Herman Blom en Siep van der Werf - Migranten in de Nederlandse samenleving

Herman Blom en Siep van der Wer f

Migranten in de Nederlandse samenleving

Migranten in de Nederlandse samenleving

Herman Blom Siep van der Werf

c u i t g e v e r ij

c o u t i n h o

bussum 2017

© 2017 Uitgeverij Coutinho bv Alle rechten voorbehouden.

Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd ge- gevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektro- nisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van reprografische verveelvoudigingen uit deze uitgave is toe- gestaan op grond van artikel 16 h Auteurswet 1912 dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130 KB Hoofddorp, www.reprorecht.nl). Voor het overnemen van (een) gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) kanmen zich wenden tot Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierech- ten Organisatie, Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.stichting-pro.nl).

Uitgeverij Coutinho Postbus 333 1400 AH Bussum info@coutinho.nl www.coutinho.nl

Omslagontwerp: Jeanne | ontwerp & illustratie, Westervoort Foto’s omslag: © Shutterstock Inc.; jongen op fiets (rechtsonder): Natalia Balanina; Keti Koti (linksonder): Gertan Noot van de uitgever Wij hebben alle moeite gedaan om rechthebbenden van copyright te achterhalen. Per- sonen of instanties die aanspraak maken op bepaalde rechten, wordt vriendelijk ver- zocht contact op te nemen met de uitgever.

ISBN 978 90 469 0552 4 NUR 747

Inhoud

Inleiding

9

1

Migratie, komst en herkomst

15 15 16 25 27 31 37 44 45 48 50 52 54 57 65 69 73 75 77 77 79 82 88

1.1 Inleiding

1.2 Allochtonen, migranten, of een andere naam? 1.3 Apart benoemen en registreren zinvol? 1.4 Waar komen de migranten vandaan?

1.5 Migratie naar Nederland

1.6 Push- en pullfactoren, migratiemotieven 1.7 Postkoloniale migratie: de Indische Nederlanders 1.8 Postkoloniale migratie: de Molukkers 1.9 Postkoloniale migratie: de Surinamers 1.10 Postkoloniale migratie: de Antillianen en de Arubanen 1.11 De arbeidsmigranten uit de landen rond de Middellandse Zee 1.12 De arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa

1.13 Vluchtelingen en asielzoekers 1.14 Kennismigratie en diplomamigratie 1.15 Hoe kleurrijk ziet de toekomst eruit?

Afsluitend

Vragen

2

Integratie in de Nederlandse samenleving

2.1 Inleiding

2.2 Nederland een immigratieland?

2.3 Is immigratie goed voor de Nederlandse samenleving?

2.4 Wat is integratie?

2.5 Van minderhedenbeleid naar integratiebeleid

103 103 105 110 116 123 136 146 153 157 157

2.5.1 Specifiek beleid voor tijdelijke groepen (jaren zeventig) 2.5.2 Van etnischeminderhedenbeleid naar integratiebeleid (jaren tachtig en negentig) 2.5.3 Integratiebeleid in de eenentwintigste eeuw

2.6 Integreren of assimileren? 2.7 Toch een clash of civilizations? 2.8 De integratieparadox

2.9 Bonding en bridging 2.10 De integratiediscussie

Afsluitend

Vragen

3

Cultuur

159 159 160 163 163 168 170 172 175 176 176 179 180 186 189 189 193 193 195 196 197 200 202 203 209 209 210 212 215 218 223 230 231 233 233 234 238 239 242 243 245

3.1 Inleiding

3.2 Wat is cultuur? 3.3 Cultuurdimensies

3.3.1 Hofstede 3.3.2 Trompenaars

3.3.3 Hall

3.4 De omgang met culturele dilemma’s

3.4.1 Cultuurrelativisme 3.4.2 Universalisme

3.4.3 Pluralisme

3.4.4 Pluralisme in de praktijk 3.5 De scheiding van kerk en staat 3.6 De hybride migrantenidentiteit 3.7 De Arabische cultuur

3.7.1 Pinto

3.7.2 Ik- en wij-cultuur

3.7.3 Respect

3.7.4 Intimi en buitenstaanders 3.7.5 Patronagesysteem 3.7.6 Man, vrouw, familie

3.7.7 Opvoeding

3.7.8 Cultuurverschillen en communicatie

3.7.9 Turken en Marokkanen

3.8 De Caribische cultuur

3.8.1 Variatie 3.8.2 Creolen

3.8.3 Hindoestanen

3.8.4 Antillianen en Arubanen

3.9 Criminaliteit en cultuur

3.10 Een bijzondere groep: de Marokkaanse jongeren

Afsluitend

Vragen

4

Godsdienst

4.1 Inleiding

4.2 Onderscheid tussen cultuur en godsdienst

4.3 Islam

4.3.1 Regels en stromingen

4.3.2 De vijf zuilen

4.3.3 De moskee en de imam

4.3.4 Volksislam

4.3.5 Salafisme

246 248 253 255 256 257 257 258 259 260 261 261 263 263 264 267 268 273 278 279 284 286 293 295 297 297 299 303 305 307 310 313 316 319 319 322 326 327 328

4.3.6 Moslims en vrijheid

4.4 Hindoeïsme

4.4.1 Moderne hindoes

4.4.2 Stromingen, levensfasen en feesten

4.5 Winti en brua

4.5.1 Wat is winti? 4.5.2 Wintigeesten 4.5.3 Wintirituelen

4.5.4 Brua Afsluitend

Vragen

5

Rechtspositie

5.1 Inleiding 5.2 Beleid

5.3 Toelating en verblijf in Nederland

5.4 Gezinsvorming en -hereniging, de vestigingsvergunning en het Nederlanderschap

5.5 Wet arbeid vreemdelingen en remigratie 5.6 Vluchtelingen en asielzoekers

5.6.1 Procedure 5.6.2 Organisatie

5.7 Illegalen of ‘niet-gedocumenteerden’

Afsluitend

Vragen

6

Werk en werkloosheid, inkomen en uitkering

6.1 Inleiding

6.2 Migranten aan het werk 6.3 Werkloosheid onder migranten 6.4 De informele arbeidsmarkt 6.5 De welvaartspositie van de migranten

6.6 Verklaringen voor de hoge werkloosheid onder migranten

6.6.1 Veranderingen in de vraag naar arbeid 6.6.2 Het arbeidsaanbod: kansen op werk

6.7 Beleid tegen werkloosheid 6.7.1 Veel overheidsbeleid 6.7.2 ‘Geen tijd verliezen’

6.7.3 De noodzaak van diversiteitsbeleid

Afsluitend

Vragen

7

Onderwijs

329 329 331 333 338 339 339 342 346 347 349 350 353 355 356 357 357 360 364 368 376 378 387 389

7.1 Inleiding

7.2 De startsituatie van migranten

7.2.1 Opvang, inburgering en participatie

7.2.2 Oetc en oalt

7.3 De functies van onderwijs in de samenleving

7.3.1 Verschil in (sub)cultuur

7.3.2 Studiesucces

7.3.3 Ongelijkheid versterkt

7.3.4 De rol van verzuiling als vorm van segregatie

7.4 De tweedeling in de samenleving

7.4.1 Mentale segregatie

7.5 Is effectief onderwijsbeleid mogelijk?

Afsluitend

Vragen

8

Discriminatie en racisme: samenleven met migranten

8.1 Inleiding 8.2 Wij en zij 8.3 Racisme

8.4 Discriminatie op de Nederlandse arbeidsmarkt 8.5 Het beleid tegen discriminatie in Nederland

8.6 Wel of niet discriminatie als hoofdprobleem op de arbeidsmarkt?

Afsluitend

Vragen

Literatuur

391

Register

409

Over de auteurs

416

Inleiding

Dit boek biedt een inleiding in de dilemma’s van de Nederlandse multi-etnische samenleving. Nederlanders behoren – ondanks de ongelijkheid en spanningen in onze samenleving – in internationale rankings van geluksscores (welzijn) en inkomen (welvaart) tot de top. Inzicht in de ontwikkeling en de dynamiek van de multi-etnische samenleving maakt het mogelijk instrumenten te ontwikke- len om Nederland nog leefbaarder en waardevoller te maken. Wanneer we in dit boek over migranten spreken, dan gaat het over immigranten die naar Ne- derland zijn gekomen. Het thema is immers: migranten die in de Nederlandse samenleving voor kortere of langere tijd en met uiteenlopende motieven hun plaats van verblijf hebben gekozen. Migratie verrijkt Nederland op zowel economisch als cultureel gebied, zo blijkt uit bijvoorbeeld de bijdrage van vluchtelingengroepen als de hugenoten in de zeventiende eeuw, maar veel burgers, politici en wetenschappers vinden dat momenteel allerminst vanzelfsprekend. Anders dan lang (tot in de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw) werd gedacht, leidt migratie echter niet vanzelfsprekend tot louter positieve ontwikkelingen. Zo blijken fundamen- tele Nederlandse waarden als pluralisme en verdraagzaamheid bij een deel van de migranten op weerstand te stuiten. Ook wordt het beeld dat migranten in Nederland sinds de jaren zestig de welvaart hebben vergroot al jarenlang in diverse onderzoeksrapporten gelogenstraft. In economisch opzicht staat tegen- over de economische verrijking bij geslaagde integratie de bedreiging van de welvaart bij minder of niet-geslaagde integratie. Aan het ideaal van de American dream werd het beeld ontleend dat migran- ten het weliswaar moeilijk zouden hebben, maar dat hun kinderen de vruchten zouden plukken van de migratie en dat hun kleinkinderen zouden kunnen leven als autochtone Nederlanders. De verschillen tussen autochtonen en migranten en hun kinderen zouden steeds kleiner worden. Voor ambitieuze migranten zou na een afgeronde opleiding een zekere plaats op de arbeidsmarkt in het ver- schiet liggen, net als een eigen woning en goede toekomstverwachtingen voor hun kinderen. Die ambitie werd overigens ook gezien als een vanzelfsprekend kenmerk van mensen die de moeite nemen om hun land van herkomst in te ruilen voor Nederland. Er werd ook verondersteld dat de cultuur van migranten zich zou ontwikkelen in de richting van meer aanpassing aan alle fundamentele waarden van de Nederlandse samenleving. Om het met een spreekwoord uit de geschiedenis van Duitse emigranten duidelijk te maken: ‘De eerste generatie

9

Migranten in de Nederlandse samenleving

vecht met de dood, de tweede generatie vecht tegen de nood, maar de derde generatie verdient haar brood.’ Dat rechtlijnige proces wordt echter niet door alle migrantengroepen ge- volgd. In Nederland hoeft nu geen enkele migrant met een verblijfsvergunning en zicht op het Nederlanderschap te vrezen voor de dood. Daarvoor is de ver- zorgingsstaat ontwikkeld. Het gevecht van de tweede generatie ‘tegen de nood’ is niet vergelijkbaar met het lot van emigranten uit Europese landen in Cana- da, de Verenigde Staten, Australië en Zuid-Afrika. Niet alle leden van de derde generatie lijken het echter vanzelfsprekend te vinden of in staat zijn hun eigen brood te verdienen en zich te verbinden met de Nederlandse samenleving. Ook voor degenen die met een baan of een bedrijf wel hun brood zelfstandig ver- dienen, geldt dat ze zich niet altijd Nederlander voelen en zich verbinden met Nederland en de Nederlanders door bijvoorbeeld contacten en vriendschap- pen met Nederlanders. De aansluiting bij Nederlandse normen en waarden lijkt niet direct samen te hangen met het geboren worden en opgroeien en kinderen krijgen in Nederland. Die gebrekkige sociaaleconomische en sociaal-culturele integratie staat haaks op het in Nederland gangbare ideaal van de maakbaarheid van de sa‑ menleving . De integratiepolitiek van de Nederlandse regeringen sinds de jaren zestig werd bepaald door het geloof dat het gedrag van individuele en groe- pen migranten stuurbaar zou zijn. Migratie zou in combinatie met een gepast beleid leiden tot een economisch en cultureel rijker Nederland – dat was al- thans het idee achter het aantrekken van gastarbeiders en het later toelaten van vele anderen. Het blijkt allemaal niet zo gemakkelijk te gaan als gedacht. De vraag is welke rol het Nederlandse integratiebeleid en de mondiaal vrijwel unieke Nederlandse verzorgingsstaat speelden bij de tegenvallende integratie- processen. Is het integratiebeleid niet eerder een deel van het probleem dan van de oplossing? Gelijktijdig moeten we relativerend vaststellen dat het begrip ‘maakbaarheid’ ook niet op alle autochtone Nederlanders van toepassing is. Het thema tweedeling in de Nederlandse samenleving start immers met de grote verschillen tussen arm en rijk. De discussie over de achtergestelde positie van migranten is grotendeels een afgeleide van de tweedelingsdiscussie die al sinds decennia over autochtone Nederlanders wordt gevoerd. Dit boek wil een antwoord geven op de vraag naar waar de grenzen liggen van de maakbaarheid van de samenleving bij de massale migratie die we in Neder- land kennen. We stellen de lezer in staat om: ■■ inzicht te krijgen in de ontwikkelingsgeschiedenis van migratie en migratie- beleid in Nederland sinds de tijd van de ‘gastarbeiders’; ■■ kennis te nemen van de positie van migranten in de Nederlandse samenle- ving; ■■ te begrijpen welke culturele ontwikkelingen zich afspelen in de verbanden waarin migranten in Nederland wonen en leven;

10

Inleiding

■■ te analyseren en begrijpen hoe mensen en hun sociale relaties door hun cul- turele achtergrond beïnvloed worden; ■■ de huidige opvattingen over sociaal functioneren van burgers te plaatsen tegenover en te vergelijken met opvattingen vanuit andere culturele per- spectieven; ■■ zich kritisch te verhouden tot huidige beleidsopvattingen over migratie en de ideologie daarachter en tot het dominante politieke en culturele discours rond migratie; ■■ te beseffen welke invloed juridische, politieke en economische factoren uit- oefenen op culturen en daarmee te begrijpen hoe die van invloed zijn op het handelen van mensen, bijvoorbeeld in de relatie tussen overheid en burger en tussen burgers onderling; ■■ te wisselen van perspectief en zich in te leven in de cultuur van anderen; ■■ te handelen op basis van kennis over andere culturen – wat het handelen weliswaar niet gemakkelijker maakt, maar wel beter doordacht. Nog drie kanttekeningen bij de tekst van dit boek: ■■ De sociaaleconomische positie van migranten kan per herkomstgroep en/of geslacht, leeftijd en generatie veranderen, al is er een verrassend grote stabi- liteit te zien. Belangrijker nog is de invloed van de internationale omgeving. De stromen asielzoekers zijn door de ontvangende landen moeilijk te stu- ren. We hebben gezien dat de vraag naar de plaats en positie van migranten in de Nederlandse samenleving weer opleeft bij de plotselinge komst van grote groepen vluchtelingen. Daarnaast spelen gebeurtenissen in de landen van herkomst van de Nederlandse migranten een grote rol in hun leven in Nederland. Het is daarom van belang de samenhang tussen de Nederlandse samenleving en de internationale ontwikkelingen, waaronder die in de lan- den van herkomst, goed te begrijpen. ■■ De schets in dit boek van de cultuur en de sociaaleconomische positie van migranten kan het beeld versterken dat migranten (en hun culturen) een probleem zijn voor de Nederlandse samenleving. De problemen rond mi- gratie zijn veelal complex, en onvrede met veranderingen in de buurt, met werkloosheid of met overheidsbeleid worden door publicisten, journalisten, wetenschappers en politici vaak in verband gebracht met de aanwezigheid van migranten. Andere veranderingen in de samenleving roepen echter ook onvrede op, maar hebben niets met migranten te maken. Denk bijvoorbeeld aan de veranderingen in het aanbod van werk, de schaalvergrotingen en de marktwerking in semipublieke sectoren als zorg, gezondheid en onderwijs, en de kwaliteit van het aanbod in die sectoren. ■■ Migranten en vluchtelingen komen met name de laatste decennia uit alle delen van de wereld. Daarbij is de enorme variëteit in leefstijlen en normen en waarden opvallend. Migranten verschillen onderling sterk in sociaaleco- nomische positie, migratiemotieven, verblijfsstatus en sociaal-culturele

11

Migranten in de Nederlandse samenleving

achtergrond. Dit boek houdt zich bezig met de vraag welke economische kansen en maatschappelijke risico’s diversiteit in Nederland biedt en hoe de overheden met diversiteit willen en kunnen omgaan. Het begrip superdi‑ versiteit maakt duidelijk hoe complex de omgang met verschillen is gewor- den. Het begrip beschrijft de complexiteit en gelaagdheid van diversiteit in de moderne westerse samenleving. Hierbij gaat het niet alleen om etnische achtergrond, maar ook om man-vrouwverhoudingen en opvattingen over gender, huwelijk, seksualiteit en eer; verschillen tussen generaties; de in- bedding in christelijke, islamitische en andere geloofsovertuigingen en de diversiteit daarbinnen; opvattingen over vrijheid van meningsuiting en soci- ale waarden. Wij houden ons in dit boek bezig met alle issues die met migra- tie te maken hebben, en dat blijkt voor alle genoemde terreinen te gelden. Het begrip ‘superdiversiteit’ veronderstelt dat het bijkans onmogelijk is om in termen van categorieën te denken. Om het overzicht te houden en om- dat we die categorieën bruikbaar vinden, zullen we toch spreken in termen van ‘Surinaamse’ Nederlanders of ‘eerste en tweede generatie’ migranten. De verschillen binnen die groepen zijn groot, maar toch houden we aan dit denken in categorieën vast. Een thema dat onze speciale aandacht heeft, is de vraag of en onder welke voorwaarden het migranten en autochtone Ne- derlanders lukt om in een ‘superdiverse’ omgeving relaties aan te gaan over de grenzen van hun ‘eigen’ groep heen (Prins, 2013). Hoe verlopen proces- sen van sociaal-culturele integratie en welke mogelijkheden biedt dit aan overheden, instellingen en professionals? In de acht volgende hoofdstukken komt een scala aan onderwerpen aan de orde. We beginnen in hoofdstuk 1 met de geschiedenis van de migratie naar Neder- land, waarbij onder andere het verschil tussen migranten uit de landen rondom de Middellandse Zee en Surinamers, Antillianen en Arubanen duidelijk wordt. In hoofdstuk 2 komt aan de orde hoe de Nederlandse overheid handelde bij de migratie en de vestiging van de migranten, hoe het minderhedenbeleid was en is en hoe de integratie van migranten verloopt. Om de ontwikkelingen te plaat- sen, wordt hierbij Berry’s model van de adaptatiestrategieën gehanteerd met vragen over positieverwerving en positietoewijzing (Berry, 1997). In de daarop- volgende hoofdstukken worden de landen van herkomst van veel migranten be- schreven. Daarbij wordt de cultuur van Turkije, Marokko, Suriname, de Antil- len en Aruba besproken (hoofdstuk 3), en ook hun godsdiensten: de islam, het hindoeïsme en de winti/brua (hoofdstuk 4). De weg van de vluchteling die een verblijfsstatus krijgt komt aan de orde in schetsen van het vreemdelingenrecht (hoofdstuk 5), de arbeidsmarkt (hoofdstuk 6) en het onderwijs (hoofdstuk 7). In het laatste hoofdstuk wordt de achtergestelde positie van migranten behandeld aan de hand van het thema ‘discriminatie en racisme’ (hoofdstuk 8).

12

Inleiding

In dit boek staan de sociaaleconomische en de sociaal-culturele positie van mi- granten in de Nederlandse samenleving centraal. Daarbij komt zowel de bijdra- ge aan die positie van de migranten zelf aan de orde, als die van de ontvangende samenleving. Zoals bij alle emancipatieprocessen geldt, is het belangrijk dat mensen hun krachten leren kennen om op een positieve wijze te kunnen en willen bijdragen aan een in alle opzichten rijkere samenleving. Dit boek wil de kennis, het inzicht en de vaardigheden van professionals met betrekking tot de dilemma’s van de multi-etnische samenleving helpen vergroten, zodat zij een zo groot mogelijke bijdrage kunnen leveren aan de emancipatie van migranten in Nederland.

13

1 Migratie, komst en herkomst

1.1

Inleiding In de drie grote steden in Nederland – Amsterdam, Rotterdam en Den Haag – heeft in 2016 iets meer dan de helft van de bevolking ouders die in het buiten- land geboren zijn, oftewel migrant zijn. Van de jongeren tot en met 25 jaar heeft zelfs tussen de 60 en 70 procent een buitenlandse achtergrond. Het aantal men- sen in Nederland van wie ten minste één ouder is geboren in het buitenland zal naar verwachting van 3,7 miljoen in 2016 stijgen naar 4 miljoen in 2020. Steeds meer bedrijven moeten zich er dan ook op instellen dat ze in de toekomst met ander personeel en andere klanten te maken krijgen. Nederland vergrijst en ontgroent en wordt gelijktijdig steeds kleurrijker. Juist de migranten zorgen nu voor de bevolkingsgroei. Namen In 2015 waren de tien populairste jongensnamen in Nederland Liam, Sem, Lu- cas, Luuk, Noah, Milan, Daan, Levi, Finn en Jesse, en de tien populairste meis- jesnamen Emma, Julia, Sophie, Anna, Mila, Eva, Tess, Lotte, Sarah en Zoë. Geen Mohamed of Fatima? In het overzicht van populairste jongensnamen ontbreken steevast de namen uit islamitische culturen, terwijl een op de twaalf in 2014 ge- boren baby’s een of twee ouders uit bijvoorbeeld Turkije of Marokko had. Dit kan worden verklaard door de verschillende versies van de in die landen populai- re namen (bijvoorbeeld Turks, Koerdisch, Standaardarabisch, Marokkaans-Ara- bisch en Berbers). Samengenomen zouden Mohamed, Mehmet, Mohamad, Mo- hammad, Mohammed, Muhammad, Muhammed en Muhammet zeker de top 10 van jongensnamen halen. Bij de meisjes geldt dat voor Fatima en Laila (www. svb.nl/int/nl/kindernamen, geraadpleegd op 1 november 2016). Na de Tweede Wereldoorlog kwamen meer dan twee miljoen Indische Neder- landers, Molukkers, Turken, Marokkanen, Surinamers, Antillianen, Arubanen, Oost-Europeanen en asielzoekers naar Nederland. Wanneer en waarom kwa- men ze hier? Zijn ze te beschouwen als één grote groep? En hoe moeten we ze noemen: nieuwe Nederlanders, Nederlanders met een zogenoemde koppel‑ tekenidentiteit (bijvoorbeeld Turks-Nederlands of Pools-Nederlands), migran-

15

1  Migratie, komst en herkomst

ten, allochtonen of buitenlanders? Over deze vragen gaat dit eerste hoofdstuk. Turken, Marokkanen, Surinamers, Antillianen/Arubanen, Oost-Europeanen en vluchtelingen vormen de grootste groepen migranten, en daarom gaan we vooral in op hun achtergrond en hun positie in Nederland. Allochtonen, migranten, of een andere naam? In deze paragraaf bespreken we de verschillende begrippen die de afgelopen decennia voor deze groep werden gebruikt. De variatie aan in de loop der tijd gebruikte termen, zoals ‘migranten’, ‘allochtonen’, ‘vluchtelingen’, ‘asielzoekers’, ‘gastarbeiders’, ‘rijksgenoten’, ‘etnische minderheden’, ‘etnisch‑culturele bevol- kingsgroepen’, ‘medelanders’, ‘nieuwe Nederlanders’, ‘vreemdelingen’ of ‘buiten- landers’, geeft al aan hoe lastig het is om aan te duiden wie we bedoelen. In dit boek stappen we zo veel mogelijk af van het begrip ‘allochtonen’ en spreken we van ‘migranten’. Daarmee gaat het dan over immigranten die naar Nederland zijn gekomen. Alhoewel ook de term ‘migrant’ een verschil maakt tussen de ‘gevestigden’ en de ‘buitenstaanders’ (Elias & Scotson, 1985), maakt die het toch mogelijk de ontwikkelingen in de Nederlandse samenleving op een neutralere manier te beschrijven en te analyseren. We maken in dit boek ook vaak gebruik van verwijzingen naar de koppeltekenidentiteit door migranten te betitelen als bijvoorbeeld Surinaams-Nederlands. Wanneer we aansluiten bij oude publica- ties van met name het CBS gebruiken we omwille van de leesbaarheid nog wel het begrip ‘allochtoon’. De term migranten legt de nadruk op de migratie, terwijl voor veel migranten de reis naar Nederland de reis van hun ouders was. Toch bedoelen we in dit boek met de term ‘migrant’ ook de tweede en de derde generatie, omdat zij zich in de regel nog uitdrukkelijk met de uitdaging geconfronteerd zien zich in hun nieuwe land thuis te voelen. In Duitsland (en tegenwoordig ook in Nederland) wordt daarom het begrip ‘met migratieachtergrond’ gehanteerd. In elk geval is het van belang om de tweede en volgende generaties anders te bekijken, omdat hun situatie afwijkt van die van hun ouders. De termen ‘migranten’ en ‘vluchtelingen’ worden vaak met elkaar verward. Een migrant komt naar Nederland met de bedoeling om hier werk te vinden en zo een bestaan op te bouwen – denk ook aan Nederlanders die een nieuw bestaan opbouwden in klassieke emigratielanden als de Verenigde Staten en Canada. De vluchteling verlaat noodgedwongen zijn eigen land om politieke redenen of vanwege een crisissituatie als een oorlog of hongersnood. Terwijl de migrant hier zal blijven zolang hij in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien, zal de vluchteling weer terugkeren zodra ‘de kust weer veilig is’. De terugkeer is ervan afhankelijk hoelang het verblijf in Nederland gaat du- ren. Raakt de vluchteling thuis in Nederland, misschien zonder (perspectief op)

1.2

16

1.2  Allochtonen, migranten, of een andere naam?

verblijfsstatus? Hoe is de situatie in het land van herkomst? Vaak is een terug- keer niet mogelijk, niet aantrekkelijk of biedt het leven in Nederland ondanks alles betere perspectieven dan het land van herkomst. Het aantal in Nederland aanwezige ‘illegalen’ neemt daardoor toe. Ook die ‘illegalen’ zijn als migranten te beschouwen. Immers, zij zijn vaak niet in staat of van zins om terug te keren. Gedwongen uitzetting van deze mensen blijkt in de regel bijkans onmogelijk (zie paragraaf 5.7). Vluchtelingen worden migranten, al dan niet met een for- mele verblijfsstatus, als ze hun plekje hebben gevonden in de ontvangende sa- menleving. Zonder verblijfsstatus zijn ze ernstig gehinderd in de mogelijkheid om te integreren, maar toch verkiezen velen dat boven een terugkeer naar het land van herkomst. Het is als met de voormalige gastarbeiders: ook vluchtelin- gen keren slechts in enkele gevallen terug naar hun land van herkomst als daar de verhoudingen weer genormaliseerd zijn. De begrippen ‘vluchteling’ en ‘asielzoeker’ zijn vaak synoniem. De asielzoeker is iemand met een juridische status die voor de duur van de asielprocedure in afwachting is van de verblijfsstatus. Zodra de vluchteling op grond van het Vluchtelingenverdrag als asielzoeker wordt erkend, mag hij niet worden te- ruggestuurd en krijgt hij een verblijfsstatus. De vluchteling is dan migrant ge- worden, en hoeft niet meer bang te zijn teruggestuurd te worden. Naast ‘asiel- migranten’ worden overigens ‘arbeidsmigranten’ onderscheiden, met name in publicaties van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en andere onder- zoeksinstellingen. Niet alle asielzoekers worden geaccepteerd door de Immigratie- en Natura- lisatiedienst (IND). Zij die uit zogenoemde ‘veilige landen’ komen (bijvoor- beeld Albanië, Kosovo, Marokko en Armenië) mogen wel een beroep op asiel doen, maar worden na de eerste asielaanvraag door de IND als vreemdeling beschouwd. Het begrip ‘vreemdeling’ heeft dus ook een juridische betekenis. De vreemdeling heeft geen recht op opvang meer en moet direct uit Nederland vertrekken. Omdat de asielzoeker, ook als hij vreemdeling is, tegen afwijzing van zijn verblijfsstatus in beroep kan gaan – ook in hoger beroep –, blijven de mees- te vreemdelingen gewoon in Nederland, ook als ze alle beroepsmogelijkheden hebben uitgeput. Ze hebben dan hooguit nog recht op bed, bad en brood (zie paragraaf 5.7). De termen ‘rijksgenoten’ en ‘gastarbeider’ zijn achterhaald. Ooit was er het Ko- ninkrijk der Nederlanden, dat naast Nederland het huidige Indonesië, Surina- me en de Nederlandse Antillen omvatte. Met de onafhankelijkheid van Indone- sië in 1949 en van Suriname in 1975 is het koninkrijk teruggebracht tot alleen Nederland en de Antilliaanse eilanden. Met de term rijksgenoten werden de mensen van het niet-Europese deel van het koninkrijk aangeduid en dat zijn er

17

1  Migratie, komst en herkomst

nu veel minder. Nu hebben we het over Curaçaoënaars en Arubanen. Het be- grip gastarbeide r gaat ervan uit dat de migranten weer zullen vertrekken. In het begrip etnische minderheden duidt ‘etnisch’ op het afkomstig zijn uit een bepaald volk of een bepaalde bevolkingsgroep. De bevolking van Nederland is in de loop der jaren zo veranderd dat de bedoelde minderheden in een stad soms de grootste bevolkingsgroep geworden zijn. Het woord ‘minderheden’ be- nadrukt volgens sommigen bovendien het ‘minder’ zijn. De Surinaamse dichter Paul Middellijn zei het jaren geleden zo: ‘Minderheden, minder heden, minder toekomst …?’ Door de overheid werd veelal de term ‘minderheid’ gebruikt – zoals in het ‘minderhedenbeleid’, waarbij het ging om etnische minderheden. Maar niet alle groepen die tot 2010 onder het minderhedenbeleid vielen, waren migranten (zoals Roma en Sinti en woonwagenbewoners), en niet alle migranten vielen onder het minderhedenbeleid. Het begrip ‘minderheden’ (zonder het adjectief ‘etnisch’) is bovendien zeer breed op te vatten. Daaronder vallen alle groepen die naar eigen bevinden of volgens anderen als zodanig kunnen worden gezien, bijvoorbeeld vrouwen, blanke mannen, homo’s, lesbiennes en ga zo maar door. Met de term etnisch‑culturele bevolkingsgroepen wordt ter onderscheiding naast de etnische achtergrond ook de cultuur meegenomen. Met de reacties op de komst van arbeiders uit Midden- en Oost-Europa werd duidelijk dat het etnisch anders zijn niet altijd het herkenbare ‘andere’ uiterlijk is. Dat bleek eer- der al bij het antisemitisme, waarbij Joden vaak niet aan hun uiterlijk als Jood herkend werden. Daardoor kwam er meer aandacht voor de cultuur van min- derheidsgroepen. Dat is als het ware de werkelijkheid achter de herkenbare ui- terlijkheden. Medelanders klinkt zó gemaakt dat we de bezwaren maar heel kort hoeven te noemen. Aan het begrip valt met name op dat het doet alsof alles in de plurifor- me Nederlandse samenleving koek en ei is: aan het samenzijn wordt de nadruk gegeven. Een bezwaar is ook dat velen, maar niet allen dit gevoel van ‘medelan- der’ te zijn met elkaar delen. De term zwart wordt vaak als een politiek begrip gebruikt tegenover wit , waar- mee de blanke bevolkingsgroep tegenover de bruine bevolkingsgroep wordt ge- steld. Het bezwaar hiertegen is onder andere dat veel uit het Middellandse Zee- gebied afkomstige migranten zich absoluut niet in deze benaming herkennen. Het begrip ‘zwarte school’ is overigens wel officieel beleidsjargon voor scholen waarvan de populatie voor meer dan 60 procent bestaat uit ‘leerlingen van wie de ouders behoren tot de doelgroepen van het integratiebeleid, etnische min- derheden of afkomstig zijn van een niet-Engelstalig land buiten Europa met uitzondering van Indonesië’ (Alkema, 2006, p. 33).

18

1.2  Allochtonen, migranten, of een andere naam?

De begrippen Neder-Turken en Neder-Marokkanen worden steeds meer ge- bruikt. Voor de betrokkenen gelden ze als een soort geuzennaam, voor de an- dere Nederlanders zijn ze handig in het gebruik, omdat ze een koppelteken­ identiteit aangeven. Het meest gebruikte begrip van de laatste tientallen jaren is wel – nadat dat tot in de jaren tachtig ‘gastarbeider’ was – het begrip ‘allochtonen’. Over welke men- sen hebben we het als we spreken over allochtonen ? Weinigen zullen verwach- ten dat we met allochtonen (letterlijk: mensen van niet-inheemse afkomst) ook de 316.116 in Nederland wonende Duitsers bedoelen, de 116.389 Belgen, de 84.466 Britten of de 38.494 Amerikanen (cijfers 1 januari 2016) (CBS, 2016c). Bij het begrip ‘allochtoon’ wordt veelal aan niet-westerse allochtonen gedacht. Het woord allochtoon komt uit het Grieks en betekent letterlijk ‘van een andere gebied’. Tegenover het begrip ‘allochtoon’ staat de term ‘autochtoon’, die letter- lijk ‘uit hetzelfde gebied’ betekent. Het begrip ‘allochtoon’ is al sinds zijn invoe- ring het onderwerp geweest van een soort taalstrijd. Wat zijn de problemen? 1 Het begrip ‘allochtoon’ brengt als nadeel met zich mee dat het een verschil tussen ‘wij’ en ‘zij’ creëert. De autochtone Nederlanders vormen hierbij de wij- groep, de allochtone Nederlanders de zij-groep; de allochtone Nederlanders horen er zo niet echt bij, omdat ze niet tot de ‘gevestigden’ behoren. Ze zijn immers als het ware de ‘buitenstaanders’ (Elias & Scotson, 1985) en worden in een hokje gepropt waar ze niet zo snel weer uit komen. Bij deze kritiek hoort het standpunt dat je zou moeten zoeken naar begrippen die geen onderscheid maken of althans niet de suggestie wekken dat mensen ongelijk zijn. Een radica- le versie van deze kritiek zegt dat iedereen in Nederland met een Nederlandse nationaliteit gewoon Nederlander is. Zelfreflectie Is iedereen die in Nederland woont, met of zonder verblijfsstatus of Nederland- se nationaliteit, volgens jou gewoon Nederlander? Of wil je toch verschil maken, zonder de suggestie te willen wekken te discrimineren of op een vervelende manier uit te sluiten? Maar hoe dan? 2 Het begrip ‘allochtoon’ gooit iedereen op een hoop. Het begrip werd door be- leidsmakers geïntroduceerd en vervolgens met veel problemen verbonden. ‘Al- lochtone criminaliteit’ bijvoorbeeld leidde tot het stigmatiseren van alle alloch- tonen. Het begrip ‘allochtoon’ is daarom te vaag en te negatief. 3 Een allochtoon is volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) iemand van wie ten minste één ouder in het buitenland is geboren. Het criterium ‘bui- tenland’ klopt niet helemaal, want bij het CBS vallen Surinamers en Antillia- nen ook onder ‘allochtonen’, terwijl Suriname pas in 1975 onafhankelijk werd

19

1  Migratie, komst en herkomst

van het Koninkrijk der Nederlanden en de vroegere Nederlandse Antillen hier nog altijd deel van uitmaken. De CBS-omschrijving van het begrip ‘allochto- nen’ is breed en heel veel inwoners van Nederland vallen eronder, ook koning Willem-Alexander en zijn dochters. Daarom wordt vervolgens onderscheid ge- maakt tussen westerse en niet-westerse allochtoon. Westerse allochtonen zijn afkomstig uit Europa (maar niet Turkije), Noord-Amerika of Oceanië. Niet-wes- terse allochtonen zijn afkomstig uit Afrika, Latijns-Amerika en Azië (maar niet Indonesië en Japan) of Turkije. Het gaat dus niet alleen om een geografisch onderscheid, maar ook om een onderscheid naar de sociaaleconomische en so- ciaal-culturele achtergrond van migranten. Zo kwamen Turken van de eerste generatie als arbeidskrachten van het Turkse platteland naar Nederland, zijn de meeste migranten uit Indonesië geboren in Nederlands-Indië en werken veel Japanners slechts tijdelijk in Nederland voor Japanse bedrijven. Grofweg kun je stellen dat bij de niet-westerse allochtonen gedacht wordt aan migranten die uit landen met een zwakkere economie en een heel andere cultuur naar Nederland kwamen om hier te werken (Turken, Marokkanen) en aan migranten uit landen die deel uitmaakten van het Koninkrijk der Nederlanden (Surinamers, Antillia- nen, Arubanen). Al die mensen zitten dus samen in de vergaarbak ‘allochtonen’. Daarmee is het begrip te breed en daarmee nietszeggend geworden. Problematisch aan het CBS-gebruik van de definitie is dat alleen de eer- ste en tweede generatie migranten als allochtoon worden aangeduid. De derde generatie is volgens de oude CBS-definitie gewoon autochtoon. Toch kampen Turks-Nederlandse, Marokkaans-Nederlandse of Chinees-Nederlandse jonge- ren van de derde generatie met andere problemen en ervaren ze hun identiteit als anders dan die van elkaar en dan die van autochtone Nederlandse jongeren. Dat ze een geheel specifieke eigen culturele identiteit hebben blijft onbespro- ken zodra ze op een hoop worden gegooid met autochtone jongeren. Hoe wordt nu de achtergrond van personen met een migratieachtergrond be- paald? Bij het afbakenen van personen met een migratieachtergrond staat het geboorteland van de ouders centraal. Bij personen met een Nederlandse ach- tergrond zijn beide ouders in Nederland geboren. Bij personen met een migra- tieachtergrond is ten minste één ouder in het buitenland geboren. Iemand die zelf ook in het buitenland is geboren, behoort tot de eerste generatie, terwijl iemand van de tweede generatie in Nederland is geboren. Binnen de generaties zijn verschillende generatiegroepen te onderscheiden, afhankelijk van leeftijd van binnenkomst en achtergrond van beide ouders. De herkomstgroepering van de eerste generatie is het eigen geboorteland. De herkomstgroepering van de tweede generatie is het geboorteland van de moeder als zij in het buitenland is geboren, en anders is dat het geboorteland van de vader.

20

1.2  Allochtonen, migranten, of een andere naam?

Beide ouders in Nederland geboren?

Nee

Zelf in Nederland geboren?

Ja

Nee

Ja

Nederlandse achtergrond

Migratieachtergrond

Derde generatie

Eerste generatie

Tweede generatie

18 jaar of ouder bij immigratie

6 tot 18 jaar bij immigratie

Jonger dan 6 jaar bij immigratie

Beide ouders in buitenland geboren

Een ouder in buitenland geboren, een ouder tweede generatie

Een ouder in buitenland geboren, een ouder Nederlandse achtergrond

Beide ouders tweede generatie

Een ouder tweede generatie, een ouder Nederlandse achtergrond

Beide ouders Nederlandse achtergrond

Figuur 1.1 Schematische weergave bepaling achtergrond en generatiegroepen (Ooijevaar & Bloemendal, 2016, p. 20)

Hoe heten mensen met een migratieachtergrond elders? (Schravesande, 2016)

België In Vlaanderen wordt gesproken over ‘allochtonen’ in de definitie die in Neder- land gangbaar was: mensen met een nationaliteit van buiten West-Europese EU-landen of met een ouder met die afkomst. Veel overheden gebruiken ook ‘personen met een migratieachtergrond’. Wallonië volgt de Franse lijn.

21

1  Migratie, komst en herkomst

Frankrijk Het is in Frankrijk bij wet verboden gegevens te verzamelen waarin een etnische of raciale achtergrond wordt vastgelegd: de overheid schrijft eenheid en kleu- renblindheid voor. In het alledaagse taalgebruik wordt wel gesproken van ‘mi- granten’ en hun nakomelingen. Duitsland Het Duitse statistiekbureau introduceerde in 2005 de noemer ‘Migrationshinter­ grund’ (migratieachtergrond), die ook voor de kinderen van deze mensen op- gaat. Verenigd Koninkrijk Angelsaksische landen spreken over ‘first, second and third generations of mi- grants’. Maar in het Verenigd Koninkrijk is de term ‘etnische minderheden’ ge- bruikelijker. Bij een volkstelling kunnen inwoners kiezen uit vijf ‘brede’ catego- rieën: white , mixed , Asian/Asian-British , black/African/Caribbean/black-British , other . Scandinavië Terminologieën in Scandinavische landen lijken op elkaar: in Finland, Zweden en Noorwegen spreken overheden van ‘personen van buitenlandse afkomst’. De term ‘nakomelingen van migranten of immigranten’ is ook gangbaar in Dene- marken en Zweden. Zelfreflectie In Nederland wordt het begrip ‘allochtoon’ in het taalgebruik van overheden en media vervangen door verwijzingen naar de koppeltekenidentiteit. Dit om mensen met een migratieachtergrond niet het gevoel te geven dat ze er niet bij horen. Wat vind je van de oplossingen in de hiervoor genoemde landen? In hoeverre wordt hier aan het probleem van ‘uitsluiting door taalgebruik’ gewerkt? Tegen het onderscheid tussen ‘autochtoon’ en ‘allochtoon’ en verder tussen ‘westerse’ en ‘niet-westerse allochtoon’ wordt sinds enkele jaren veel bezwaar gemaakt, omdat het als uitsluitingsmechanisme zou werken. Er wordt dan ook voor gepleit om deze begrippen in het officiële taalgebruik af te schaffen. Er is daarom discussie over het gebruik van een neutraler begrip. Immers, juist de overheid dient in neutrale termen te spreken.

22

1.2  Allochtonen, migranten, of een andere naam?

Het begrip ‘allochtoon’ afgeschaft in het ambtelijke taalgebruik Op 1 november 2016 werd bekendgemaakt dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) de woorden ‘allochtoon’ en ‘autochtoon’ en ‘westers’ en ‘niet-westers’ uit hun voca- bulaire schrappen. De reden: de termen zijn niet precies genoeg en lokken stig- matisering uit. Het WRR-rapport Migratie en classificatie zegt: ‘Migranten zijn in- middels zo verschillend qua herkomstland, migratiemotief en migratieduur dat ze niet meer onder deze overkoepelende termen zijn te vangen’ (Bovens, Bok- horst, Jennissen & Engbersen, 2016). De WRR spreekt het voornemen uit zo veel mogelijk te verwijzen naar groepen. Daaromwil de WRR de tweedeling ‘westers’ versus ‘niet-westers’ vervangen door een meervoudig en variabel onderscheid naar herkomstgroepen (bijvoorbeeld Nederlandse, Turkse, Centraal-Aziatische achtergrond). De WRR en het CBS beroepen zich op onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) dat migranten zichzelf minder als ‘allochtoon’ zien naarmate zij zich meer thuis voelen in Nederland, ze minder problemen ervaren met de Nederlandse taal en een betere arbeidsmarktpositie hebben. De WRR wil voortaan de termen ‘inwoners met een Nederlandse achtergrond’ en ‘inwoners met een migratieachtergrond’ gebruiken als dat nodig is. Daarbij erkent de raad het gevaar dat ook deze nieuwe indelingen weer negatief geladen kunnen wor- den. De WRR ziet als voordeel van de toevoeging ‘achtergrond’ dat die inclusie- ver is dan termen als ‘oorsprong’, ‘herkomst’ of ‘komaf’. De toevoeging ‘achter- grond’ biedt daarnaast ruimte voor het feit dat veel burgers een meervoudige identiteit hebben – iemand kan tegelijkertijd Nederlander zijn en ook een migra- tieachtergrond hebben (Bovens et al., 2016). De labels ‘allochtonen’ of ‘westers’ en ‘niet-westers’ hebben daarnaast een uitsluitende en onderschikkende wer- king, aldus de WRR. Zelfreflectie Wat maakt de toevoeging ‘achtergrond’ inclusiever dan termen als ‘oorsprong’, ‘herkomst’ en ‘komaf’? Wat maakt dat de labels ‘westers’ en ‘niet-westers’ een uitsluitende en onder- schikkende werking hebben, zoals de WRR stelt? In 2015 stopten landelijke dagbladen als de Volkskrant al met het gebruik van het woord ‘allochtoon’, behalve in citaten, opiniestukken of beleidstaal. De krant ging over op de volgens haar preciezere begrippen die naar de ‘streepjes-Ne- derlander’ verwijzen. Zo schrijft de Volkskrant nu over bijvoorbeeld Marok- kaans-Nederlandse jongeren of Surinaams-Nederlandse collega’s en verwijst ze naar ‘migranten van de eerste of tweede generatie’ of geeft ze aan dat mensen ‘van migrantenafkomst’ zijn. Dit taalgebruik wordt ook gehanteerd voor de vol- gende generaties van de Nederlanders met een zogenoemde ‘koppeltekeniden-

23

1  Migratie, komst en herkomst

titeit’, ook al zou je kunnen zeggen dat hier het Duitse gebruik om te zeggen ‘van migrantenafkomst’ ook een voor de hand liggende optie zou zijn. In dit boek gebruiken we net als de Volkskrant het begrip ‘migrant’ en verwijzen we naar de ‘koppeltekenidentiteit’ van de ‘streepjes-Nederlander’. Een meerderheid van de Tweede Kamer (VVD, CDA en SGP uitgezonderd) besloot in 2016 dat het begrip ‘allochtoon’ niet meer mag worden gebruikt in overheidsdocumenten. Eind 2016 kwam met het advies van de WRR de gena- deklap voor althans het ambtelijk gebruik van deze term. Het CBS was nog een uitzondering bij het gebruik van de term ‘allochtonen’ in de onderzoeksstatis- tieken en in de verwijzingen daarnaar. Dat is nu voorbij. Het Jaarrapport Inte‑ gratie 2016 van het CBS (Ooijevaar & Bloemendal, 2016) spreekt consequent van ‘personen met een Nederlandse achtergrond’ en ‘personen met een migra- tieachtergrond’. Personen met een migratieachtergrond kunnen zowel van de eerste als van de tweede generatie zijn. Betekent dat nu dat het begrip ‘alloch- toon’ zal verdwijnen? Nee, want het kan in het alledaagse taalgebruik nog een lang leven leiden. Na de begrippen ‘gastarbeider’ en ‘allochtoon’ zal dus nu de verwijzing naar de koppeltekenidenteit (bijvoorbeeld Surinaamse Nederlander) van de streep- jes-Nederlander (bijvoorbeeld Surinaams-Nederlands) en de omschrijving ‘met migratieachtergrond’ gebruikt gaan worden in ambtelijk en politiek taalgebruik en in de media. Is hiermee het probleem van het uitsluiten van mensen door taalgebruik verholpen? Geeft de toevoeging ‘met migratieachtergrond’ aan mi- granten meer het gevoel dat ze erbij horen? De kans is groot dat ook dit begrip ter discussie komt te staan. Immers, nog steeds worden migranten niet gelijk als ‘Nederlanders’ benoemd. De discussie over uitsluitend taalgebruik is hiermee dus uitgesteld, alhoewel ‘met migratieachtergrond’ minder dan ‘gastarbeider’ en ‘allochtoon’ de indruk geeft dat iemand van buiten komt. Dat is de duidelijke winst in dit debat over de benaming van migranten. Het indelen van mensen in groepen door taalgebruik behoort tot het denken in ‘wij’ en ‘zij’. Voor mensen is dit een belangrijk waarnemingsprincipe (zie ook paragraaf 8.2). Het gevaar is groot dat met het afschaffen van het begrippen- paar ‘allochtoon-autochtoon’ ander begrippenparen aan belang winnen. Als het gaat om begrippen die een neerbuigend, volgens sommigen racistisch karakter hebben, komen er wellicht nog meer in aanmerking om te worden afgeschaft in ambtelijk taalgebruik en in de pers. Zo stelde het Rotterdamse raadslid Setkin Sies (ChristenUnie-SGP) in een motie in de gemeenteraad voor om de termen ‘lager’ en ‘hoger opgeleid’ te schrappen uit beleidsstukken. ‘Sies vindt ze neerbuigend voor “lager” op- geleiden; wat is er mis met een ambachtsman of -vrouw die niet universitair geschoold is, maar dingen kan maken waarvan die “hoger” opgeleiden alleen maar kunnen dromen? Goed punt. Nederland zit te springen om goede am-

24

1.3  Apart benoemen en registreren zinvol?

bachtslieden. Waardering in de taal is een kleine, maar wel belangrijke stimu- lans voor hun rehabilitatie’ (Van Schoonhoven, 2016).

Zelfreflectie Welke associaties krijg jij bij het begrip ‘lageropgeleiden’?

1.3

Apart benoemen en registreren zinvol? We kiezen in dit boek als gezegd voor de term ‘migranten’. Dat legt minder dan het begrip ‘allochtoon’ de nadruk op het ‘van buiten komen’ van nieuwe Ne- derlanders, maar geeft wel aan dat iemand van land is veranderd en daarmee van taal, cultuur en affiniteit met bekende systemen, structuren, normen en waarden en grondaannames. Een dergelijke verandering verloopt dikwijls niet zonder of slag of stoot, en het apart benoemen en registreren van deze groep lijkt ons dan ook voordelen te hebben. Het kan om westerse of om niet-wester- se migranten gaan, al zullen we vaker aandacht hebben voor de laatste groep. Hoe kunnen we oog krijgen voor processen in de samenleving die bepaalde categorieën mensen een slechtere of juist betere positie opleveren zonder daar zelf aan bij te dragen door te stigmatiseren? Categoriseren heeft nadelen, omdat het vooroordelen in de hand werkt en miskent dat etniciteit slechts één aspect van de situatie is en dat andere factoren, zoals sociaaleconomische positie, wel- eens veel belangrijker kunnen zijn. Tegen de achtergrond van het begrip ‘su- perdiversiteit’ is het wellicht niet zinnig om etnische categorieën te benutten, omdat het begrip ‘etnische categorie’ te grofmazig is: er zijn talloze verschillen tussen mensen, niet alleen etnische, en zelfs als je wel etnisch afbakent, zijn er binnen die categorieën nog veel verschillen. Superdiversiteit verwijst naar de normalisering van diversiteit in de samenleving van de eenentwintigste eeuw. Het gaat om processen van diversificatie, ‘die niet alleen het resultaat zijn van migratie, maar evenzeer van toegenomen individualisering en ontwikkeling van levensstijlen en persoonlijke identiteiten’ (Geldof, 2013, p. 35). Geldof (2013) pleit in zijn boek over superdiversiteit voor het voorbijgaan aan de hardnekkige tegenstellingen tussen ‘wij’ en ‘zij’. Immers, er zijn tegenwoordig wel erg veel ‘wij-zij-mogelijkheden’. In het Nederland van vandaag is naar onze mening nog steeds genoeg spra- ke van duidelijk te onderscheiden bevolkingsgroepen dat we het begrip ‘super- diversiteit’ niet overnemen. Relevante informatie over de verschillende catego- rieën is nog steeds te verzamelen en daarmee van groot belang voor het maken van beleid. Geen onderscheid willen maken onder de ethisch-normatieve leus ‘Iedereen is gelijk’ of juist onder de ‘superdiverse’ leus ‘Iedereen is verschillend’ is ons inziens dan ook niet nuttig.

25

1  Migratie, komst en herkomst

Zelfreflectie Welke bevolkingsgroepen zou jij in de Nederlandse samenleving willen onder- scheiden? Vind je het verantwoord om het onderscheid tussen deze groepen te hanteren? Is de versnippering van de samenleving in categorieën (niet alleen naar etnici- teit, maar ook bijvoorbeeld naar seksuele geaardheid) inmiddels niet zo groot dat het zo langzamerhand geen zin meer heeft om categorieën te gebruiken als ‘Surinaamse Nederlanders’ en ‘migranten van de eerste en tweede generatie’? Denk aan het begrip ‘superdiversiteit’. Of gooien we met een dergelijk radicaal afzien van categorieën juist het kind met het badwater weg? Bij overheden en instellingen in de semipublieke sector (zorg, onderwijs, ge- zondheidszorg) is sprake van een zekere terughoudendheid bij het verbinden van problemen met groepen en dus bij het benoemen van afkomst. Dit heeft als achtergrond het streven om stigmatisering te verhinderen. Stigmatisering is een ‘maatschappelijk brede en gangbare afwijzing en negatieve beoordeling van groepen die zich in een relatief kwetsbare positie bevinden’ (Verkuyten, 2003). Stigmatisering leidt tot een verhoogde kans op discriminatie en vooroordelen, zoals op school, bij het zoeken naar werk of een stageplaats, of in de vrije tijd. In Nederland beklagen veel leden van migrantengroepen zich over een negatieve behandeling op school of door werkgevers. Overheden en instellingen voeren graag beleid op maatschappelijke verschijnselen (werkloosheid, criminaliteit, participatie in de samenleving). Het is te vrezen dat het zicht daarop minder wordt wanneer de betrokkenheid van bepaalde groepen niet langer waarneem- baar is. Immers, het streven naar het verminderen van discriminatie door het benoemen van groepen maakt ook dat alles ‘één pot nat wordt’. De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) kwam in 2012 in het advies Tussen afkomst en toekomst. Etnische categorisering door de overheid tot de conclusie dat ‘de legitimatie van de categorisering voor kinderen naar het geboorteland van de ouders is komen te vervallen’. Daarvoor geeft de RMO als reden ‘dat het oorspronkelijk bedoeld was voor het beleid om achterstandspo- sities te verminderen en inmiddels in het teken van bestrijding van onveiligheid en criminaliteit staat, maar dat van een causale, verklarende relatie tussen etni- citeit en maatschappelijk verschijnsel in beide gevallen geen sprake is’. Bij nieuwe immigranten zou bij geboorte in Nederland en bij immigratie vol- gens de RMO (sinds 2015 Raad voor Volksgezondheid en Samenleving, RVS) in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) niet langer informatie over de geboortegrond van hun ouders opgenomen worden. Dit advies is niet overge- nomen omdat de regering zo beleidsinformatie kan krijgen over de eerste en de tweede generatie. Wel wordt sinds 2014 de tweede of volgende nationaliteit niet meer opgenomen in de bevolkingsregistratie. Geboorteland wordt dus beperkt

26

Made with