoordelijkheid vorm te geven. In hoofdstuk 1 beschrijven we hoe in de verschillende levensfasen de seksuele ont- wikkeling verloopt langs verschillende dimensies: lichaamsbeeld, genderidentiteit en genderrol, verliefdheid en relatievorming, seksuele oriëntatie, interesse en verlan- gen, opvattingen en gevoelens, reproductieve gezondheid en seksueel functioneren. In hoofdstuk 2 gaan we in op de relatie tussen seksualiteit en gezondheid. Allereerst beschrijven we de positieve effecten van seksualiteit. Vervolgens komt de werking van

23

Inleiding

het lichaam tijdens seksuele activiteit aan bod, gevolgd door een toelichting op de meest voorkomende lichamelijke problemen met het seksueel functioneren en pro- blemen met het seksueel functioneren bij ziekte en invaliditeit. Seksuele risico’s zoals soa’s en ongewenste zwangerschap worden belicht, en tot slot reiken we algemene richtlijnen aan voor professioneel handelen in het kader van signalering en doorver- wijzing, en beschrijven we de sociale kaart van Nederland rond seksuologische hulp- verlening. We beschrijven in hoofdstuk 3 de maatschappelijke context van seksuele vraag- stukken. De fysieke werking van het lichaam is overal hetzelfde, maar hoe seksualiteit gewaardeerd en beleefd wordt, verschilt van cultuur tot cultuur. In een multiculturele samenleving als de onze zijn de opvattingen over bijvoorbeeld maagdelijkheid zeer divers en botsen deze nogal eens. Hoe komen opvattingen over seksualiteit tot stand? Welke invloeden spelen een rol en hoe kan de professional omgaan met die diversi- teit? Dit hoofdstuk biedt tevens een overzicht van instellingen die specifieke expertise op dit terrein in huis hebben. In hoofdstuk 4 bespreken we de negatieve kant van seksualiteit, namelijk seksu- eel grensoverschrijdend gedrag. Wat hieronder verstaan wordt is afhankelijk van de gehanteerde definitie, en is bovendien onderhevig aan maatschappelijke en histori- sche invloeden. We beschrijven een aantal veelvoorkomende vormen, belichten kort de gevolgen voor slachtoffer en pleger, en sluiten het hoofdstuk af met een algemene bespreking van de rol van de professional, en van de professionele, institutionele en juridische kaders waartoe hij of zij zich zal moeten verhouden. In hoofdstuk 5, ten slotte, gaan we in op de rol van de professional bij vraagstukken en begeleidingsvragen rondom seksualiteit. Hierbij bespreken we belangrijke hou- dingsaspecten, zoals afstand en nabijheid, empathie en grenzen. We gaan in op uit- gangspunten voor professioneel handelen, zoals taalgebruik, aansluiten bij de cliënt, bieden van veiligheid, omgaan met weerstand, en omgaan met eigen waarden en normen. We lichten het professionele handelen rondom seksualiteit verder toe vanuit de beroepscompetenties, vanuit het belang van instellingsbeleid en vanuit relevante juridische kaders.

24

Online ƒ studiemateriaal

1 De seksuele levensloop Hanneke de Graaf en Ineke Mouthaan

Gerda is maatschappelijk werkster in een sociaal wijkteam en vertrouwenspersoon voor veel gezinnen in haar wijk. Soms krijgt zij van ouders vragen over seksualiteit. Een paar voorbeelden: ‘Mijn dochtertje zit vaak aan haar vagina. Is dat normaal?’ ‘Mijn zoon wil weten hoe het werkt, vrijen, en hoe kinderen gemaakt worden. Wat vertel ik hem?’ Rein is sociaal verpleegkundige en werkt bij de Sense Infolijn, waar je terechtkunt met vragen over seks, veilig vrijen, anticonceptie en soa’s. Geregeld komen er via de mail vragen van jongeren binnen, zoals: ‘Volgens mij ben ik (een meisje) verliefd op mijn vriendin. Ben ik nu lesbisch?’ ‘Ik heb in een dronken bui onveilige seks gehad. Moet ik me laten testen op soa’s?’ ‘Ik word niet ongesteld, ben ik nu zwanger?’ Sabine is verloskundige en zij merkt dat (aanstaande) ouders vragen hebben over seksualiteit tijdens en na de zwangerschap en over anticonceptie na de zwangerschap, zoals: ‘Kan een orgasme kwaad als je zwanger bent?’ ‘We zijn dolblij met onze baby. Maar hoe krijgen we ons seksleven weer op gang?’ ‘Welke anticonceptie kan ik gebruiken als ik borstvoeding geef?’

Dirk is huisarts en krijgt in zijn praktijk ook te maken met vragen over seksualiteit, bijvoorbeeld:

27

1 ƒ De seksuele levensloop

‘Ik ben al een paar keer naar bed geweest met mijn nieuwe vriendin, zonder condoom. Hoe begin ik nu nog over voorbehoedmiddelen?’ ‘Sinds een paar weken heb ik geen ochtenderectie meer. Is er lichamelijk iets mis met mij?’ Sasha is praktijkondersteuner in een huisartsenpraktijk, en doet ook spreekuren voor mensen met een chronische ziekte (diabetes, COPD, astma en hart- en vaatziekten) en voor ouderen. Ze krijgt de laatste tijd vragen als: ‘Door mijn ziekte kan ik geen orgasme meer krijgen. Is mijn seksleven nu voorbij?’ ‘Mijn vrouw zit in een zorginstelling. Hoe vertellen we het personeel dat we soms behoefte hebben aan privacy?’

1.1

Inleiding

Seksualiteit en seksuele ontwikkeling zijn onlosmakelijk verbonden met een mensen- leven, van de bevruchting tot het eind van iemands leven. Dat maakt dat elke profes- sional, of deze nu werkt met kinderen, jongeren, volwassenen of ouderen, hiermee te maken kan krijgen. Zoals uit de casusbeschrijvingen hiervoor blijkt, brengt iedere leeftijdsfase weer andere vragen met zich mee. Dat professionals aandacht besteden aan seksualiteit is daarom gedurende de hele levensloop legitiem. Goed inzicht in de seksuele levensloop biedt aanknopingspunten voor adequate ondersteuning van sek- sualiteit en maakt dat onnodige zorgen of problemen weggenomen kunnen worden. Deze kennis kan professionals helpen bij het ter sprake brengen van seksualiteit, het reageren op vragen op dit gebied en het signaleren van veelvoorkomende problema- tiek in de verschillende levensfasen. In dit hoofdstuk wordt de seksuele ontwikke- ling in de verschillende levensfasen besproken. Vervolgens wordt ingegaan op vragen waarmee professionals tijdens het werken met cliënten in verschillende levensfasen te maken kunnen krijgen. Daarna worden de beleidsmatige en juridische kaders toe- gelicht.

1.2

Uitgangspunten van het levensloopperspectief

Een leven lang seksuele ontwikkeling Binnen het levensloopperspectief wordt ontwikkeling gedefinieerd als elke aanpas- sing aan verandering, zowel in positieve zin (groei) als in negatieve zin (verlies). Een leven lang passen mensen zich op seksueel vlak aan nieuwe situaties aan en maken zij hierin nieuwe keuzes. Het lichaam verandert, kennis en ervaring nemen toe, relaties

28

1.2 ƒ Uitgangspunten van het levensloopperspectief

ontwikkelen zich en persoonlijke omstandigheden wijzigen. Dat maakt dat er geen levensfase is waarin de ontwikkeling stilstaat.

Seksuele ontwikkeling is multidimensioneel Bij seksualiteit wordt vaak alleen aan seksueel gedrag gedacht en soms enkel aan seksueel gedrag met een partner. Seksualiteit is echter meer dan dat. Het gaat bij- voorbeeld ook over lichaamsbeeld (bijvoorbeeld tevredenheid over het lichaam), genderidentiteit en genderrol (bijvoorbeeld weten of je een jongen of meisje bent), verliefdheid en relatievorming, seksuele oriëntatie, interesse en verlangen, opvat- tingen en gevoelens, reproductieve gezondheid en seksueel functioneren. Op elk van deze deelgebieden vindt ontwikkeling plaats: in sommige levensfasen meer op het ene gebied, in andere levensfasen meer op een ander gebied. In dit hoofdstuk beschrijven we per levensfase deze multidimensionele seksuele ontwikkeling. Seksuele ontwikkeling is contextgebonden Seksuele ontwikkeling vindt plaats in een biopsychosociale context (Bancroft, 2009; zie ook paragraaf 2.2.2). Deze context wordt gevormd door de ontwikkeling op drie deelgebieden: biologische factoren (bijvoorbeeld hormonale veranderingen of her- senontwikkeling), individuele psychologische kenmerken (zoals emoties, motieven en gedachten) en sociaal-culturele factoren (de omgeving waarin iemand opgroeit, bijvoorbeeld ouders, vrienden en school, maar ook wat je tegenkomt in de media en de waarden en normen in de maatschappij). De biopsychosociale context beïnvloedt niet alleen de persoon, maar de persoon beïnvloedt zelf ook de eigen context, door de keuzes die hij of zij maakt. Bovendien beïnvloeden de verschillende biopsychosociale factoren elkaar ook wederzijds. Gebeurtenissen die van invloed kunnen zijn op ie- mands levensloop kunnen worden onderverdeeld in gebeurtenissen die niet iedereen overkomen (bijvoorbeeld een ernstig ongeluk krijgen), gebeurtenissen die nagenoeg iedereen in een bepaalde levensfase meemaakt (bijvoorbeeld in de puberteit komen) en gebeurtenissen die hele generaties tegelijk meemaken (bijvoorbeeld de seksuele revolutie) (Baltes, Lindenberger & Staudinger, 2007). Seksuele ontwikkeling kent vele paden Het complexe samenspel tussen het individu en zijn of haar omgeving maakt dat het heel lastig te voorspellen is hoe iemands levensloop eruit zal zien. Er zijn oneindig veel variaties in seksuele levenslopen mogelijk. Toch zijn er verschillende processen en transities die de meerderheid van de mensen doorloopt. Deze ‘typische’ levens- lopen worden in dit hoofdstuk beschreven, zonder normatief te willen zijn. Voor de definitie van een ‘typische’ levensloop hanteren we een statistisch criterium. Enkel zeer uitzonderlijke ervaringen (die minder dan 5 procent van de mensen meemaken) worden hierbij als ‘atypisch’ gekenmerkt. Een ‘atypische’ levensloop is niet per se pro- blematisch. Dat is pas het geval als iemand iets zelf als een probleem ervaart of als dit schadelijk is voor de persoon zelf of voor anderen.

29

1 ƒ De seksuele levensloop

1.3

Veelvoorkomende ontwikkelingen in verschillende levensfasen

1.3.1 Vroege kindertijd (0 tot en met 5 jaar)

Voor baby’s is lichamelijk contact en knuffelen erg belangrijk voor hun ontwikkeling. De peuter- en kleuterperiode zijn echte ontdekkingsfasen. Peuters en kleuters ont- dekken bijvoorbeeld dat ze een jongetje of een meisje zijn en wat jongens- of meis- jesgedrag is. Voor de geboorte ligt de biologische basis van sekse al vast. Vanaf 18 tot 24 maanden kunnen de meeste kinderen aangeven tot welk geslacht iemand behoort en vanaf 27 tot 30 maanden weten kinderen of ze zelf een jongen of een meisje zijn. Kinderen denken dan soms nog wel dat dit later kan veranderen (Ruble, Martin & Berenbaum, 2006). Ook ontdekken kinderen hoe hun lichaam eruitziet, hoe verschil- lende lichaamsdelen heten en waar ze voor zijn en wat fijn voelt en wat niet. Vanaf een jaar of twee kunnen kinderen vaak wel de geslachtsdelen benoemen. Op deze leeftijd weten ze nog niet dat geslachtsdelen een seksuele functie (kunnen) hebben (Brille- slijper-Kater & Baartman, 2000). Wat we over seksueel getint gedrag van kinderen weten, komt vaak uit onderzoek waarbij aan ouders wordt gevraagd wat ze bij hun kind zien. Veel ouders zien bijvoorbeeld dat hun kind de geslachtsdelen aan iemand laat zien of in het openbaar aan de geslachtsdelen zit. Dat komt ook omdat kinderen van deze leeftijd nog moeten leren dat dit niet ‘hoort’. Ook zien ouders van 2- tot en met 5-jarigen wel dat hun kind de geslachtsdelen stimuleert, bijvoorbeeld door hier met de hand overheen te wrijven of door de geslachtsdelen tegen een knuffel of kussen aan te wrijven. Kinderen van deze leeftijd vinden het ook leuk om ‘vieze’ woorden te roepen, voor de grap of om een reactie uit te lokken. Ruim een kwart van de ouders van 2- tot en met 5-jarigen geeft aan dat hun kind weleens ‘doktertje’ speelt (het eigen lichaam en dat van de ander verkent in de vorm van een spel). Een op de drie ouders van kinderen in deze leeftijdsgroep krijgt weleens vragen over seksualiteit (Roos & De Graaf, 2014). Kinderen van deze leeftijd kunnen zich langzamerhand beter verplaatsen in het ge- zichtspunt van anderen. Ook kennen ze de sociaal-culturele regels rondom seksuali- teit en naaktheid steeds beter. Daardoor kunnen ze soms al wat onzeker zijn over hun lichaam. Ook vinden ze het vaak niet meer prettig als anderen hen naakt zien en je ziet dat kinderen dan eerder de wc-deur op slot doen of een handdoek om zich heen houden bij het omkleden (De Graaf, 2016). Vanaf een jaar of 10 komen er lichamelijke processen op gang die het begin van de puberteit inluiden. De spiegels van de hor- monen LH en FSH stijgen en zorgen uiteindelijk bij meisjes voor de eisprong en bij jongens voor de groei van de testes en spermavorming. Tegen het twaalfde jaar kun- nen lichamelijke veranderingen plaatsvinden die de nodige onzekerheid met zich mee kunnen brengen. De eerste verliefdheden vinden plaats en verschillende kinderen 1.3.2 Late kindertijd (6 tot en met 11 jaar)

30

1.3 ƒ Veelvoorkomende ontwikkelingen in verschillende levensfasen

hebben ‘verkering’, hoewel dit nog niet veel verder gaat dan de afspraak dat je met el- kaar gaat of samen spelen of elkaar berichtjes sturen (De Graaf, 2016). Vanaf een jaar of 10 neemt de interesse in volwassen seksualiteit toe. Seks wordt een belangrijk ge- spreksonderwerp, maar er is wel veel variatie in de mate waarin kinderen hierin geïn- teresseerd zijn. Driekwart van de ouders van 10- tot en met 12-jarigen krijgt weleens vragen over seksualiteit (Roos & De Graaf, 2014). Het internetgebruik onder kinderen is hoog en kinderen kunnen hier dan ook bedoeld of onbedoeld in contact komen met seksueel getinte beelden. Van de ouders van 10- tot en met 12-jarigen geeft 18 pro- cent aan dat hun kind weleens seksueel getinte plaatjes of filmpjes bekijkt op internet (Roos & De Graaf, 2014). Van de kinderen van 9 tot en met 12 jaar geeft 40 procent aan dat ze weleens plaatjes of filmpjes hebben gezien van blote mensen of mensen die seks hebben (De Graaf, 2016). Tussen de 12 en 14 jaar komen jongeren echt in de puberteit. De lichamelijke ontwik- kelingen die hiermee gepaard gaan en het ‘schoonheidsideaal’ (slanke meisjes, ge- spierde jongens) maken dat de onzekerheid over het lichaam het hoogst is in deze levensfase. Dat geldt sterker voor meisjes dan voor jongens. Meisjes groeien door de rondingen die ze krijgen wat af van het slanke schoonheidsideaal. Jongens groeien in de puberteit juist toe naar het gemiddelde schoonheidsideaal, omdat zij meer spie- ren ontwikkelen en in deze levensfase daarom gaandeweg meer tevreden over hun lichaam worden (Cash & Pruzinsky, 2002). Jongeren maken zich langzamerhand steeds meer los van hun ouders. De behoefte aan steun van de ouders neemt niet af, maar ouders raken wel hun exclusieve positie kwijt, omdat de mening van leeftijdsge- noten steeds belangrijker wordt (Bokhorst, Sumter & Westenberg, 2010). Vrijwel alle jongeren van deze leeftijd zijn weleens verliefd geweest en een deel van hen heeft ook verkering (gehad). Jongeren die een niet-heteroseksuele oriëntatie ontwikkelen wor- den zich in deze levensfase vaak bewust van hun romantische en seksuele gevoelens voor seksegenoten. Deze jongeren kunnen te maken krijgen met negatieve opvattin- gen over homoseksualiteit van leeftijdsgenoten, omdat homonegativiteit onder jonge- ren van deze leeftijd hoog is (De Graaf, Kruijer, Van Acker & Meijer, 2012). De interesse in seks neemt toe: jongeren gaan fantaseren, ervaren gevoelens van seksuele opwinding en gaan masturberen. Dat laatste geldt vooral voor jongens, en die zoeken ook vaker seksueel getint beeldmateriaal op, vooral op internet. Twee der- de van de jongens en een vijfde van de meisjes van deze leeftijd heeft het afgelopen halfjaar porno gezien, meestal op internet (De Graaf et al., 2012). Seksueel gedrag met een partner beperkt zich in deze levensfase nog vooral tot zoenen en eventueel voelen en strelen. Met 14,4 jaar heeft de helft van de jongeren weleens gezoend. Aan verdergaande vormen van seks zijn de meeste vroege adolescenten nog niet toe. Op deze leeftijd reageren jongeren door een aantal veranderingen in de hersenen vrij im- pulsief, zonder goed de risico’s van de keuzes die ze maken te kunnen overzien (Crone, 1.3.3 Vroege adolescentie (12 tot en met 14 jaar)

31

1 ƒ De seksuele levensloop

2008). Daarnaast zijn ze gevoelig voor sociale druk. Daarom loopt de kleine groep jongeren die al verdergaande seksuele ervaring heeft extra risico op grensoverschrij- ding en ongeplande zwangerschap.

1.3.4 Midden-adolescentie (15 tot en met 18 jaar)

In de periode van 15 tot en met 18 jaar ontdekken veel jongeren of ze op jongens of meisjes of op beide vallen. Voor degenen bij wie dit (ook) het eigen geslacht betreft, kan dit een verwarrende tijd zijn. In deze levensfase gaan homo- en biseksuele jon- geren langzamerhand beseffen dat hun romantische en seksuele gevoelens voor sek- segenoten ‘homoseksueel’ genoemd worden. Voor de meesten duurt het dan nog een tijdje voordat ze zeker zijn van de eigen seksuele oriëntatie en dit aan hun omgeving kenbaar maken. Sommige jongeren gaan hierbij door een periode van twijfel over eigen seksuele oriëntatie, omdat ze ook heteroseksuele contacten hebben, zich bewust zijn van de negatieve opvattingen over homoseksualiteit, of er gewoon heel weinig over weten. Anderen beseffen van het ene op het andere moment dat ze homoseksueel zijn en vinden dit direct in orde (De Graaf et al., 2012). In deze levensfase worden relaties en seksuele contacten langzamerhand steeds se- rieuzer en intiemer. Seks gaat stapje voor stapje verder en veel jongeren doen in deze periode de eerste ervaringen op met vingeren en aftrekken, geslachtsgemeenschap en orale seks. Met 17,1 jaar heeft de helft van de Nederlandse jongeren geslachtsgemeen- schap gehad. Omdat meisjes dit over het algemeen doen met een iets oudere partner, is dit voor meisjes iets eerder (met 16,9 jaar) dan voor jongens (met 17,5 jaar). Ook zijn laagopgeleide jongeren er over het algemeen wat eerder bij dan hoogopgeleide jongeren. Op het vmbo of mbo heeft bijvoorbeeld 57 procent van de 16- en 17-jarigen ervaring met geslachtsgemeenschap, tegenover 43 procent van de jongeren op havo of vwo (De Graaf et al., 2012). Voor een klein deel van de adolescenten spelen seksuele contacten zich (ook) op internet af. 2 tot 6 procent van de jongeren maakt en/of ver- stuurt weleens een naaktfoto of seksfilmpje (sexting). Het uitwisselen van dit soort beelden vindt meestal binnen een vaste relatie plaats, met wederzijds goedvinden en naar tevredenheid (De Graaf & Kerstens, 2015). De risico’s die verbonden zijn aan dergelijk gedrag zijn beschreven in hoofdstuk 4 van dit boek. Deze fase staat in het teken van het ontdekken van verschillende partners en leef- stijlen. Jongeren worden in deze levensfase steeds zelfstandiger, hoewel ze vaak nog wel thuis wonen en financieel afhankelijk zijn van hun ouders. Ze hebben daarom weinig verantwoordelijkheden (zoals een eigen huis of kinderen). Ze krijgen lang- zamerhand een gevoel van verantwoordelijkheid voor het eigen doen en laten, maar overzien de risico’s ervan (zeker aan het begin van deze levensfase) nog niet helemaal (Crone, 2008). De meeste jongeren zijn op deze leeftijd seksueel actief: 70 procent 1.3.5 Late adolescentie (19 tot en met 24 jaar)

32

1.3 ƒ Veelvoorkomende ontwikkelingen in verschillende levensfasen

van de mannen en 77 procent van de vrouwen van deze leeftijd had het afgelopen halfjaar seks met een partner (breder dan geslachtsgemeenschap) (De Graaf et al., 2012). Relaties gaan langer duren, maar worden ook nog wel vaak na kortere of lan- gere tijd beëindigd, waarna weer een nieuwe relatie wordt aangegaan. 10 procent van de vrouwen en 15 procent van de mannen had in een jaar tijd meer dan één sekspart- ner (De Graaf et al., 2012). De relatief hoge mate van seksuele activiteit, gekoppeld aan leefstijl (uitgaan, mid- delengebruik) en het in beperkte mate kunnen overzien van risico’s, maakt dat ver- schillende seksuele risico’s het meest in deze leeftijdsfase voorkomen. Door de hoge mate van seksuele activiteit en de lage kinderwens is het abortuscijfer onder vrouwen in deze levensfase het hoogst (Hehenkamp & Wijsen, 2016). Ook betreft 35 procent van alle soaconsulten jongeren van 20 tot enmet 24 jaar (Van Oeffelen et al., 2015). Dit betekent niet dat het ondergaan van een abortus of het oplopen van een soa ‘typisch’ is voor mensen in deze levensfase. In 2014 onderging 1,3 procent van de vrouwen van 20 tot en met 24 jaar een abortus. De prevalentie van chlamydia (de meest voor- komende soa) wordt onder 15- tot en met 29-jarigen geschat op 2 procent (Van Bergen et al., 2005). Het meemaken van fysieke seksuele grensoverschrijding (variërend van zoenen tot anale seks tegen de wil) bereikt wel de statistische grens (5 procent) die wij hanteren voor ‘typisch’: 6 procent van de mannen en 8 procent van de vrouwen van deze leeftijd heeft dit in deze levensfase meegemaakt (De Haas, 2012). Ook seksuele problemen bij vrouwen kunnen ‘typisch’ worden genoemd: 42 procent van de seksu- eel actieve vrouwen van 19 tot en met 24 jaar heeft een seksueel probleem, zoals pijn bij het vrijen of problemen met vochtig worden en klaarkomen (Kedde, 2012). In de levensfase van 25 tot 40 jaar hebben de meeste mensen een vaste relatie, maar er is een grote variatie in leefstijlen en het aantal alleenwonenden is de afgelopen decennia licht toegenomen, van 12 procent van de mensen van 35 tot 40 jaar in 1996 tot 16 procent in 2016. 13 procent van de mensen van 35 tot 40 jaar woont wel samen of is getrouwd, maar heeft geen thuiswonende kinderen (CBS Statline, 2016a). Ook zijn er mensen met meerdere vaste partners, maar hoe groot deze groep precies is, is vooralsnog onbekend. Het grootste deel (61 procent) van de 35- tot 40-jarigen heeft echter een vaste partner met wie ze samenwonen of getrouwd zijn. In langdurige re- laties kan de seks steeds beter worden, omdat de kennis over elkaar, de intimiteit en het vertrouwen groeien. Maar de zin in seks kan ook geleidelijk afnemen, bijvoorbeeld doordat werk en/of de zorg voor (kleine) kinderen alle energie en aandacht opeisen of de spanning van het elkaar ontdekken en veroveren verdwenen is. De romantiek en passie van het begin van de relatie gaan geleidelijk over in een meer vriendschappe- lijke vorm van liefde. Gemiddeld neemt seksueel verlangen binnen langdurige relaties sterker af bij vrouwen dan bij mannen (De Graaf, 2012). Daardoor kan er een verschil in verlangen tussen de partners ontstaan. 1.3.6 Volwassenheid (25 tot en met 39 jaar)

33

Made with FlippingBook - Online catalogs